Zijn verzamelde gedichten tonen Menno Wigman in volle glorie ★★★★★

Beeld Typex

De decadente schrijvers van het fin de siècle hadden het in zekere zin gerieflijk, want het was nog altijd de epoque van de glacé handschoen, de monocle en de jugendstil-architectuur. Kom daar eens om, moet Menno Wigman (1966-2018) hebben gedacht, toen hij als jongeman in Noord-Holland genoeg reden had zich volkomen verloren te voelen, in een wereld die langzaam maar zeker werd beheerst door de populariteit van de omineus onophoudelijke uitverkoop, van copyrettes en van de Burger King. Daar zit je dan, met je maatkostuum en je verzorgde stijl, die je is ingefluisterd door de grote dichters die vóór jou alles al hebben gezegd. Er is niets meer dat nog op jou heeft gerekend.

De Verzamelde gedichten van Menno Wigman, die vorig jaar overleed op 51-jarige leeftijd, is een compacte uitgave, terwijl de zelfhaat en onvervuldheid die eruit opstijgen, de indruk wekken dat de maker het bestaan dikwijls moeilijk te dragen vond. ‘Als zoon van een verziekte generatie sneed/ ik sierlijk in mijn vlees. Ja, ik had liefgehad,/ ik dronk wat, reisde wat – nog had ik niks beleefd.’ Voor alles te laat geboren. Toen hij ‘Bijna dertig’ was kon hij al klagen dat het einde in zicht was en dat hij zijn leven had verpest door poëzie, die hem de sierlijke walging bijbracht die zijn signatuur vormde. Alleen op een enkele gouden dag voelde hij zich leven en zag hij de liefde in de ogen zonder het meteen weer op een roken te zetten, symbool voor de vluchtigheid van alles, een wolk tussen hem en de wereld om beschaamd in te verdwijnen.

Modern-klassieke doemdichter

‘Ik ken de droefenis van copyrettes’ (uit de bundel Dit is mijn dag, 2004) is niet voor niets zo’n beroemde versregel geworden. Het hele gedicht dat erop volgt (‘Wie kopiëren ze? Wie kopieer/ ik zelf? Vader, moeder, wereld, DNA,/ daar sta je met je stralend eigen naam,// je hoofd vol snugger afgekeken hoop/ op rust, promotie, kroost en bankbiljetten’), is een uitwerking van die desolate opening waar alles al in zit. Iedereen ként het beeld, vaak gezien, zo’n copyrette waar je zelfs ’s nachts nog je papieren kunt dupliceren, de bewijzen dat je bestaat en die je voor een huis of baan nodig hebt. Maar niemand anders is op het idee gekomen om die treurige servicewinkel een hoofdrol te geven in een gedicht dat onze tijd weerspiegelt. Met de beschrijving van de inwisselbaarheid bij uitstek heeft Wigman zichzelf tot modern-klassieke doemdichter gepromoveerd.

In Zwart als kaviaar (2001) beschreef hij zijn eigen conceptie in ‘Ergens was het zomer’, dat eindigt met de regels over misschien de enige periode in zijn leven dat hij redeloos gelukkig was: ‘Ik heers en zeil en schop/ in mijn volmaakt gevoerde envelop./ Nooit val ik samen met een naam./ Nooit spoel ik panisch in het daglicht aan.’

Onvermijdelijk moest hij eraan geloven, het onverbiddelijke daglicht in, dat een spot op alle lelijkheid zet. De dichter trok zich terug en sleep zijn verzen, refererend aan vakgenoten als Marsman (bij ‘vader, moeder, wereld’ roep je niet ‘DNA’ maar ‘knekelhuis’), Rilke (in de ‘Tiergarten’ waar een vuur woedde, ziet Wigman ‘verbrande panters’ en zal hebben gedacht aan de panter die Rilke in Parijs zag), tijdgenoot en zanger Maarten van Roozendaal (‘En iedereen,/ ook ik, is nog een keer een lente waard’; en dan te bedenken dat beiden thans dood zijn). Met apocalyptische regels als ‘Niks ruikt naar God. De aarde neemt een nieuw begin./ De dieren voeren eensgezind een paspoort in’, betoont hij zich een volleerd epigoon van Gerrit Komrij, samen met Jean Pierre Rawie zijn grote voorganger in vormvastheid.

Als de woorden ‘kont’, ‘pik’, ‘kut’ en ‘tieten’ vallen, is dat geen stijlbreuk, want steevast gebruikt hij die termen bij wijze van wanhoopskreten; ofwel achteroverliggend in de stoel bij de tandarts verwoed aan iets aangenaams denkend, ofwel witheet van jaloezie de geliefde vervloekend die hem voor een ander verliet en die hij op deze kansloze manier van zich af hoopt te trappen.

Beeld Prometheus

Vroegoud

Het best is Wigman als hij de zinledigheid van zijn arbeid – verzen smeden met engelengeduld, de horreur vergulden met sprekende beelden en ritmische volmaaktheid, maar waartoe en voor wie? – in diezelfde regels uitleeft: ‘de witte wimpers van de angst/ dat ik mijn leven heb verschreven’, en ‘Had je maar nooit een gedicht gezien’. Die laatste regel (die weer naar Slauerhoff verwijst) komt uit de bundel Slordig met geluk (2016, Ida Gerhardtprijs 2018), toen inmiddels duidelijk was dat de pose van de dichter die aan het leven lijdt, en die van hem aanvankelijk een aandoenlijke jongeling maakte, vrijwel ongemerkt was overgegaan in bittere werkelijkheid. Door angst en pijn kwam hij in de ziekenboeg van het leven terecht. Hij was geworden wat hij ooit alleen maar leek te spelen: vroegoud.

‘De zon was mij nooit opgevallen als hij niet/ steeds onderging.’ Wat een menigte aan prachtige regels heeft Wigman ons geschonken, in bundels die reeds bij verschijnen haakten naar bijzetting in de definitieve editie die deze Verzamelde gedichten zijn, en die ons vanaf deze herfst zullen vergezellen in het lange en lastige leven met af en toe zo’n onwerkelijk vredige dag waarop ‘de zon voor de zon schuift’.

Menno Wigman: Verzamelde gedichten

Samengesteld door Neeltje Maria Min en Rob Schouten. Prometheus; 324 pagina’s; € 29,99.

Bronvermelding

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *