Tijdens een crisis is persvrijheid ineens toch (een beetje) mogelijk in China

Een eerbetoon in Sjanghai aan artsen die vanuit heel China naar Wuhan trokken om te helpen met de crisis. Beeld AFP

‘De klokkenmaker van Wuhan’, zo kopte het Chinese tijdschrift Renwu (Mensen). Eronder stond een interview met Ai Fen, spoedarts in Wuhan. Zij had op 30 december 2019 het labrapport gezien van een patiënt met een zware longontsteking, was gealarmeerd door de resultaten en had een foto van het rapport naar haar collega’s gestuurd, met in het rood omcirkeld ‘sars-achtig coronavirus’.

De rest van het verhaal is bekend: de foto werd door acht artsen in bredere kring verspreid, maar deze klokkenluiders werden door de ­politie op het matje geroepen. Het rapport werd begraven en de bevolking pas drie weken later ingelicht, toen het virus al wijdverspreid was. ‘Als de bevolking meteen waakzaam was geweest voor het virus, zouden er niet zo veel tragedies zijn gebeurd’, aldus Ai Fen, die zichzelf geen klokkenluider wilde noemen. Ze had alleen de klok gemaakt.

In de weken dat de bevolking ­onwetend werd gehouden, was volgens China News Weekly al heel wat informatie bekend. In een fijn staaltje onderzoeksjournalistiek – titel: ‘Het verdriet van Wuhan’ – ­reconstrueerde het weekblad hoe het nieuwe virus al op 2 januari werd geïdentificeerd en er al op 11 januari bewijzen van mens-op-mensoverdracht waren. De Chinese overheid maakte dit pas op 20 januari bekend, om drie dagen later meteen een lockdown in te stellen.

Ook na die lockdown bleef de ­bevolking van Wuhan aan zijn lot overgelaten. Er was een enorm tekort aan ziekenhuisbedden en testkits, schreef de nieuwssite Caixin in het artikel ‘Onderbemand, slecht uitgerust en overweldigd’. Zwaar zieke patiënten moesten thuisblijven, waar ze hun hele familie besmetten en zonder enige hulp overleden. Pas op 2 februari kreeg de overheid enige grip op de situatie.

Voortreffelijke artikelen

Dit zijn maar enkele van de vele voortreffelijke artikelen over de ­coronacrisis die de afgelopen tijd in Chinese media verschenen. Dat is bijzonder, in een land waar de persvrijheid sterk is ingeperkt en onderzoeksjournalistiek nauwelijks nog mogelijk is. Maar tijdens de coronacrisis bleek waarheidsvinding ineens toch nog mogelijk in China. Dertien commerciële media stuurden verslaggevers naar Wuhan en publiceerden interviews met artsen en verplegers, reportages over de tekorten en onderzoeken naar de politieke verantwoordelijkheid. De verhalen worden gretig gelezen. De themanummers van Caixin waren in een mum van tijd uitverkocht en moesten worden bijgedrukt.

Zo’n ‘tijdelijke persvrijheid’ zie je in China vaker tijdens grote crises, zoals tijdens de aardbeving in ­Sichuan in 2008. De overheid geeft journalisten meer ruimte om zelf een beter zicht op het probleem te krijgen en de stemming onder de bevolking te peilen. Maar de openheid is niet onbeperkt. Zodra de ­kritische verslaggeving tot sociaal protest dreigt te leiden of op fouten van de centrale overheid wijst, slaat de censuur weer toe.

Ook dit keer heeft de persvrijheid plaatsgemaakt voor een propagandaoffensief, waarin de overwinning op het coronavirus centraal staat. De drie genoemde artikelen zijn ­ondertussen offline gehaald. Wijs geworden, hebben veel Chinezen de papieren edities gekocht en screenshots genomen van online-artikelen. Die staan nu in archieven en worden stiekem doorgestuurd.

Het interview met Ai Fen is daarbij een verzetssymbool geworden. Om de censuur te omzeilen wordt het in steeds nieuwe vormen online geplaatst: in screenshots, in allerlei vertalingen (tot Klingon aan toe), in morse en in braille. Telkens als de censor toeslaat, duikt er een nieuwe versie op. De laatste is één die je van achter naar voor moet lezen: diehjirvsrep ed naa nootebree nee.

Leen Vervaeke is correspondent in Beijing.

Bronvermelding

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *