Fietsen, niksen, droppings: dit jaar lag de sleutel tot geluk opvallend vaak in Nederland

Van fietsen tot niksen: in 2019 lag volgens buitenlandse media de sleutel tot geluk opvallend vaak in Nederland.

Begin november 2019 publiceerde de Amerikaanse populair-wetenschappelijke website Nautil.us een artikel met de titel: ‘The Simple Dutch Cure for Stress’. En wat is deze eenvoudige Nederlandse manier om met stress om te gaan? Het betreft hier ‘tijd doorbrengen in de wind, door bijvoorbeeld te wandelen of te fietsen’. Deze gewoonte is zo alledaags in Nederland, meldt de schrijver, dat de Nederlanders er een woord voor hebben: ‘uitwaaien’. Caitlin Meyer, docent aan de Universiteit van Amsterdam (Dutch Linguistics) werd gevraagd naar de betekenis van deze term. Je kunt het letterlijk vertalen als ‘outblowing’, verklaarde zij. 

Het artikel haalt nog wat bronnen aan die, we vatten even samen, meldden dat beweging goed voor je is en dat veel Nederlanders vlak bij de kust wonen, waar het goed outblowing is. Het feit dat er geen directe vertaling van dit woord in het Engels is, wordt in het stuk geduid als een bewijs dat de Nederlanders wellicht geheime informatie bezitten die zou moeten worden ontsloten. Conclusie: ‘Open die agenda-app en maak wat tijd vrij om uit te waaien.’

Het was zeker niet de eerste keer in 2019 dat een alledaags Nederlands begrip opeens als een vorm van ultieme wijsheid werd gepresenteerd. Het feit dat de term lastig te vertalen, raar gespeld en onmogelijk is uit te spreken voor Engelstaligen werd gezien als hét bewijs dat wij, de Nederlanders, een vorm van discrete kennis meedragen, diep verborgen in onze taal en cultuur. Dat sloot, zacht gezegd, niet helemaal aan bij onze – zelfgedefinieerde – nuchterheid als nationale karaktertrek.

Maar eerst de aanloop: de Denen gingen ons voor.

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie

Hygge

2016 was het jaar van de internationale doorbraak van hygge, een vorm van Scandinavische zen, die in dat jaar op een haar na werd verkozen tot woord van het jaar in Groot-Brittannië (‘Brexit’ won). Die bijna-verkiezing volgde na een periode dat de bestsellerlijsten werden gedomineerd door zelfhulpboeken als Hygge: The Danish Art of Happiness en How to Hygge: The Nordic Secrets to a Happy Life

Op zoek naar de treffende vertaling voor het begrip werd soms verwezen naar het Nederlandse ‘gezelligheid’, een, volgens Wikipedia, te vergelijken concept van ‘comfort and cosiness’. De mystificering van het begrip ‘gezelligheid’ is een klassieker uit buitenlandse reisgidsen voor Nederland, waarin ‘gezelligheid’ (dat ook altijd onvertaalbaar wordt genoemd) als kern van onze volksaard wordt geschetst. 

‘Gezelligheid’ had lang het rijk alleen, maar afgelopen jaar braken meer Nederlandse begrippen internationaal door. Vaste kenmerken: het aanhalen van respectabele wetenschappers en het gebruik van het oorspronkelijke Nederlandse woord – tegen de achtergrond van het feit dat Nederlanders als bewoners van een van de welvarendste en zelfs gelukkigste landen in de wereld kennelijk iets weten dat de moeite van het delen met de wereldgemeenschap waard is. 

Niet de minste media bogen zich over Nederlandse fenomenen, door Nederlanders zelf geobserveerd met een mengeling van geamuseerde verbazing en iets dat we rustig ‘trots’ kunnen noemen. Opeens waren we weer het gidsland dat we altijd denken of hopen te zijn.

‘Niksen’

Het begon met ‘niksen’. Time Magazine publiceerde op 12 juli een essay met de titel: ‘Niksen Is the Dutch Lifestyle Concept of Doing Nothing – And You’re About to See It Everywhere’. De auteur van het stuk begint met een linguistische en geschiedkundige hink-stap-sprong door de internationale lezers te wijzen op de Deense en de Zweedse voorgangers hygge en lagom, die de aanloop vormen naar een ‘Noord-Europese trend’ om onze stressvolle levens beter in de hand te hebben. ‘Het Nederlandse begrip is zo simpel als, nou, niks doen.’

Time Magazine interviewde socioloog Ruut Veenhoven van de Erasmus Universiteit, emeritus hoogleraar sociale condities voor menselijk geluk. Hij legde de journalist geduldig het verschil uit tussen mindfulness (zó 2015) en niksen, waarbij de laatste duidelijk wordt gepresenteerd als de superieure strategie om met stress om te gaan. Waar je bij mindfulness bewust ‘aanwezig bent in het heden’, met verhoogde concentratie als uitgangspunt, is het bij niksen de bedoeling dat je alleen maar ‘bent’, de geest mag vrij zweven. Langzaam weggezakt op de bank met een nog dichtgeslagen boek en kwijlend wakker geworden met een leeg hoofd? Goed bezig.

Carolien Hamming, directeur van een instelling waar mensen met stress of een burn-out worden geholpen, meldde dat er in Nederland nog wel moest worden gevochten tegen het vastgeroeste idee dat niksen een vorm van luiheid is, maar dat we daar nu wel voorbij waren. Time meldde dat ‘niksen’ een ideale aanloop, hoe paradoxaal ook, naar hogere productiviteit is. De reacties online waren voorspelbaar: in de sfeer van ‘Yo @Time! Lekker aan het niksen!’ met een foto van een man die in een duinpan ligt.

Het stuk over niksen leidde nationaal en internationaal tot een aantal publicaties, maar het niksen zelf kan onmogelijk als een opvolger van hygge worden gezien, wellicht ook omdat tips om te niksen de beoefening ervan behoorlijk in de weg lijken te zitten. Het leidde wel tot nieuwe internationale belangstelling voor Nederlandse levenswijsheden, al dan niet als spiegel van de eigen samenleving. En passant kregen Nederlandse lezers de kans hun eigen land en gewoonten door een exotische bril te zien, als een Japan aan de Noordzee.

Beeld Elzeline Kooy

Dropping

Mochten we denken dat we met het stuk over niksen even het internationale komkommernieuws hadden gehaald, twee weken later (21 juli) begon zich met een publicatie van een groot stuk in The New York Times een patroon af te tekenen. De kop luidde: ‘A Peculiar Dutch Summer Rite: Children Let Loose in the Night Woods’. De foto van Dmitry Kostyokov hielp ook, met een suggestief nachtelijk beeld van een stel kinderen die als in de Lage Landen-editie van Stranger Things een verloren indruk maken op een onverharde weg in de duisternis. Op een ander verontrustend beeld zien we een stel kinderen geblinddoekt in een auto zitten.

Waarover ging het hier – nog los van het feit dat night woods in een Nederlandse setting ook een beetje klinkt als Dutch Mountains? Het ging hier om ‘een Nederlandse scoutingtraditie, ook bekend als dropping’, waarbij kinderen in een bos worden achtergelaten en worden verondersteld hun weg naar huis te vinden, aldus de beste krant ter wereld. 

Het kan zijn dat dit in de ogen van de gemiddelde Amerikaan, die in een land met eindeloze wildernis leeft zonder ook maar een enkele ANWB-paddestoel in de wijde omtrek, als een buitengewoon wreed ritueel klonk. De Times had het goed uitgezocht en uit de archieven anekdoten opgediept waarbij een dropping eindigde in een fataal verkeersongeluk of de leiders zich tijdens de dropping bij het kampvuur in een roes dronken en de kinderen compleet vergaten. Maar, is de toon van het stuk, dat zijn de risico’s die in Nederland aanvaardbaar zijn als je je kind zelfstandigheid wilt bijbrengen. De krant presenteerde de dutch dropping als een overgangsrite naar volwassenheid dat contrasteert met de gemiddelde Amerikaanse opvoeding die van elk gezin met kinderen een kleine surveillancestaat maakt, waarvoor het begrip helicopter parenting bestaat.  

Waren de reacties op niksen nog redelijk ingetogen, over de droppings gingen vooral Nederlandse lezers van het stuk op sociale media helemaal los. Het ene na het andere horrorverhaal werd uit de mouw geschud, over neefjes die twintig jaar geleden ‘in de wouden’ verdwenen en nooit meer waren gezien, of mensen die meldden dat ze na een dropping door eekhoorns zijn opgevoed. Op hun beurt meldden Amerikanen dat je kinderen afzetten bij school in tijden van school shootings heel wat gevaarlijker is dan een nacht in een Nederlands bos.

Was The New York Times van het padje af of hadden ze hier een punt over het belang van dit soort rituelen bij het opvoeden? Al was dit punt misschien vooral een extra voorbeeld in de discussie rond de nadelen van gangbare Amerikaanse opvoedpraktijken. Je kunt ook stellen dat Nederlanders zelf nogal een blinde hoek hebben als het gaat over nationale zelfreflectie (zie ook: Zwarte Piet). Voor een land dat worstelt met de eigen identiteit (met een tractor-emoji ben je er nog niet helemaal): zijn wij zelf wel in staat te zien wat er ‘typisch’ Nederlands is? En wat er al dan niet waardevol aan is? Of hebben we daarvoor de blik van een buitenstaander nodig? 

Wie erop begon te letten zag dit jaar overal Nederlandse begrippen opduiken in een, voornamelijk, Amerikaanse context. In een opmerkelijke aflevering van de podcast This American Life (aflevering 684, ‘Burn It Down’) ging het een klein uur lang over de jarenlange crisis bij de Amsterdamse brandweer. Met crisismanager Leen Schaap als transparante hoofdrolspeler zag de bekende Amerikaanse podcast een mogelijkheid om iets te zeggen over de beruchte zwijgcultuur, het racisme en seksisme in brandweerkazernes – ook in Amerikaans verband problematisch.

En passant probeerde journalist Joanna Kakissis een aantal Nederlandse zaken te duiden voor haar internationale luisterpubliek, wat tot een ongemakkelijke luisterervaring leidde. Daar was Zwarte Piet weer, en ‘kanker-Marokkanen’ (vertaald als cancer Moroccans) en poldermodel (met Amerikaans accent uit te spreken), dat werd gepresenteerd als een vorm van overleg waarbij uiteindelijk de grootste bek wint.

Er was ook goed nieuws. Een van de meest besproken Nederlandse architectonische onderwerpen in internationale architectuurbladen en op architectuursites was afgelopen jaar niet een monumentaal gebouw dat hoog boven ons landschap uitsteekt, maar de grootste ondergrondse fietsparkeergarage ter wereld in Utrecht, een ontwerp van Ector Hoogstad Architecten. Met 12.656 parkeerplaatsen, drie verdiepingen de grond in, overtrof het de eerdere kampioen in Tokio (35 miljoen inwoners) waar ruimte is voor 9.000 fietsen.

Was fietsen jarenlang synoniem met de veronderstelde kneuterigheid van ons land, waar de fietsende premier op een lijn stond met Hansje Brinker met zijn vinger in de lekkende dijk, is onze fietscultuur tegenwoordig een lichtend voorbeeld in de wereld. ‘Wat een ontzettend vooruitstrevend project!’, schreef een van de enthousiaste lezers onder het profiel van de parkeergarage op de prestigieuze architectuurwebsite Dezeen

Misschien kwam de internationale bewondering voor het Nederlandse fietsen dit jaar nog het best naar voren in een stuk van de Amerikaan Dan Kois in The New Yorker (13 september), een voorpublicatie van zijn inmiddels verschenen boek How to Be a Family – The Year I Dragged my Kids around the World to Find a New Way to Be Together. Titel van het artikel: ‘How I Learned to Cycle Like a Dutchman’ (Hoe ik leerde fietsen als een Nederlander).

Beeld Elzeline Kooy

Uit de comfortzone

In de drie maanden dat het gezin in Delft woonde, besloten Dan en zijn vrouw Alia zich met hun jonge kinderen aan te passen aan de Nederlandse gewoonten. Het hele punt van de reis was om met z’n allen uit de comfortzone te komen. Het hield in dat ze met het hele gezin gingen fietsen – zonder helm, vrijwel ondenkbaar in de Verenigde Staten. Net als de Nederlanders dus, die, zoals we allemaal weten, het liefst fietsen met ‘hun blonde koppies in de zachte noorderzon’.

Kois, die als fietser in de VS gewend was als verkeersdeelnemer zijn leven iedere keer weer in de waagschaal te leggen, schreef een ode aan de Nederlandse fietsinfrastructuur, aan een land waar ‘fietsers de baas zijn’. Maar als hij zich met zijn ongeoefende gezin in het chaotische verkeer van het centrum van Delft begeeft, komt hij tot de conclusie dat het niet het systeem van fietspaden en verkeersregels is, maar dat met overtuiging fietsen door een stad een gemoedstoestand is. Dat de verkeersgebruiker in de stad, ook en vooral de automobilisten, zijn individuele behoefte moet onderwerpen aan de behoefte van de gemeenschap. 

Kois introduceert aan zijn Amerikaanse lezers het buitenissige concept van de 30-kilometerzone en spreekt Wim Bot van de Fietsersbond die het gedrag van de duizenden fietsers in een Nederlands spitsuur vergelijkt met de patronen van spreeuwen in een zwerm. En wie wil daar nou niet bij horen?

‘Ik deed m’n best’, schrijft Kois. ‘Lang of blond kon ik niet meer worden, maar ik kon wel proberen te fietsen alsof ik het was.’ Op een van zijn laatste dagen in Nederland fietst Dan Kois met zijn kinderen naar de grootste verkeersrotonde die hij kent, bij het Delflandplein in Den Haag, ‘een meesterwerk van oersaaie stedelijke architectuur’. En terwijl ze een succesvol – om niet te zeggen triomfantelijk – rondje afleggen, voelt de familie zich heel even opgenomen in de Nederlandse samenleving. 

Laatste regel van het artikel: ‘We were fietsers.’

Bronvermelding

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *