Vrouwen aan de macht? Zo ziet de wereld er dan uit volgens Jan Terlouw

Hoe ziet de toekomst eruit? Daar kan fictie veel over vertellen. Zes Nederlandse auteurs spreken op ons verzoek met wetenschappers en schrijven naar aanleiding daarvan een kort verhaal. In aflevering 2 van Dit is de toekomst: Jan Terlouw, die sprak met Janka Stoker. 

De halfslaap van Elisabeth wordt verstoord door de wekkerradio. Een opgewekte stem begint het nieuws van de wereld kond te doen. Het dringt nog niet tot Elisabeth door, ze wordt zich er vooral vanuit haar halfslaap van bewust dat de eerste week in het Witte Huis nu achter haar ligt. Jawel, januari 2029 is het, en ze is de eerste vrouwelijke president van de Verenigde Staten, het wordt steeds meer realiteit voor haar. Incredible. Een heftige strijd is het geweest. Niet de presidentsverkiezing, die had ze in november gemakkelijk gewonnen. De Republikeinen waren nog steeds in de vernieling na het Trumptijdperk, nee, de strijd daarvoor met haar Democratische tegenkandidaat, Bruce Vandenburg. Dat was nippertjeswerk geweest. De vorige avond had ze een artikel gelezen waarin wetenschappers op het gebied van leiderschap betoogden dat ze uiteindelijk was gekozen omdat ze wel zeer vrouwelijke leiderschapseigenschappen had, zoals invoelend vermogen en compassie, maar nooit in publiek tranen had laten zien.

’t Is waar, ze heeft veel verdriet gehad, in de beslotenheid van thuis heeft ze tranen vergoten. Zo veel, dat ze zich publiekelijk inmiddels goed kan beheersen. Tweemaal een vroeggeboorte, een kind dat net levend ter wereld kwam, maar het niet haalde. Haar derde kind kwam ook veel te vroeg, maar zij had het net overleefd en was nu een prachtige, gezonde, door Elisabeth innig geliefde jonge vrouw. Daarna heeft haar man prostaatkanker gekregen en is na een ellendige tijd in het ziekenhuis gestorven. Het heeft haar gemotiveerd om zich op het Amerikaanse, peperdure, door marktkrachten gestuurde gezondheidssysteem te storten, wat zeker heeft geholpen in de verkiezingsstrijd. En haar tranen heeft ze publiekelijk leren beheersen.

Mannen mochten wel publiekelijk een traantje wegpinken, volgens het artikel. Nou ja, kon wel zijn allemaal, weet zij veel, ze heeft gewonnen, ze is de eerste vrouwelijke president van de Verenigde Staten.

Ze wordt ineens klaarwakker door de nieuwslezer. Die meldt dat in China een vrouw niet alleen president is geworden, maar dat combineert met de functie van secretaris-generaal van de CPC (Communistische partij van China). Daarmee is ze nu de machtigste persoon van de Chinese Volksrepubliek. Wie het is? Wei Wei Lin, iemand die Elisabeth goed kent. Ze hebben vijfentwintig jaar geleden samen in Oxford, Engeland, gestudeerd. Voor het eerst een vrouw aan de macht in China. Vorige week gebeurde mij dat hier, in de Verenigde Staten, denkt ze. In de Europese Unie is ook weer een vrouw gekozen als voorzitter van de Commissie. Dat gebeurde voor het eerst in 2019. Nu is het de Duitse Helga Weisenbach, christen-democraat, Elisabeth kent ook haar vrij goed.

Er schiet een voornemen door haar hoofd, een plan, waarvan ze meteen zeker weet dat ze het gaat uitvoeren, hoe lastig het ook zal zijn. Energiek stapt ze uit haar bed.

Vorige week

Hoe ziet de toekomst eruit? We vroegen het aan schrijver Hanna Bervoets, die beschrijft hoe de quantummechanica een wel héél belangrijke rol speelt in het leven van de jonge Billy. Lees hier haar korte verhaal.

Als ze haar ontbijt van fruit en Franse kwark zit te eten, schuift als gewoonlijk haar chef-staf aan.

‘Je hebt het natuurlijk gehoord, van Wei Wei Lin in China?’ vraagt Elisabeth. ‘Ik wil haar graag vandaag even aan de telefoon hebben om haar te feliciteren. Maar eerst graag Helga Weisenbach. Wil je dat even regelen?’

‘Die ken je ook persoonlijk, is het niet?’ Het is de inleiding voor een rijtje vragen dat als doel heeft te weten te komen wat de president met haar Duitse collega wil bespreken, weet Elisabeth. Maar dat gaat Peggy, de chef-staf, niet lukken.

‘Ik wil haar de geboortedatum vragen van Adenauer’, zegt Elisabeth en dan weet Peggy wel hoe laat het is. ‘Komt voor mekaar’, zegt ze.

De oorsprong van het plan dat in het hoofd van Elisabeth is opgesprongen toen ze het nieuws hoorde, ligt er juist in dat ze de nieuwe machthebster van China persoonlijk vrij goed kent. In Oxford hebben ze nogal wat tijd samen doorgebracht. Ze waren beiden toen al zeer in politiek geïnteresseerd. Natuurlijk, echt doorgronden kon ze de bijzonder intelligente Chinese vrouw niet, en ze weet ook niet precies hoe Wei Wei Lin tot het centrum van de macht in China heeft kunnen doordringen. Maar toch, het helpt in de politiek enorm als je elkaar persoonlijk kent.

Er verandert zo veel en zo snel, denkt Elisabeth. Iedere tijd heeft zijn eigen problemen gekend. Hongersnoden. Epidemieën. Wereldoorlogen. Langzaam, te langzaam, dringt door dat ook deze tijd zijn volstrekt nieuwe en unieke probleem heeft. Het probleem van de exponentiële groei van de technologie, waardoor de natuur in een razend en onbeheersbaar tempo wordt aangetast. Honderd jaar geleden tobde men met een vervuild meertje, nu zijn de oceanen dramatisch vervuild. Door het op steeds grotere schaal verbranden van kolen, olie en gas is het klimaatprobleem ontstaan, de temperatuur van de atmosfeer en van de oceanen stijgt verontrustend. Daar hebben alle landen van de wereld al in 2015 afspraken over gemaakt, in Parijs. Volgend jaar, in 2030, zou de productie van CO2 wereldwijd al tot de helft, of minstens met 40 procent moeten zijn teruggebracht, maar dat is lang niet bereikt. En in 2025 is op een soortgelijke wereldwijde conferentie besloten dat de verontrustende teruggang van de biodiversiteit, de verscheidenheid van planten en dieren, moet stoppen. Maar hoe? Dat is nog zeer onduidelijk. Wel dringt door dat de mensheid grote schade gaat ondervinden van wat aan de gang is.

Schaalvergroting op zo veel gebieden, denkt Elisabeth. Neem de digitale ontwikkelingen. En de wereldhandel. Allemaal op wereldschaal. Alleen de politiek blijft nationaal, die houdt het niet bij. En verliest dus macht en invloed.

Wie had kunnen voorspellen dat er in China nu een vrouw aan de macht is? ‘Bel mevrouw Weisenbach, Peggy’, zegt ze. ‘Bel mevrouw Weisenbach.’

‘Laten we de wereld overdonderen met besluitvaardigheid’, zegt ze door de telefoon tegen haar twee machtige collega’s. Laten we zo snel en zo vastbesloten dingen afspreken dat de media het niet bij kunnen houden. Dat er geen tijd is voor kritische commentaren, omdat alweer iets anders de aandacht vraagt. Zo dat de oppositie naar adem snakt en met een meteen verouderd commentaar zit.

De Chinese collega heeft er niet zo’n moeite mee. ‘We hebben in ons land wel een tik meegekregen van jullie schijndemocratie’, zegt ze, ‘maar toch zal er echt wel gebeuren wat ik zeg. Dus laat maar horen, je plannen.’

Helga Weisenbach moet vooral hard lachten door de telefoon. ‘Je overschat mijn macht enorm’, zegt ze. ‘In de EU beslist nog altijd een Raad van Ministers, ik kan alleen een voorzetje geven. Maar laat horen wat je concreet in je hoofd hebt.’

‘Voorlopig dit’, zegt Elisabeth. ‘Over twee weken brengen we gedrieën een weekend door op een prettige zonnige plek. Zonder medewerkers. En met geen andere mededeling naar de pers dan dat we zin hebben in een weekendje vakantie als oude vriendinnen. Mijn medewerkers regelen wel een beveiligd hotel en verder krijgen ze niets te horen. Jullie ook niet, trouwens. Tot we daar zijn, lekker hebben gegeten en in de zon zitten.’

De collega’s uit China en de EU stemmen in. Want vrouwen zijn (en Elisabeth weet niet meer of het in het artikel stond) besluitvaardig.

+++

Uiteindelijk hebben ze alle drie toch twee medewerkers meegebracht, anders was het niet te doen, maar die zitten in een andere vleugel van het hotel en zullen zich schaars houden. Er is de media wel verteld dat de ontmoeting plaats zal hebben, maar ze zijn er in geslaagd buiten de pers te houden waar de samenkomst is. Een huzarenstukje. Het is Hawaï geworden, zo voor de hand liggend dat geen journalist er op is gekomen.

Ze omhelzen elkaar, eten samen, drinken enkele glazen wijn en besluiten pas de volgende ochtend over politieke aangelegenheden te praten. Elisabeth en Helga worden een beetje giechelig, alsof ze weer twintig zijn, waar Wei Wei niet aan mee doet, maar ze heeft genoeg Britse gein meegekregen om het te kunnen waarderen. De grappen zijn niet van de lucht. Elisabeth vertelt dat haar tegenkandidaat/partijgenoot waarachtig een keer ’s avonds laat in een redelijk beschonken toestand na een debat op haar hotelkamerdeur klopte, wat hij de volgende ochtend ontkende, en Helga vertelt dat haar man boze brieven schrijft aan mannen die naar zijn mening te vrijpostig worden. Wei Wei Lin glimlacht en kijkt mysterieus.

De volgende morgen wordt het menens.

‘Het gaat om het volgende’, zegt Elisabeth. ‘De klimaatverandering gaat steeds sneller dan de gemiddelde verwachting. De twijfel of hij wordt veroorzaakt door het verbranden van kolen, olie en gas is nu wel tot nul gedaald. De oplossingen zijn nog steeds gerommel in de marge. Wat meer elektrische auto’s, waarbij de elektriciteit op een bedenkelijke manier wordt opgewekt, wat beter geïsoleerde woningen, maar het schiet niet op. Waarom niet? Omdat de macht en de belangen van de olieproducenten te groot zijn. Bij jullie ligt dat wat anders, Wei Wei, maar onze democratieën zijn volstrekt door megabedrijven beheerste dictaturen geworden, waar de politiek de echte beslissingen nog maar sporadisch neemt. Het grootkapitaal is oppermachtig.

‘Zeker, er worden steeds pogingen gedaan dat te veranderen. Theoretisch kan dat ook natuurlijk. Maar tal van factoren maken het moeilijk. Trage besluitvorming. Er zijn altijd morgen verkiezingen, lijkt het. Enorme meningsverschillen. Hardnekkige structuren.

‘Ik denk dat wij drieën dat kunnen doorbreken. Door eens even lekker de baas te spelen, zoals mannen dat zo graag doen. Maar wel even een beetje anders. Want wij hechten net iets minder aan behoud en uitbreiding van macht dan mannen. Ik weet het: sommige vrouwen met macht gaan op den duur sprekend op mannen lijken. Vanaf mijn beëdiging zeg ik daarom iedere avond voor de spiegel tegen mezelf: Ik ga de komende vier jaar niets doen, maar dan ook helemaal niets, wat ertoe dient om straks herkozen te worden. Ik hoop dat vol te houden.’

‘Dus dan word je herkozen’, zegt Helga.

‘Kan best. Kijk, ladies, die steenrijke oliebaronnen weten donders goed dat de politiek uiteindelijk machtiger is dan zij, als de politiek dat wil. En ze weten ook heel goed dat we over moeten gaan op duurzame energie, die er is in overvloed. Maar hoe moeten ze dat doen, als de concurrent het niet doet? Als er geen gelijk speelveld is voor duurzame en fossiele energie?’

‘En dus?’ vraagt Helga.

‘Ik heb eerst een vraag aan Wei Wei’, zegt Elisabeth. ‘Als wij in de westerse democratieën het gebruik van fossiele energie de komende tien jaar tot bijna nul reduceren, doet China dan mee?’

‘Ik moet dat met mijn deskundigen overleggen’, zegt Wei Wei. ‘Maar er liggen vergaande plannen. We komen om in de vervuilde lucht. We moeten af van de kolen, dat weten we al jaren. Maar ik kan absoluut niet beloven dat we overgaan naar wat jullie duurzaam noemen. Zeker, we gebruiken nu al veel meer zonne-energie dan jullie. Maar wij denken dat de toekomst toch vooral ligt in kernenergie. We zijn heel ver met thorium. Dat ga ik niet stopzetten.’

‘Maar met de CO2-reductie zouden jullie mee doen?’

Wei Wei knikt. ‘We presteren nu al beter dan jullie.’

‘Ik schenk jullie nog een kop koffie in, en dan hoor ik graag je plan, Elisabeth’, zegt Helga zakelijk, en ze voegt de daad bij het woord.

Beeld Olivier Heiligers

Nog net voor ze zondagavond thuis zijn, hebben de media ontdekt dat het Hawaï was, maar veel meer komen ze niet te weten. Want de enige mededeling die door de perschef van Elisabeth wordt gedaan, is dat de dames een ontspannen, gezellig weekend hebben gehad. Iets soortgelijks is de mededeling in Europa. Wel lekt uit dat er veertien dagen later weer een bijeenkomst zal zijn, opnieuw op Hawaï, maar nu met een tiental experts op het gebied van energievoorziening, waarbij wederom mevrouw Lin en twee Chinese geleerden. Ook laten de president en de Commissievoorzitter nog weten dat ze de eerste reis op eigen kosten hebben gemaakt, maar de tweede bijeenkomst komt op de rekening van het Rijk.

Als het weekend is aangebroken wemelt het op het eiland van de journalisten, maar ze worden door de autoriteiten op flinke afstand gehouden van het hotel waar de bijeenkomst plaatsvindt.

Elisabeth dankt de deskundigen dat ze zich op zo korte termijn vrij hebben weten te maken. ‘We willen graag putten uit uw kennis’, zegt ze. ‘Bijvoorbeeld of er genoeg duurzame energie beschikbaar is om in de behoefte aan energie van de mensheid te voorzien. Stel dat we in tien of vijftien jaar wereldwijd over willen gaan van fossiele energie op duurzame energie, kan dat dan? Zijn er genoeg grondstoffen beschikbaar om de benodigde apparatuur te bouwen in dat tempo? Kortom, we willen ook deskundig worden, in één weekend. En we zouden graag willen dat u bij thuiskomst geen mededelingen doet aan de media.’

Een levendige discussie gaat van start. De politici komen vooral te weten dat er weliswaar duurzame energie is in overvloed, maar dat die veel minder geconcentreerd is dan de energie in de energiedragers kolen, olie en gas. Er is veel meer oppervlakte nodig om die energie te winnen. Maar die oppervlakte is er wel, vooral in tal van zonrijke woestijnen. De benodigde materialen, dat is een lastiger probleem, maar als het moet, kan er veel. Denk maar aan de Tweede Wereldoorlog. Na Pearl Harbor ging Amerika over op een oorlogsindustrie, die ook erg veel grondstoffen vereiste, maar het was in een paar jaar gepiept. Nee, het grootste probleem zien de geleerden in de noodzakelijke investeringen. Die zullen de begrotingen van de verschillende landen waarschijnlijk te boven gaan.

‘Maakt u zich daar maar geen zorgen over’, zegt Helga, de Europeaan. ‘Dat is onze zorg.’

Van de geheimhouding komt natuurlijk weinig terecht. De journalisten kennen listen genoeg om de deskundigen na thuiskomst mededelingen te ontfutselen en de dagen na het weekend verschijnen tal van beschouwingen, speculaties en commentaren op wat de drie politieke dames aan het doen zijn. Er verschijnen interviews met directies van grote bedrijven en met werkgeversorganisaties. Wat die vrouwen zich wel verbeelden, daar komt het op neer.

Dan wordt er een kort bericht in The Boston Globe gepubliceerd. Daarin wordt meegedeeld dat Sheila, de mooie dochter van de president, op een late avond in een hotel in Boston is gesignaleerd met Bruce Vandenburg, getrouwd en tegenkandidaat van de president bij de verkiezingen binnen de democratische partij. Van Bruce was al bekend dat hij een charmeur was, verdacht bij de ouwe MeToo-beweging. Het is een kort bericht, zonder speculaties, The Boston Globe is een fatsoenlijke krant. Maar andere media stortten zich erop, al gauw menen kranten te weten dat Sheila ook de volgende ochtend in de buurt van het hotel is gesignaleerd, de berichten over de ontmoeting van de deskundigen met de politieke kopstukken worden grotendeels verdrongen.

Volgende week: Maxim Februari

Februari is columnist bij NRC en won in 2008 de Frans Kellendonk-prijs voor zijn gehele oeuvre. Hij sprak met hoogleraar en Spinozapremie-winnaar John van der Oost (Wageningen Universiteit) over genetisch knippen en plakken.

Twee dagen later bezoekt Sheila haar moeder in het Witte Huis. Ze omhelzen elkaar en dan zegt Elisabeth:

‘Kind toch.’

‘Cadeautje’, zegt Sheila grinnikend.

‘Cadeautje?’

‘Ja, ik dacht, ik zal de aandacht even afleiden. En jij weet beter dan wie ook hoe makkelijk Bruce te verleiden is.’

‘Maar heb je echt…’

‘Bruce heeft op vragen van de pers geantwoord dat hij jou niet kon bereiken en dat hij via mij aan je wilde laten weten dat hij achter je staat, wat je ook doet.

‘Ik heb dat in een kort persbericht bevestigd. Ik weet niet wat je precies van plan bent, al heb ik wel een vermoeden, maar als Bruce het je politiek moeilijk gaat maken, dan…’

Elisabeth kijkt haar dochter hoofdschuddend maar liefdevol aan. ‘Sheila, heb je echt…’’

Mum, ik ben een volwassen en vrije vrouw. Zal ik je eens wat zeggen? Al ben je dan de president, het gaat je geen donder aan.’

Ze omhelzen elkaar opnieuw.

+++

De nieuwe Europese commissievoorzitter heeft het moeilijker met de publiciteit dan haar Amerikaanse gesprekspartner. Er zal onrust zijn in de lidstaten, dat is niet moeilijk te voorspellen. Ze geeft na thuiskomst onmiddellijk opdracht om telefoongesprekken met alle regeringsleiders te organiseren en ze besluit om meteen een bezoek te brengen aan de Franse president. De Fransen zijn erg gauw op hun tenen getrapt als ze denken dat Duitsland de baas gaat spelen. En al is ze dan in functie namens alle lidstaten, ze is en blijft een Duitse, dat poets je niet weg.

De regeringsleiders zijn inderdaad blij dat ze belt, zodat ze in hun eigen kring kunnen zeggen dat er overleg is. Maar veel laat ze niet los. De belangrijkste mededeling is dat ze over twee weken volledig opening van zaken zal geven.

Daarna maakt ze zich op om naar Parijs te gaan. ‘Ga mee’, zegt ze tegen haar man. ‘Dan plakken we er een weekendje achteraan. Parijs is een mooie stad. Nu kan ik er nog redelijk anoniem door de straten lopen. Dat kon over een paar weken weleens anders zijn.’

HOE FICTIE DE WETENSCHAP BEÏNVLOEDT, IN VIER LESSEN

De kruisbestuiving tussen feit en fictie kan tot intrigerende toekomstverkenningen kan leiden. Hoe? We leggen het uit in vier lessen.

De derde bijeenkomst is weer twee weken later.

Nu is ze op IJsland. ‘De dames willen eindelijk het hoofd koel houden’, zeggen cabaretiers. De speculaties zijn niet van de lucht. Uitgenodigd zijn acht grote energieproducenten, zeg maar oliebaronnen, dat wordt officieel meegedeeld. Ze hebben zich alle acht meteen vrij gemaakt, dat doe je als zulke belangrijke politici je uitnodigen. De media zijn ook weer in groten getale aanwezig, maar weer worden ze verre gehouden van het hotel met vergaderruimte waar het gaat gebeuren.

Alle gasten arriveren vrijdagavond, zaterdagmorgen is de eerste vergadering. Ze zitten in een kring, in gemakkelijke stoelen, politici en industriëlen door elkaar, drinken eerst koffie en keuvelen over de zwavelsmaak die je in al het kraanwater van IJsland proeft.

Dan neemt Elisabeth het woord. Ze dankt de president-directeuren voor hun komst. Ze deelt mee dat ze de president van de Verenigde Staten is, wat een lachsalvo ontlokt, en stelt Helga Weisenbach, de commissievoorzitter voor, en Wei Wei Lin, hoogste autoriteit in China. Ze herinnert de gasten eraan dat in 2015, in Parijs, unaniem is besloten dat in 2030, dus volgend jaar, de CO2-uitstoot ongeveer zou zijn gehalveerd, of minstens 40 procent moet zijn gedaald, wat niet wordt gehaald, en dat in 2050 die uitstoot vrijwel nul moet zijn.

‘Wij drieën hebben besloten dat we dat nu concreet gaan uitvoeren’, zegt ze, ‘met uw hulp. U zegt daarvoor toe dat volgend jaar uw nog steeds grote investeringen in olievelden, voor 10 procent in duurzame energie zullen zijn. Het jaar daarop 20 procent. Dan 30. Enzovoorts. Over tien jaar investeert u geen cent meer in olieschepen, booreilanden, raffinaderijen en wat dies meer zij. Alleen nog in duurzaam. Uw aandeelhouders zullen het minder leuk vinden, maar ach, dan zit het de rijksten der aarde maar eens even een beetje tegen. Trouwens, uw investeringen in duurzaam zullen al gauw rendement gaan opleveren.’

‘Onmogelijk in dit tempo’, zegt een oliebaron.

‘We hebben nog iets besloten. Wie niet meedoet, diens olie of gas mag vanaf 1 januari in geen van onze landen nog verkocht worden.’

‘Sorry, mevrouw de president. U overschat uw macht. Dat krijgt u er nooit door in uw landen.’

‘O nee? Let maar eens op. U zult versteld staan. In al onze landen willen mensen nog altijd geregeerd worden door de politiek, die van henzelf is, en niet door het grootkapitaal.’

‘In mijn land zijn we al heel wat verder op het gebied van duurzame energie dan in de rest van de wereld’, zegt mevrouw Lin. ‘Maar ik ben hier toch om u te garanderen dat als dit besluit wordt bekrachtigd, in China minstens in hetzelfde tempo het gebruik van fossiele brandstoffen zal afnemen.’

Een andere industrieel neemt het woord. ‘Dames, collega’s’, zegt hij, ‘ik denk dat het kan. Energie uit zon en uit wind (indirect ook uit zon) is al enkele jaren op veel plaatsen goedkoper dan fossiele energie. Het besef is ook doorgedrongen dat biobrandstof grotendeels onzin is. We weten dat olie- en gasvoorraden snel aan het opraken zijn, dat schaliegas nu vooral verliezen oplevert.’

Er valt even stilte na deze ondersteunende opmerking.

‘Er zijn tal van andere landen die fossiele energiedragers produceren, maar die niet bij uw grondgebied horen’, is een nieuwe tegenwerping.

‘Landen als Saoedi-Arabië en anderen zullen volgen’, meent Elisabeth, ‘in de wetenschap dat hun olie en gas anders bij ons niet meer verkocht mogen worden. Een probleem is Rusland, want dat land heeft grote kosten gemaakt voor pijpleidingen voor gastransport. Toch zullen ook zij in hetzelfde tempo over moeten gaan op investeringen in duurzame energie, want anders gaat de gaskraan in onze landen onherroepelijk dicht. De pijpleidingen kunnen ook goed dienen voor het transport van duurzaam opgewekte waterstof. En ook Rusland ondervindt last van het klimaatprobleem.’

‘Over tien jaar zou er nog altijd olie en gas worden geproduceerd uit de nog bestaande investeringen’, is een volgende opmerking.

‘Zeker’, zegt Helga. ‘Maar de bestaande installaties worden over tien jaar niet meer onderhouden en zullen dus verouderen. Na nog eens tien jaar, dus in 2049, zijn ze wel ongeveer onbruikbaar geworden en dan halen we dus keurig in 2050 de doelstellingen van Parijs. En dat wilt u, als goede staatsburgers, natuurlijk net zo graag als wij.’

De gedachtenwisseling gaat nog enkele uren door. Ten slotte stelt de president van de VS voor dat de directeuren verder samen overleggen en zondagochtend zullen vertellen dat ze meewerken.

‘Mijn collega’s en ik zullen dan aan de media meedelen dat we met enorme waardering hebben mogen vaststellen dat u uw verantwoordelijkheid voor de toekomst van onze kinderen ten volle beseft en van harte meewerkt aan het voorstel dat we vanmiddag hebben besproken’, besluit ze.

En zo gebeurt het. De volgende morgen zeggen de oliebaronnen hun medewerking toe.

+++

Dezelfde zondagmiddag, nog op IJsland, geven de drie politici een persconferentie. Ze benadrukken de enorm coöperatieve houding van de olieproducenten. De vragen van de journalisten gaan vooral over de politieke weerstand die de dames in hun thuislanden zullen ondervinden.

‘Dat hangt ook erg van u af’, zegt Helga Weisenbach. ‘Van uw redactionele commentaren. Van de stemming die u oproept. Ik vind dat we een resultaat hebben bereikt dat hoop geeft voor de toekomst, voor de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen. Voor een aarde die zich zal herstellen van de enorme schade die we als mensheid hebben aangericht.’

Ze vliegen alle drie naar huis.

En kijk, de berichtgeving en de commentaren zijn overwegend positief. Wetenschappers schrijven lovende artikelen. Hoofdredacteuren schrijven politieke beschouwingen, die zelfs in conservatieve kranten waarderend zijn over de besluitvaardigheid van de politiek. De politiek is daar gevoelig voor, waardoor keurig democratische besluitvorming zal volgen.

+++

Als de rust is weergekeerd, zegt Elisabeth tegen haar dochter:

‘De komende maanden zullen er studies verschijnen over de vraag of het wat heeft uitgemaakt dat het vrouwen zijn die de besluiten hebben genomen. Moeilijke wetenschap hoor. Alle wetenschappen die over mensen gaan zijn lastig. Want mensen kunnen zo maar ’s nachts van mening veranderen. Natuurwetten niet. Die zijn de volgende dag gegarandeerd nog hetzelfde. Daarom is een artikel over natuurkunde uiteindelijk makkelijker dan een artikel over het gedrag van mensen, denk ik.’

‘Heeft het volgens jou iets uitgemaakt dat jullie alle drie vrouwen zijn?’, vraagt Sheila.

‘Mogelijk. Maar niet omdat we zachtzinniger, medelevender, zorgzamer zijn, of wat zijn al die vrouwelijke eigenschappen. Nee, het waren keiharde besluiten, niet anders dan mannen die zouden hebben genomen. We zijn besluitvaardig, dat is het vooral. Denk ik. Volgend jaar gaan we iets soortgelijks besluiten over biodiversiteit.’

‘Gaat je ook lukken’, zegt Sheila. ‘Je bent geweldig, mevrouw de president.’

Schrijver Jan Terlouw en wetenschapper Janka Stoker komen samen om het te hebben over (vrouwelijk) leiderschap. Beeld Katja Poelwijk

De feiten achter de fictie

Voordat hij zijn verhaal ‘Mevrouw de president’ schreef, sprak auteur Jan Terlouw op uitnodiging van de Volkskrant uitgebreid met hoogleraar leiderschap Janka Stoker (Rijksuniversiteit Groningen) over de veronderstelde unieke eigenschappen van vrouwelijk leiderschap. De belangrijkste inzichten uit dat gesprek gaven het verhaal van Terlouw mede vorm.

Door George van Hal

Geen tranen

“De vorige avond had ze een artikel gelezen waarin wetenschappers op het gebied van leiderschap betoogden dat ze uiteindelijk was gekozen omdat ze wel zeer vrouwelijke leiderschapseigenschappen had, zoals invoelend vermogen en compassie, maar nooit in publiek tranen had laten zien.” (Mevrouw de President, alinea 1)

Zodra je emotioneel wordt, verlies je als vrouw altijd, zegt Janka Stoker tijdens haar ontmoeting met Jan Terlouw. ‘Emoties zijn dodelijk voor vrouwelijke leiders. Het stereotype is dat vrouwen emotioneel instabiel zijn. Als we een emotionele vrouw zien, denken we: o jee. Als die straks beslissingen moet nemen, gaat het mis. Terwijl we van mannen denken dat ze per definitie besluitvaardig zijn. Dan is het juist fijn als ze wat emoties tonen. Dat maakt ze menselijker.’

Besluitvaardigheid

“De collega’s uit China en de EU stemmen in. Want vrouwen zijn (en Elisabeth weet niet meer of het in het artikel stond) besluitvaardig.” (Mevrouw de President, alinea 14)

Volgens Stoker spelen twee dingen een rol bij kwesties rond vrouwelijk leiderschap: de stereotiepe eigenschappen waarvan mensen dénken dat vrouwelijke leiders ze hebben – zorgzaam, denken aan de lange termijn, zachtaardig, invoelend – en de kwaliteiten die ze echt bezitten.

‘Uit onderzoek komt weinig bewijs dat vrouwen echt anders leidinggeven dan mannen. Je hebt mannen die heel zorgzaam leidinggeven en vrouwen die enorm besluitvaardig zijn. Je moet daarom gewoon goede leiders – mannen of vrouwen – selecteren die over de juiste eigenschappen beslissen.’

Uitbreiding van de macht

‘Ik denk dat wij drieën dat kunnen doorbreken. Door eens even lekker de baas te spelen, zoals mannen dat zo graag doen. Maar wel even een beetje anders. Want wij hechten net iets minder aan behoud en uitbreiding van macht dan mannen.’ (Mevrouw de President, alinea 24)

‘Jezelf niet op de voorgrond stellen. Minder competitief, bescheiden zijn. Sensitief. Dat zijn zaken die we aan vrouwen toeschrijven, maar die vrouwelijke leiders niet per definitie meer hebben’, zegt Stoker.

Wanneer een groot probleem zoals klimaatverandering steeds nijpender wordt, kunnen we juist op zoek gaan naar leiders met die stereotiepe vrouwelijke kwaliteiten. Een mogelijke reden dat drie van de meest voorname wereldleiders in het verhaal van Terlouw vrouwen zijn.

Niets anders dan mannen

‘Heeft het volgens jou iets uitgemaakt dat jullie alle drie vrouwen zijn?’, vraagt Sheila.

‘Mogelijk. Maar niet omdat we zachtzinniger, medelevender, zorgzamer zijn, of wat zijn al die vrouwelijke eigenschappen. Nee, het waren keiharde besluiten, niet anders dan mannen die zouden hebben genomen.’ (Mevrouw de President, Alinea 78 en 79)

Hoewel het dus denkbaar is vrouwen dankzij hun veronderstelde vrouwelijke eigenschappen aan de macht komen, is het maar goed dat de werkelijkheid complexer is, stelt Stoker. ‘Want je hebt óók ‘mannelijke’ eigenschappen nodig. Je moet beslissingen kunnen nemen. Dominant zijn. Risico nemen’, zegt Stoker. Anders verzand je in eindeloos overleg en tandeloze compromissen. Zonder stereotiep mannelijke eigenschappen, hadden de vrouwelijke leiders uit het verhaal van Terlouw nooit de leiders van de olie-industrie kunnen dwingen hun beleid te volgen. ‘Uiteindelijk heb je een leider nodig die over beide soorten eigenschappen bezit.’

Bronvermelding

Waar oranje is, is een beetje magie

Kleuren hebben al eeuwen een betekenis die soms bewust, maar meestal onbewust, een rol speelt bij het beoordelen van beelden uit kunst en actualiteit. Zoals Oranje, de kleur van, laten we eerlijk zijn, pure mystiek. 

Had ons koningshuis Van Blaeu-Nassau geheten, of De Roos-Nassau, dan hadden we afgelopen weken bij het WK voetbal massaal van links naar rechts gehost met blauwe of rode pakjes – tóch niet hetzelfde als oranje. En dat terwijl hun naam eeuwenlang niks met de kleur oranje te maken had, want die bestond nog niet. Willem van Oranje, die de toen al vijf eeuwen oude naam kreeg van zijn neef, associeerde het eerst niet met de kleur, de naam kwam van het prinsdom Orange in Frankrijk. De zoete sinaasappel was nog niet eens gearriveerd in Europa. Die kwam midden in de 17de eeuw met de Portugezen mee uit China. Vanuit het Sanskriet kreeg de vrucht de naam; naranja. Laranja in Portugees, arancia in Italië, orange in Frankrijk, en daarmee was er een nieuwe naam voor de bestaande kleur. Wij hielden het bij sinaasappel (China’s appel) maar zijn opvolgers grepen de semantische overeenkomst aan om de vrucht tot symbool van het huis Oranje te maken; zie het schilderij Vivat Oraenge uit 1667-1672, gemaakt om de benoeming van Willem III tot stadhouder te vieren: 

Jan Davidsz de Heem, Vivat Oraenge, 1667-1672, Paleis Het Loo. Beeld Paleis Het Loo

Om de sinaasappel hangt een krans van laurier, het overwinningssymbool. En het werd ónze kleur; in geen land ter wereld vallen kleur en energie zo goed en massaal samen als wanneer de Hollanders iets te vieren hebben.

Oranje laat alles vlammen. De kleur heeft ook in de kunst de onverklaarbare eigenschap te suggereren dat er meer is. Het straalt over de andere kleuren heen, dringt zich naar voren en lijkt vanuit een diepere bron te komen. Als kleuren bewogen, was oranje de wiebelkont. Het vibreert en danst, dus als zo’n menigte met oranje opblaashoeden op het Museumplein staat, dan is het toch een beetje of het de kleur is die de lijpheid in ons losmaakt. Waar oranje is, is een beetje magie.

Dat zie je in bijna elke cultuur. Alsof het deuren openzet. Voor de Maya’s was het een spirituele kleur; op de vaas hier is een bizar ritueel van bedwelming verbeeld, geheel in oranje: 

Kan met rituele scènes, Maya cultuur, Guatemala, 8ste-9de eeuw, Metropolitan Museum New York. Beeld Gift of Mr. and Mrs. Charles Diker, 1993 / Metropolitan Museum New York

Een man krijgt met een soort blaas een vloeistof in zijn achterste geperst, een verdovend klysma, waarschijnlijk bestaande uit alcohol en tabak. Op de bovenste rij is een vrouw het aan het bereiden, op de onderste brengt ze het in. Ze gebaren alsof hij iets van haar leert. Een uitbundig ritueel om dichter bij een hogere wereld van voorouders te komen, waar wij moeilijk bij kunnen met ons verstand. Misschien is oranje de drager omdat het aan vuur doet denken – ook de indrukwekkende doeken waarmee kunstenaar Christo in 2005 Central Park in New York tooide, leken op een gang vol wapperende vlammen, voor wie er onderdoor liep als het zonlicht erdoor scheen:

Christo, The Gates, 2005, Central Park in New York. Beeld Shawn Ehlers / Wire

 26 jaar had Christo er aan gewerkt. Het effect was, volgens velen die zich in de installatie begaven, pure mystiek. Alsof een heilig vuur je even bij de eeuwige zielen van alle mensen bracht. Het zal geen toeval zijn dat Munch de golvende lucht boven in zijn wereldberoemde werk De Schreeuw ook de mystieke kleur heeft gegeven, als een zinderende strijd tussen leven en dood. Oranje boven.

Edvard Munch, De Schreeuw, 1893, National Gallery Oslo. Beeld Collectie Nationaal museum voor Schone Kunsten Oslo

Waar komt oranje vandaan?

In tegenstelling tot rood, blauw en geel is oranje een afgeleide kleur; het ontstaat door een mengsel van geel en rood. Toch zijn er pure oranje pigmenten. Al in de oudheid kenden kunstenaars orpiment (letterlijk: goudspigment), ook wel arseen-sulfide of zwavelarsenicum genoemd, een vulkanisch mineraal dat bij verhitting een fel oranje kleur kreeg. Egyptenaren gebruikten oranje veel voor de huid van figuren (met name de goden) en in de achtergrond. Ze wonnen de kleur uit realgaar, ook een giftige arseen-sulfide, die ook in de renaissance veel werd gebruikt. Oranje kan verder uit gele oker worden gemaakt en de meest felle, dekkende versie is cadmiumoranje. Die werd uitgevonden in 1817 en gebruikt door Van Gogh en Munch. Maar je kunt je kwasten beter niet uitwassen in de gootsteen; cadmium is een zwaar metaal en zeer vervuilend. In 2015 probeerde de Europese Unie het pigment te verbieden. Dat lukte niet – kunstenaars en experts toonden aan dat de vervuiling van cadmium pigmenten verwaarloosbaar was, de echte vervuiling komt uit de productie van nikkel-cadmium in batterijen. De EU trok daarop de ban in.

Volg Wieteke op Instagram: @artpophistory

Bronvermelding

Als Campert slaapt, hangt zijn wandelstok trouw aan de rand van zijn bed. Een mooi beeld

Dasja

Ineens kwamen er hulpstukken in huis. Door een onfortuinlijke val bij een voetbalwedstrijd had ik mijn rechtervoet gebroken en diende mij met krukken en wandelstok te verplaatsen. Plus mij een nieuwe choreografie eigen te maken. De simpelste route naar het toilet ging al gepaard met gekletter op het parket, en ook de volgorde van mijn bewegingen, eerder nooit een overweging waard, moest ik opnieuw aanleren.

En zoals dat gaat: overal om je heen zie je ineens lotgenoten. Ook in boeken. Bij de Vlaamse uitgeverij Voetnoot verscheen een vertaling (door Edgar de Bruin) van het aanminnige Dasja, oftewel het leven van een pup (1933), ‘voor kinderen geschreven, getekend, gefotografeerd en ondergaan door’ Karel Capek, die zelf kinderloos was en zijn eigen ruwharige foxterriër als model had gebruikt. Dasja is nog altijd de beroemdste hond uit de Tsjechische kinderliteratuur. Om te beginnen beschrijft Capek hoe ze probeerde te lopen: ‘Eerst schoof ze haar rechterpootje naar voren, en nu? ‘Schuif nu je linkerachterpoot naar voren’, zegde de natuur voor. Joepie, gelukt. ‘En nu de andere achterpoot’, adviseerde de natuur, ‘je achterpoot, zeg ik, je achterpoot, niet je voorpoot! Dasja, wat ben je toch een oliebol, je bent een pootje vergeten.’

Dat kwam me niet onbekend voor. En toen ik in de nieuwe verzameling columns Dagelijksheden van Remco Campert het stukje ‘Stok’ tegenkwam, stond de mijne naast me tegen de bank, als het ware meeluisterend. Campert erfde zijn wandelstok van zijn moeder, ‘de actrice Joekie Broedelet, en die erfde hem weer van de acteur Cruys Voorbergh. Die trad met de stok op tot in Londen, waar hij in victoriaanse horrorstukken de rol van een oude dame speelde. Bij het vooroverbuigen naar de gaskachel vloog haar haar in brand. Doek.’

Als de tijd daar is, schrijft Campert, ‘zal ik de stok doorgeven aan mijn vriend de acteur Ramsey Nasr’. Maar nu heeft hij hem nog. En als Campert slaapt, hangt zijn wandelstok trouw aan de rand van zijn bed. Een mooi beeld, en overigens: een goede suggestie.

Omdat uitgeverij De Bezige Bij 75 jaar bestaat, zal fotograaf Erwin Olaf op 12 december een groepsfoto maken van het volledige auteursbestand, voor zover in den lande en mobiel. Het laat zich raden wie op die prent een prominente plaats is toegedacht, mét wandelstok. Volgende week zondag wordt Remco Campert 90 jaar. Ik zwaai hem nu reeds met mijn eigen stokske toe.

Gijs Groenteman gaat in onze illustere archiefkast in gesprek met mensen die hem hebben verwonderd. Rapper Pepijn Lanen, schrijver Paulien Cornelisse en kunsthandelaar Jan Six passeerden al de revue.

Bronvermelding

Zijn er ook boeken over schepen die niet slecht aflopen?

A supposedly fun thing I’ll never do again, van David Foster Wallace.

We gaan op reis en we nemen de boot, pardon het schip. Ook weleens het verlangen gehad als een ketelbinkie zomaar de haven in te lopen en aan te monsteren op de grote vaart? Of je dronken te laten voeren in een duister klein kroegje en de volgende ochtend, met de smaak van een dode muis in je mond, wakker te worden omdat de bootsman een puts water in je smoel gooit en je aan het dekzwabberen zet, of aan het boeten of breeuwen? Alleen al het jargon doet me het zoute water in de mond lopen, de zee, dat is vrijheid en eindeloosheid en alleen daar bestaat werkelijk het idee los te zijn van alle sores.

Allemaal valse romantiek natuurlijk en op je 51ste kun je geen ketelbinkie meer zijn. Wat hier nog het dichtste bij komt is denk ik een cruise. Ter voorbereiding op, of eigenlijk moet ik zeggen ter voorkoming van het aan boord gaan van zo’n drijvend paleis is daar David Foster Wallace, die in 1997 op kosten van Harpers’ Bazaar een geheel verzorgde reis zou maken en er in de bundel A supposedly fun thing I’ll never do again op hilarische wijze verslag van doet. Aan boord, waar de ketelbinkies vooral uit arme landen afkomstig waren, werd de gemiddelde leeftijd van de rijkere Amerikaan door Wallace als volgt wordt genoteerd: ‘En ik bedoel niet de al volledig afgeleefden, maar eerder vijftigplussers, voor wie hun sterfelijkheid meer ­betekent dan een pure abstractie.’

Verder constateert de schrijver: ‘Rond luxecruises voor het grote publiek hangt een ondraaglijke droefheid. Zoals bij de meeste ondraaglijk droeve dingen, lijken de oorzaken daarvan ongelooflijk moeilijk te vatten en complex, maar de uitkomst doodsimpel: aan boord van de Nadir – vooral ’s nachts, wanneer alle gestroomlijnde plezier en herhaalde geruststellingen in het gedruis van ­algemene blijheid stilvielen – voelde ik wanhoop.’ David Garcia leest in 17 uur de hele essaybundel voor die nog veel meer moois bevat.

We stappen over op een ander schip, de HMS Erebus, een zeilschip uit het eerste kwart van de 19de eeuw dat in 1845 verdween en in 2014 op de bodem van de Arctische oceaan ten noorden van Canada gevonden werd. Michael Palin publiceerde vorig jaar het boek Erebus: The story of a ship en leest het zelf voor. Ik heb het eind natuurlijk al verraden en dat is inderdaad niet vrolijk, maar de stem van Palin die voor het schrijven van het boek in het kielzog van de Erebus weer eens de aarde rondreisde sleept je mee naar het grote avontuur van een wereld zonder Instagram.

Zijn er ook boeken over schepen die niet slecht aflopen? Ja, verdomd, Het leven van Pi, de roman waarmee Yann Martel in 2012 internationaal doorbrak over de jongen Pi (hij leerde honderd decimalen van π uit zijn hoofd) Patel die schipbreuk lijdt samen met een hyena, een zebra en een tijger die Richard Parker heet. En overleeft. Klinkt ongelooflijk, nietwaar? Zo was het ook precies bedoeld, maar u moet vooral even luisteren naar Kees Hulst die ons zes uur lang (let op: verkorte versie) mee uit varen neemt, en je alles laat geloven.

Gijs Groenteman gaat in onze illustere archiefkast in gesprek met mensen die hem hebben verwonderd. Rapper Pepijn Lanen, schrijver Paulien Cornelisse en kunsthandelaar Jan Six passeerden al de revue.

Bronvermelding

Deze absurde slapstick from hell heeft wat mij betreft een enorm hoge amusementswaarde

Ik heb een zwak voor lectuur over de wat minder frisse types uit de geschiedenis, maar mijn verstrooidheid vormt hierbij vaak een hindernis, zo niet een onneembare barricade. De types zijn het probleem niet, het gaat mis bij het onderdeel geschiedenis. In tegenstelling tot kennissen die elk Europees ruzietje van weleer op zowel chronologische als alfabetische volgorde kunnen opmurmelen (heen én terug), kom ik op gewapendeconflictengebied niet veel verder dan wat basisinformatie over de Tweede Wereldoorlog. Dat geeft helemaal niks, ik weet weer andere dingen, het is alleen jammer wanneer ik bijvoorbeeld de in een bui van zelfoverschatting aangeschafte biografie van Jozef Stalin wil lezen, die de omvang heeft van een flinke broodrooster en barst van de mij onbekende buitengewoon historische momenten. Zes keer ben ik nu blijven steken op ongeveer hetzelfde punt, ergens vóórdat Jozefs kwaadaardigheid duidelijk en wel de kop opsteekt. In mijn hoofdstuk is hij nog een weerman die hobbymatig citroenen kweekt en dol is op drinkspelletjes. Hij is, kortom, nog iemand met wie ik me identificeren kan: ook ik houd van drankspelletjes en sinds mijn geliefde vorig jaar na een bezoek aan de Praxis met een citroenboompje thuiskwam, kun je mij eventueel beschouwen als hobbymatig citroenenkweker.

De rest van de biografie is voor iemand met gaten in zijn Sovjet-kennis niet om dóór te komen, dus vooralsnog zit Stalin bij zijn datsja met een limoncello naar de lucht te koekeloeren. ‘Alle verhalen eindigen gelukkig, als je maar op tijd stopt’, schreef Annie M.G. Schmidt al in de week voordat ze stierf.

Zulke non-fictie moet dus onwaarschijnlijk toegankelijk zijn wil ik de draad niet direct kwijtraken, ik was dan ook verheugd dat Drugs in het Derde Rijk aan die wens voldoet.

Schrijver Norman Ohler schetst hierin een smeuïg beeld van drugsgebruik bij het Duitse leger. Methamfetamine was rond de jaren dertig in pilvorm vrij verkrijgbaar onder de naam Pervitin, (en in bonbonvorm voor huisvrouwen, aangeprezen met de vrolijke leus ‘Hildebrand Pralinen erfreuen immer’) en hoorde bij de vaste uitrusting van de Wehrmacht, die dus met een paar Pervitinnetjes achter de kiezen als een horde kwaadaardige Duracell-konijnen grenzen over denderde. Hitler wordt beschreven als iemand die door zijn lijfarts Theodor Morell – die altijd in de weg loopt en bij gebrek aan een uniform zelf maar een pakje in elkaar knutselde – met extreme lapmiddelen, van hormoonpreparaat tot methamfetamine en coke, op de been wordt gehouden. Zo wordt de Führer een junk (‘polytoxicomanisch’, aldus Ohler), die onder invloed de krankzinnigste bevelen geeft aan zijn met methamfetamine volgepompte leger. Het maakt vast een akelig mens van mij, maar deze absurde slapstick from hell heeft wat mij betreft een enorm hoge amusementswaarde.

Maar ergens na pagina 250 worden 14-jarige jongens volgestopt met coke en per mini-onderzeeër de dood ingejaagd, komen de concentratiekampen aan bod en dan krijgen die arme zes kindertjes van Goebbels ook nog eens een dodelijke blauwzuurpil van hun moeder.

Hoewel ik het aan had kunnen zien komen (je hoort wel vaker onaangename dingen over WO2) overvalt de ellende me toch een beetje.

Dan blijkt dit tóch weer zo’n boek te zijn dat ik na hoofdstuk drie weg had moeten leggen. Hoe toegankelijk het ook is.

Bronvermelding

De Republiek was een natie die werd geregeerd door papier ★★★★★

Het succes van Nederland in de 17de eeuw is te danken aan een ongelooflijke hoeveelheid drukwerk. Dat betogen Andrew Pettegree en Arthur der Weduwen in hun fascinerende boek. 

Toen stadhouder Willem III op 11 november 1688 vanuit Hellevoetsluis met een oorlogsvloot uitvoer om de Britse kroon op te gaan eisen, werden er niet alleen gigantische hoeveelheden munitie in de schepen geladen. De zeelui hesen ook een complete drukpers met een voorraad loden letters en onbedrukt papier aan boord. Bovendien waren er in het grootste geheim al 50 duizend exemplaren gedrukt van The Declaration of His Highnes(s) William Henry, die gingen ook het ruim in. De verklaring gaat over ‘the Reasons inducing him to appear in Armes in the Kingdom of England, for Preserving of the Protestant Religion, and for Restoring the Laws and Liberties’. De drukpers ging mee om Willem III in staat te stellen razendsnel proclamaties te laten drukken voor de Britse bevolking. Die ­ingescheepte houten drukpers gebruiken ­Andrew Pettegree en Arthur der Weduwen als voorbeeld van het belang van het gedrukte woord in hun fascinerende boek over drukwerk in de 17de eeuw.

Je zou denken dat er over de ‘Gouden Eeuw’ nauwelijks meer een nieuwe zienswijze te berde te brengen zou zijn. We weten toch alles al over de schilderkunst, de literatuur, het ­toneel, de bouwmeesters en vooral de zelfverworven rijkdom en de lust tot het demonstreren ervan. De Tachtigjarige Oorlog kennen we, met de creatie van een republiek die na enige tijd toch op een koninkrijk ging lijken, en de voortdurende aanvaringen tussen patriciaat, raadpensionarissen, stadhouder en de Raad van State. De Engelse historicus Andrew Pettegree en zijn jonge collega Arthur der Weduwen, beiden werkzaam aan de universiteit van St. Andrews en gespecialiseerd in de boekdrukkunst, geven een klinkklaar bewijs dat er nog nieuwe invalshoeken te construeren zijn. Van hen komt de cruciale zin ‘De Republiek was werkelijk een natie die werd geregeerd door papier’. Het succes van de 17de eeuw ligt voor hen niet in de schilderkunst, de VOC of de handelsmentaliteit, maar in de ongelooflijke concentratie van drukwerk in die tijd. 

Schoolboekjes en pamfletten

Zo dichtbevolkt als Nederland was in het ­Europa van die tijd, zo dichtbepapierd was het ook. Om dat hard te kunnen maken hebben de twee boekhistorici naar drukwerk gezocht dat de tand des tijds minder goed doorstaat dan de befaamde atlassen van Blaeu of Galilei’s in Italië verboden Discorsi, dat bij Elsevier gedrukt werd. Het gaat hun om veelgebruikte schoolboekjes, aangeplakte verordeningen, medische zelfhulpboeken, gebedenbundels, kranten en vooral ook pamfletten. Wat veel gebruikt wordt, wordt weinig bewaard en komt vaak niet in bibliotheken of archieven terecht. 

Pettegree en Der Weduwen ontdekten dat veel van wat in Nederland verdwenen is, wel nog in buitenlandse archieven opgeborgen ligt. Dat is voor hen meteen een bewijs voor de enorme importantie van Nederland voor Europa in de 17de eeuw: buitenlandse vorsten en diplomaten verzamelden en bewaarden niet alleen pamfletten en proclamaties, maar ook Nederlandse kranten. In Nederland werden de kranten na lezing gebruikt om vis in te verpakken of als toiletpapier. Schoolboekjes versleten, proclamaties werden overgeplakt, pamfletten werden vervangen door nieuwe. Pettegree en Der Weduwen pakten het onderzoek naar de bulk aan drukwerk anders aan dan gebruikelijk. Ze zochten via advertenties, veilingen en beschrijvingen van verzamelingen naar wat uitkwam en gingen daarnaar op zoek in binnen- en vooral buitenland. In ­Dublin troffen ze een collectie van zesduizend Nederlandse pamfletten aan, in Stockholm een verzameling vroege kranten, in Kopen­hagen veilingcatalogi met aantekeningen.

In de Republiek werd per hoofd van de ­bevolking meer aan boeken uitgegeven dan waar ook. Het aantal gealfabetiseerden was het hoogst van Europa. Er werd meer gepubliceerd en vooral verhandeld dan waar ook. Want ook toen al was de Republiek een doorvoerland. Omdat Latijn de taal was van alle ontwikkelde lezers in Europa, verkochten ­Hollanders boeken die in Duitsland of Italië waren gedrukt in landen als Frankrijk of Engeland. Vaak ging dat met vervalsingen op de titelpagina: dan stond er dat het boek in Leiden gedrukt was, maar ­eigenlijk was het import. Andersom kwam ook voor als het om verboden boeken ging. Spinoza’s godsdienstkritische Tractatus Theologico-Politicus is niet in Hamburg gedrukt, zoals de titelpagina beweert.

De klassieken in pocketformaat

Het succes van de Nederlandse boekhandel en uitgever had verschillende oorzaken. In de eerste plaats is er de uitvinding van de pocket: een zakboek dat makkelijk mee te nemen was en naar verhouding goedkoop. In dat formaat werden de klassieken uitgegeven, die gewild waren over heel Europa. Scholieren kochten ze, maar ook hun ouders die wilden pochen met hun goede smaak. 

Van belang is ook dat er boekenveilingen van de grond kwamen, met catalogi. De verzamelzucht werd daardoor gestimuleerd, liefhebbers spiegelden zich aan wat een ander in zijn collectie had. Boeken kregen een tweede leven, ook financieel gezien, want er werd verdiend bij de aanschaf van een boek én bij de doorverkoop. Ook telt mee dat drukkers in de universiteitssteden zeker waren van een stabiel inkomen. Elke student die afstudeerde moest een bewijs van zijn kunnen laten drukken en gratis uitdelen. Ten slotte is er de doorvoer van boeken, waar kapitalen aan verdiend werd. De handelaars waren daarbij niet al te recht in de leer. Katholieke boeken werden grif verkocht, en Blaeu schrok er niet eens voor terug zelf missalen te drukken.

Al met al moet de burger van de 17de eeuw bedolven zijn onder papier. De overheid ontdekte het gedrukte formulier, de winkelier de advertentie, de gemeente het aanplakbiljet, de boekhandel het zakboekje. In een van hun hoofdstukken proberen Pettegree en Der ­Weduwen te reconstrueren wat de verschillende bevolkingsgroepen in huis zullen ­hebben gehad. Het is een van de fascinerende reconstructies in dit rijke en overdonderende boek. Het rekenboek van Bartjens is in de lagere klassen aanwezig, de Bijbel overal. Dat de overheid in 1674 op het idee kwam om belasting te heffen op drukwerk kan alleen maar als een staaltje Hollands denken gezien worden.

Andrew Pettegree & Arthur der Weduwen: De boekhandel van de wereld – Drukkers, boekverkopers en lezers in de Gouden Eeuw. Vertaald door Frits van der Waa. Atlas Contact; 608 pagina’s; € 39,99.

Andrew Pettegree & Arthur der Weduwen: De boekhandel van de wereld

Bronvermelding

Vijf voorbeelden van de beste smalltalk in film en op tv

Smalltalk vormt een belangrijke bouwsteen in films en tv-series. Scenarioschrijvers gebruiken gewone gesprekjes als manier om personages te introduceren, grip te krijgen op de absurditeit van het bestaan of om domweg de levenslust van de hoofdpersonen te schetsen. Vijf voorbeelden van de beste smalltalk in de film en op tv.

Quentin Tarantino, het complete oeuvre

We kunnen niet om Quentin Tarantino heen. Koning van de filmdialoog, keizer van het oeverloze geouwehoer. Zijn debuutfilm Reservoir Dogs (1992) opent met een stel zware jongens, in een restaurant. De camera draait om de tafel heen. Het gesprek gaat over Like a virgin van Madonna. Allereerste zin: ‘Let me tell you what ‘Like a virgin’ is about’. Uitgesproken door Mr. Brown, gespeeld door Tarantino zelf. Volgt een verrassend treffende analyse van het werk van ‘de vroege Madonna’, waarin diepe kennis van het oeuvre synchroon loopt met tarantinesk (dat woord werd op dat moment geboren) taalgebruik. En dan komt het:

Mr. Brown: It’s all about this cooze who’s a regular fuck machine, I’m talking morning, day, night, afternoon, dick, dick, dick, dick, dick, dick, dick, dick, dick.

Mr. Blue: How many dicks is that?

Mr. White: A lot.

En dan zijn we er nog niet. Het is tijd om de rekening te betalen en Mr. Pink weigert een fooi te geven. Volgt een dialoog over het geven van fooien (‘He don’t tip? What do you mean you don’t tip?’).

En dan pas lopen ze in slow motion richting hun auto (kom er maar in George Baker!). En meteen vanuit Little Green Bag zitten we in een adrenaline rondpompende scène in de naweeën van de mislukte overval, die de mannen aan het ontbijt hadden zitten plannen.

Bij Tarantino is de smalltalk altijd veel meer dan een staaltje verbale virtuositeit. Het is een slimme manier om personages te introduceren en een contrast in te bouwen met de onvermijdelijke explosies van geweld die er op gaan volgen. Het is zijn manier om te stellen dat het leven banaal is – en elk moment afgelopen kan zijn.

Bekendste voorbeeld uit het oeuvre van Tarantino is de scène met John Travolta en Samuel L. Jackson (Vincent en Jules) op weg naar een klus in Pulp Fiction (1994). Het gesprek gaat over preventief fouilleren in Amsterdam (waar Tarantino het script deels schreef), het decimale stelsel en de Europese McDonald’s. En dan komt die misschien wel bekendste filmdialoog uit de moderne filmgeschiedenis, waarin Jules tot zijn verbijstering hoort dat als je een Quarterpounder in Parijs bestelt je het over een ‘Royale with Cheese’ hebt.

Jules: Royale with Cheese. What’d they call a Big Mac?

Vincent: Big Mac’s a Big Mac, but they call it Le Big Mac.’

Ook in Pulp Fiction is het gefilosofeer over fastfood – van twee mannen op weg naar hun werk – de aanloop naar een geweldsexplosie – want dat is toevallig hun werk –, aangekondigd met een galmend Bijbelcitaat (‘And I will strike down upon thee with great vengeance and furious anger!’).

Clerks (1994)

In hetzelfde jaar (1994) als Pulp Fiction kwam de low-lowbudgetfilm Clerks van Kevin Smith uit, een film over twee medewerkers van een winkeltje, die zich de hele dag stierlijk vervelen (‘This job would be great, if it wasn’t for the fucking customers’) en eindeloos filosoferen (groot woord) over films, vooral de Star Wars-reeks. In een van de bekendste scènes vragen Dante en Randal zich af wat de arbeidsverhoudingen aan boord van de Death Star zijn. Een scène die weer vooruitloopt op de klassieke sketch van de Britse comedian Eddie Izzard over de Death Star Canteen, waarin Darth Vader een penne all’Arrabbiata probeert te bestellen.

Smoke (1995)

Was het allemaal de schuld van Tarantino? In ieder geval kwam een jaar na Pulp Fiction de film Smoke uit (naar een scenario van romanschrijver Paul Auster), waarin Harvey Keitel een sigarettenwinkel heeft en de dagen gevuld worden met een stroom klanten die allemaal even komen roken en een overpeinzing van de winkelier meekrijgen: ‘If it happens it happens. If it doesn’t it doesn’t. You understand what I’m sayin’? You never know what’s gonna happen next. And the moment you think you do, that’s the moment you don’t know a goddamn thing. This is what we call a paradox. Are ya following me?’ 

(Sterk verwant: Coffee and cigarettes van Jim Jarmusch, uit 2003, maar een compilatie van geïmproviseerde scènes die hij al in de jaren negentig begon vast te leggen: It’s just… funny, don’t yah think, that when you can’t afford something, it’s like ‘really expensive’ but then when you can afford it, it’s like, free? It’s kinda backwards, don’t yah think?)

Seinfeld (1989-1998)

De meeste scènes in Seinfeld, een van de populairste Amerikaanse comedyseries van de jaren negentig spelen zich in de keuken van stand-upcomedian Jerry af – of in een diner waar een assortiment vrienden elkaar treffen. Als Jerry en vriend George bedenken dat er misschien wel een comedyserie in hun leven zit pitchen ze de serie als ‘a show about nothing’, een show over niets. En terwijl ze hun tijd aan het verdoen zijn en tevergeefs proberen greep op het leven te krijgen, maken ze monumentale kwesties van de meest banale zaken. Of andersom. We zouden alles van George Costanza kunnen noemen, maar we houden het bij zijn profetische: ‘It’s not a lie if you believe it.

Debiteuren Crediteuren (1995 – 1998)

Als er een Nederlandse serie te vergelijken is met de impact die Seinfeld in de VS had, dan zijn het de twee seizoenen van Debiteuren Crediteuren van Jiskefet, die nu al weer meer dan twintig jaar oud zijn – en nog is het taalgebruik van Jos, Edgar, Storm en Juffrouw Jannie niet helemaal weggesleten uit het leven in de kantoortuin. Van het ‘Toedeledoki!’ waarmee afscheid wordt genomen van de voedzame dingen in de broodtrommel tot en met de traditionele ochtendgroet die in drie varianten kwam: ‘Goeie ’s morgens!’ (Edgar en Juffrouw Jannie), ‘Goedemorgen deze morgen!’ (Jos) en natuurlijk ‘Goedemorgen, heren van het goede leven!’ (Storm). In de late jaren negentig dreigde deze parodie op het kantoorleven het echte kantoorleven te vervangen, een moment van zeldzame meta-smalltalk. In elke aflevering richt Edgar (Kees Prins) een monumentje op voor de slecht vertelde anekdote, een van de bouwstenen van het kantoorleven.

Bronvermelding

Tot ver in de 20ste eeuw heeft de stereotiepe meisjesroman standgehouden

Deze zomer keert de omslagrubriek terug naar het jeugdboek van de jaren vijftig. Tegen de stereotiepe heldin van de meisjesroman ontstond al vroeg verzet.

‘Wie heeft er ooit gehoord van tweeërlei kunst: een mannelijke en een vrouwelijke?’ Goede vraag natuurlijk, nu niet voor het eerst het inzicht daagt dat vrouwelijke kunstenaars lang zijn veronachtzaamd. Toch doelde de Amsterdamse onderwijzer Jan Willem Gerhard op iets anders: ‘Is ’t niet een even groote dwaasheid de letterkunde te verdeelen in één voor mannen en één voor vrouwen?’, vervolgde hij in Onze kinderliteratuur in de aesthetische opvoeding. ‘Zoo ja’, hield Gerhard nog even vol, ‘dan is ’t even onlogisch de lectuur voor de jeugd te splitsen. Wat schoon, goed en waar is voor jongens, is ’t ook voor meisjes.’

Klare taal, in een schotschrift uit 1905, dat verder nog schampert dat meisjes in jeugdboeken pas deugen als ze eindigen als ‘brave, liefhebbende moeder en huisvrouw’, liefst in de armen van een stoere man.

De strikte scheiding waaraan Jan Willem Gerhard zich een dikke eeuw geleden ergerde, is zo zoetjesaan wel geërodeerd – is Harry Potter voor jongens of voor meisjes? – maar snel is het niet gegaan. Tot ver in de 20ste eeuw heeft de stereotiepe meisjesroman standgehouden, zoals Godfried Bomans nog een halve eeuw na Gerhard vaststelde in zijn Kopstukken.

In die satirische bundel portretteert Bomans de geduchte Jo van Nieland-Braat, auteur van ‘fleurige, gezonde meisjesboeken’ met veelgelezen titels als Miep haalt het, Truus zet door en Dolly zet haar tanden erin (‘in linnen, ƒ 1,75’), de Bosbengels-reeks en De Ravesteintjes (deel 1 en 2), enzovoorts.

Jo van Nieland-Braat was een karikatuur, maar in de titels overdreef Bomans nauwelijks. Hij had ze geplukt kunnen hebben uit het oeuvre van Leni Saris (1915-1999), de veelschrijfster uit Hillegersberg die meer dan honderd meisjesromans produceerde met titels als Waarheen gaat de reis, Ingele?, Wie is Annabelle? en Tamara, wie ben je? Ook de omslagen leken van de lopende band te rollen: rijen frisse meisjesgezichten die net zo goed in tandpastareclames hadden gepast.

Saris was de bestsellermotor van de Witte Raven-serie van uitgeverij West-Friesland, die in oplagecijfers de concurrerende Prisma Juniores van uitgeverij Het Spectrum ver achter zich liet. De Prisma Juniores stelden daar literair cachet en betere omslagen tegenover, maar volgden in het titelbeleid geen avontuurlijker koers.

Titels van uit het Engels en Duits vertaalde verhalen werden in de Prisma Juniores naar standaardrecept vereenvoudigd. Pamela Browns Understudy veranderde in Catherine speelt het klaar (1959), Some Merry-Go-Round Music van Mary Stolz werd Waar wacht je op Miranda? (1962), het geestige Im Zweifelsfall geradeaus van Dorothea Hollatz eindigde als Nanni zoekt haar eigen weg (1960).

De omslagportretten van al die dapper doorbijtende Margareta’s, Maja’s en Mauds werden geleverd door illustratoren als Fiep Westendorp en Wim Bijmoer (allebei bekend van Annie M.G. Schmidt) en de productieve Babs van Wely, die de heldin van Maud pakt aan (A Summer in Brittany) niet uitdoste in kuise krullen en strikken, maar in een sexy Bretonse top en capribroek à la Brigitte Bardot.

Gelukkig, niet alles was poezelig in de Prisma Juniores. In Dorothy Gilman Butters’ Arbella vecht zich vrij (Witch’s Silver, 1959) ontworstelt de titelheldin zich aan de mores die meisjes onder de duim houden. Toch loopt het uit op een finale waarbij Jan Willem Gerhard vast weer had gebromd: ‘‘Tom?’, riep ze uit. ‘Ik kom!’ Ze wierp haar grootmoeder een handkus toe en vloog hem tegemoet.’

Volgende week: toekomstromans.

Bronvermelding

De kinderboeken van El Pintor betoveren nog altijd ★★★★☆

El Pintor’s schouwburg voor kinderen 1943 Beeld El Pintor

Linda Horn: Galinka Ehrenfest en El Pintor – ‘Vraag Einstein of hij mijn viool meeneemt’. Uitgeverij de Buitenkant; 192 pagina’s; € 35,-.

In de Tweede Wereldoorlog werkte de jonge Godfried Bomans, die net naam had gemaakt met Erik of het klein insectenboek (1941), als inleider mee aan een kleine en prachtig geïllustreerde uitgave, El Pintor’s toverboek van 1001 nacht. Wie was die geheimzinnige El Pintor? ‘Een tovenaar uit de laatste tijd, een moderne kabouter’, aldus Bomans, ‘hij ziet er net zo uit als een heleboel andere mensen, en hij woont, zonder puntmuts, en zonder baard, in een gewoon huis op de Keizersgracht. Maar pas op! ’s Avonds laat, als het donker wordt, neemt hij schaar en lijmpot ter hand en maakt toverboeken voor kinderen, het één nog mooier dan het ander.’

Tussen 1941 en 1944 verschenen er zeventien kinderboeken en ook spellen van El Pintor, het pseudoniem waarachter een bijzonder echtpaar schuilging: de expressieve kindervriendin en door Bauhaus geïnspireerde kunstenaar Galinka Ehrenfest (1910-1979) en de stillere Jacob Kloot (1916-1943), die elkaar op de Kunstschool hadden leren kennen. Hij was het zakelijk brein met zijn handelsonderneming Corunda (aan de Amsterdamse Keizersgracht 153), zij de artiest, en omdat ze succes hadden en kunstzinnige vrienden, wilden velen van hen (onder wie Bomans en Jef Last) meewerken aan die fraaie boekjes, die in grote oplagen konden verschijnen – van 10 duizend in Nederland tot 60 duizend in Duitsland aan toe.

Linda Horn: Galinka Ehrenfest en El Pintor

Een deel van de opbrengst ging naar de onderduikers met wie het echtpaar (zij half-Joods, hij Joods) in direct contact stond. Geld verdienen aan de Duitsers om daarmee het verzet tegen de Duitse bezetters te steunen: het is een bijna tevreden stemmende gedachte, vooral als je nu die onschuldige en licht-anarchistische plaatjes bekijkt van Kobus Knabbel (het konijn van El Pintor), de uitklapbare schouwburg, de mooie wilde dieren in het dierenparadijs, of van het huis van El Pintor ‘waar je mag: klimmen, springen, zwemmen, snoepen, schilderen, schaatsen, knoeien, koken, glijden, vliegen, vissen, varen’, en waar geen papier aanwezig is, wat ook helemaal niet hoeft, want je mag er op de lege witte muren schilderen.

Het feestelijke bladeren in het kleurrijke Galinka Ehrenfest en El Pintor  van Linda Horn, dat een expositie in het Verzetsmuseum begeleidt,  heeft ook een keerzijde. Kloot werd in 1943 verraden, en pas na de bevrijding zou Ehrenfest horen dat hij in vernietigingskamp Sobibor was vermoord. In 1946 zou ze nog één uitgave van El Pintor verzorgen, maar daarmee kwam een einde aan de activiteiten van de zogenaamde Spaanse schilder.

Dat betekent niet het einde van het verhaal, want de veelzijdige Ehrenfest – die viool speelde op een instrument dat Albert Einstein voor haar had gekocht, een goede vriend van haar vader, die natuurkundige was – hertrouwde in 1948, bouwde in 1959 haar eigen huis in het Limburgse Gronsveld en baarde daar opzien als Contra Mina (niet te verwarren met Dolle Mina) met haar hoogst onorthodoxe ‘Ooievaarsplan’ om de positie van de verzorgers van jonge kinderen (doorgaans de moeders) te verbeteren. 

Het zoveelste bewijs dat Galinka over een oorspronkelijke geest beschikte. Maar het is wel jammer dat haar grote tekengave beperkt bleef tot die paar jaren dat El Pintor voor licht en dromen in de benardheid heeft gezorgd.

Kom binnen in het huis van El Pintor (cover) 1943 Beeld El Pintor
Kom binnen in het huis van El Pintor 1943 Beeld El Pintor
El Pintors dierenparadijs 1496 Beeld El Pintor
El Pintors dierenparadijs 1496 Beeld El Pintor
Kobus Knabbel: Der Sportheld 1943 Beeld Stephan van der LInden

De wondere wereld van El Pintor, expositie in het Verzetsmuseum Amsterdam, tot en met 22 september

Bronvermelding

Sanne Kanis schreef een roman over de machocultuur bij techbedrijven: ‘Die gedragsregels zijn allemaal voor de bühne’

Sanne Kanis Beeld Rebecca Fertinel

Ergens richting het einde van haar roman De bubbel voert Sanne Kanis een scène op waarin iemand tijdens een brainstorm op een whiteboard schrijft: ‘religie = hip = omzet’. Eerder zijn werknemers van het fictieve hippe techbedrijf ImageBuilders dan al naar Hawaii geweest om tijdens een door drank en pillen overgoten ‘ethiek-offsite’ een gedragscode op te zetten. Het is allemaal een wassen neus; zodra er geld op het spel staat, doen gedragscodes er niet toe.

Hoofdpersoon in de roman is de wat bleue Anna, die te maken krijgt met extravagante feestjes, onverholen seksisme en cynisme. Natuurlijk, het is een roman, maar Kanis heeft er naar eigen zeggen veel van haar eigen ervaringen in gestopt. Neem die gedragsregels waar alle techbedrijven tegenwoordig zo druk mee zijn, Google incluis. Kanis: ‘Ja, Google heeft het netjes opgeschreven, maar laten we eerlijk zijn: binnen de techwereld wordt erom gelachen. In mijn boek overdrijf ik, maar in essentie gaat het echt zo. Werknemers krijgen een quizje voorgeschoteld, zo van: mag je tegen een vrouwelijke collega zeggen dat ze er goed uitziet? Het is allemaal voor de bühne. Iedereen vraagt zich af: wie houden we hier nou mee voor de gek? Je schotelt mensen die voor de Nasa zouden kunnen werken stompzinnige quizjes voor.’

Bonussen

Dat zou nog niet eens zo erg zijn, als het management zich eraan zou houden. Maar dat is volgens Kanis lang niet altijd het geval. Ze wijst op de verhalen die naar buiten zijn gekomen over machtsmisbruik en seksisme in de machocultuur van Silicon Valley. Niet zelden wordt een hooggeplaatste manager pas weggestuurd nadat er door meerdere vrouwen meermaals is geklaagd. En dan nog met een flinke bonus toe. Want dat is nog eens een ander probleem, zegt Kanis: personeelszaken is een verlengstuk van het management. In haar boek zelfs letterlijk, nadat is uitgekomen dat het vrouwelijke hoofd van personeelszaken het bed deelt met een van de topmannen van het bedrijf.

Dat de beslissingen en producten van techbedrijven grote invloed hebben op ons leven, is geen geheim meer. Kanis: ‘Het is dus essentieel goed na te denken over de effecten op de langere termijn. Maar dat gebeurt niet: iedereen is alleen bezig met targets.’ En soms gaan die regelrecht ten koste van gebruikers of andere belanghebbenden. ‘Ik heb meegemaakt dat we doodleuk de spelregels veranderden om onze targets te halen. Dat dit anderen dupeerde, deed er niet toe.’

Irritatie

Vrouwen in de techwereld, of liever het gebrek daaraan: het is de laatste tijd een hot topic. Ligt daar misschien de oplossing? Voor een deel zeker, zegt Kanis: ‘Vrouwen hebben volgens sommige onderzoeken meer gevoel voor moraliteit.’ Maar hoe dan ook is het niet de hele oplossing. Kanis wijst naar zichzelf. Als twintiger bij Google was ze ook niet bezig met ethiek. Wel met haar targets: ‘Ik ging er helemaal in mee en werd onderdeel van het systeem. Je individuele targets, je teamtargets, het bedrijfstarget – dat is het enige wat telt en dat is je kompas. Niet: hoeveel informatie verzamelen we van onze gebruiker of wat zijn de gevolgen van de algoritmen die we gebruiken?’ Tijdens het schrijven van haar boek raakte ze naar eigen zeggen dan ook precies om deze reden geïrriteerd over haar alter ego Anna: ‘Ik ben mezelf verloren, maar dat besefte ik pas later.’

Vrouwen in de techindustrie

Eerder deze maand publiceerde Facebook zijn jaarlijkse diversiteitsrapport. In het bedrijf is 37 procent vrouw, maar bij de technische functies is dat slechts 23 procent en bij de leidinggevende 33. De komende jaren moeten die percentages flink omhoog, en ook wat betreft leeftijd en etniciteit wil het bedrijf veel meer diversiteit. Facebook doet het nu al een stuk beter dan het gemiddelde – in de VS is nog geen kwart van de mensen in de techindustrie vrouw. In Nederland is het nog droeviger gesteld, met een kleine 16 procent.

Misschien komt ethiek wel met de jaren, vermoedt Kanis. ‘Je kan niet van een 25-jarige programmeur verwachten dat hij het kompas is. En helemaal niet als het management het foute voorbeeld geeft.’ Ze pleit voor bedrijfsethici die kritisch meekijken en de langere termijn in het vizier houden. Maar interne regulering zal altijd moeten worden gecombineerd met regels die van buitenaf zijn opgelegd.

Speelplaats

Al gebeuren er de laatste tijd hoopgevende dingen – Kanis noemt de walkouts waarbij werknemers van Google massaal aandacht vroegen voor het seksisme en de ongelijkheid binnen het bedrijf – nu nog ergert ze zich te vaak aan de techwereld waarvan ze zelf deel uitmaakt. ‘Die wereld is ingericht als speelplaats. En in het begin was het ook goed hoor, vol idealisme. Maar het jeugdige enthousiasme is overgeslagen naar hyperkapitalisme, zonder dat er wordt nagedacht over maatschappelijke waarden. Het is bijna een feodaal stelsel geworden, met leenmannen die in ruil voor een miniem percentage van de omzet een bezorgingsgebiedje krijgen of een plekje op de site van een grootmacht. Daar moeten we van af.’

Meer over de door mannen gedomineerde techwereld:

Programmeurs geven de wereld vorm via de door hen ontworpen software. Dat het een nogal eenzijdig samengestelde groep mensen is, heeft grote gevolgen, betoogt Clive Thompson in zijn boek De coders.

Uber-oprichter Travis Kalanick kwam in 2017 onder vuur te liggen, onder meer vanwege het wijdverbreide seksisme binnen zijn bedrijf. Uber stond daar niet alleen in. Silicon Valley-journalist Sarah Lacy schrijft verschillende kritische stukken over de in haar ogen totaal door vrouwenhaat verziekte start-upcultuur in Silicon Valley

Een groep durfinvesteerders wil een opmars van vrouwen in het bedrijfsleven forceren door de ondernemingen waarin zij investeren een quotum op te leggen

Bronvermelding