Acteur-muzikant Bob Fosko op 64-jarige leeftijd overleden

Bob Fosko vorig jaar zomer. Beeld Marco Tiberio

Ruim een week geleden was Bob Fosko (pseudoniem van Geert Timmers) nog Gids van de Week in de Volkskrant. Hij had aangedrongen op een snelle afspraak, want er wachtte hem een zwaar bestralingstraject. De kanker, begin 2019 ontdekt in zijn slokdarm, was opgerukt naar zijn hoofd. ‘Dertig uitzaaiingen! Ik probeer de zomer te halen, daarna zien we wel verder. Ik takel af, maar ik ben niet somber.’

Vrijdag is hij in Amsterdam overleden, de 64-jarige acteur en frontman van onder meer De Raggende Manne en Groep Fosko. Met beide Amsterdamse bands maakte hij in blessuretijd nog een album. Dat van Groep Fosko zal binnenkort postuum verschijnen. De albumtitel, Van iets maken word je blij, bleef tot het eind zijn levensmotto.

Sinds de fatale diagnose in januari 2019 toonde hij zich goedgehumeurd, openhartig en productief. Geen tijd meer voor flauwekul. Al zijn energie stak hij in de mensen en dingen die hem dierbaar waren – en hij had er schik in.

Geert Timmers groeide op in Baarn, waar zijn vader een snackautomatiek had. Enkele ooms waren vrachtwagenchauffeur. Om zich heen hoorde hij de kale, harde taal waarvan hij later zijn levenswerk zou boetseren: de brullyriek van De Raggende Manne, de lawaaiband die van 1988 tot 1999 bestond en in 2019 even herrees. Op de albums van de onbekender gebleven Groep Fosko (2006-2007) kon hij ook zijn liefde voor jazz, funk en soul van bijvoorbeeld Stevie Wonder en Herbie Hancock kwijt.

Knipoog

Zijn artiestennaam Bob Fosko was een knipoog naar Wim T. Schippers, die de personages in de tv-serie Het is weer zo laat! de namen van chocolademerken als Bensdorp en Van Houten gaf. Fosko was een vooroorlogse chocoladedrank. Bob Fosko stond voor vrolijke, artistieke tegendraadsheid.

Timmers verdiende de kost vanaf 1982 als acteur: eerst in rollenspellen aan de politieacademie en het Instituut voor Psychotrauma, later in talloze rollen op toneel, tv en filmdoek, van My Fair Lady tot De Jantjes, van Jiskefet tot Pietje Precies in Het Sinterklaasjournaal.

De Raggende Manne begonnen als zijn poging een ‘plaat te maken die niemand mooi vindt’. Het aantal mensen dat de gebrulde tirades leuk en bijzonder vond, bleek echter verrassend groot. De groep maakte tien albums met welluidende titels als Brandende vlierbessen (1991), Zaad (1994), Rooie pap (1995) en Alles kleeft (2019).

De ‘hectische jazzpunk’ uit de beginjaren werd gaandeweg avant-gardistische rock, vooral live vaak donderend goed. Fosko’s tekstuele tirades waren niet zelden odes aan het Nederlandse korte lontje. Sommige ervan werden klassiek, Poep in je hoofd (‘Zal ik jou eens even lekker in je bek schijten?’) uit 1995 voorop.

Haaks op de hardnekkig a-commerciële Raggende Manne stond Hakkûhbar, Fosko’s parodie op gabberhouse. Gabbertje (1996) werd zomaar een nummer één-hit in de Top 40. Super Gabber (1997) werd nummer drie.

Hardrock Karaoke

Alles kon, als het maar leuk was. Levensliederen met De Gorelev. ‘Hardrock Karaoke’ in theaters. Voorstellingen op festival De Parade. Liedjes voor Kinderen voor Kinderen. Campagnefilmpjes voor de SP. Een bijrol in ‘GTST’. Teamcaptain in de tv-popquiz Toppop Yeah. Hij schilderde Pop Art-achtige ‘Uitgezaagde Liedjes’ van hout, schreef montere columns over zijn ziekte in Nieuwe Revu.

En hij genoot van zijn kinderen en kleinkinderen, samen met Vera Jong, zijn vrouw, een liefde van de academie tot de laatste adem.

De reünietournee van De Raggende Manne (2019) was een groot succes. Als Fosko kracht tekort kwam, waren er gastartiesten om hem op te vangen. Zo’n tournee zat er met Groep Fosko niet nog eens in, maar één avond Paradiso, op 11 maart, dat moest nog lukken.

Die avond wordt nu geannuleerd. Timmers leefde langer dan hij begin 2019 vreesde, maar korter dan hij begin 2020 hoopte. Altijd maakte hij iets (een dag voor zijn dood verscheen nog het lenteliedje Fluiten) – en werden wij daar blij van.

Niet somber, wel melancholiek

Eigenlijk was 2019 een prachtjaar, vond Bob Fosko. De afscheidstournee van De Raggende Manne was een feest. Hij was veel in de media, schreef voor het weekblad Nieuwe Revu montere columns over zijn naderende einde. ‘Ik voel me vaak goed, al neemt het aantal slechte momenten toe. Ik takel af, maar ik ben niet somber.’

Hij bekende melancholieke gevoelens te hebben toen hij afgelopen zomer naar zijn vakantiehuis in Frankrijk reed. ‘Omdat ik weet dat het gewoon… ja, binnenkort toch wel afgelopen is. Voor wat er allemaal met mij gaat gebeuren, ben ik niet zo bang.’

Als frontman van de Raggende Manne zocht Fosko altijd de grenzen van het sonisch toelaatbare op. En de tour die voor 2019 gepland stond moest en zou doorgaan, ook al was hij ernstig ziek. In deze aflevering van Met Groenteman in de kast was Fosko te gast bij Gijs in de archiefkast.

Het begon eind november 2018 met vage klachten. Buikpijn. Even naar de huisarts. Iets met stress? Een beginnende maagzweer? Een maagonderzoek en een gastroscopie verder bleek het veel ernstiger. Op 7 januari 2019 kreeg hij het eerste slechte nieuws. Kanker.

Bronvermelding

Geen enkel museum neemt succesvolle nazi-expositie over, dus gaat SS-design de kelder weer in

Overzicht tentoonstelling Design van het Derde Rijk in Design Museum Den Bosch, met op achtergrond het dressoir uit het kantoor van Adolf Hitler. Beeld Design Museum Den Bosch

Het museum pakt maandag de hakenkruisvlaggen, nazi-handboeken en het dressoir uit het kantoor van Adolf Hitler in en stuurt ze terug naar de Duitse archieven die ze buiten het zicht bewaren. Geen museum in het buitenland wilde expositie één op één overnemen.

‘We hebben verkennende gesprekken gevoerd met musea in Amerika en Duitsland, maar concrete plannen zijn daar niet uit voortgekomen’, zegt museumdirecteur Timo de Rijk. ‘Wel heeft de tentoonstelling in Duitsland geleid tot ideeën om de beeldende kunst van het nationaalsocialisme te laten zien.’

Meer dan 120 duizend bezoekers zijn langs geweest in Den Bosch voor de expositie over hoe de nazi’s met behulp van doordacht design steun wisten te verwerven voor hun ideologie en militaire macht, die is uitgemond in de bouw van gaskamers voor de massamoord op de Joden. De duur van de tentoonstelling was vanwege de populariteit met zes weken verlengd tot zondag 1 maart.

Uit de kosten

Het kleine museum kon de toestroom net aan. Gemeten naar ruimte en inzet van medewerkers ‘was dit het maximaal haalbare’, zegt De Rijk. Voor de expositie is veel meer geïnvesteerd dan normaal, maar het museum is uit de kosten gekomen. De beveiliging had achteraf gezien wel een tandje minder gekund, maar net als met de ingetogen presentatie is De Rijk blij dat hij het zekere voor het onzekere heeft genomen.

Voor de samenstelling van de expositie konden De Rijk en gastconservator Almar Seinen putten uit de archieven van onder andere het Haus der Kunst en het Zentralinstitut für Kunstgeschichte in München. Het lenen van materiaal was geen probleem, maar de Duitse instellingen wilden nadrukkelijk geen partner in de tentoonstelling zijn. ‘Hun houding was meer van we kijken hoe het afloopt en wat we ervan kunnen leren’, zegt De Rijk. ‘Ik vind dat wel een slimme manier.’

Voor mannen kwamen kijken

Design Museum Den Bosch zag de laatste jaren zo’n 1.700 bezoekers per week langskomen, maar voor het Derde Rijk-design waren dat er ineens meer dan 5.200 per week. Uit de statistieken valt verder op dat tweederde van de bezoekers man was. Normaal gesproken bestaat het publiek van het museum, dat een eigen collectie van sieraden en aardewerk heeft, voor tweederde uit vrouwen. Afgaande op de taalkeuze van bezoekers bij het online bestellen van kaartjes was maar liefst 12 procent afkomstig uit het buitenland.

Waren de kritieken in Nederland positief, in Duitse kranten zagen recensenten wel tekortkomingen. De gezaghebbende Süddeutsche Zeitung kapittelde op klassieke wijze dat er te weinig aandacht zou zijn voor de verschrikkingen van de Holocaust, ook al waren er ontwerptekeningen van Auschwitz te zien. 

Het in of meer gelijkwaardig presenteren van een SS-uniform in de buurt van concentratiekampkleding uit Mauthausen noemde de krant uit München ‘zeer problematisch’. Maar niet iedereen dacht er zo over: de Berlijnse krant Der Taggesspiegel hield juist een pleidooi om de expositie naar Duitsland te halen.

zaalfoto’s Design Museum Den Bosch, Design van het Derde Rijk, tarief K2Beeld Design Museum Den Bosch

Schilderijen en beelden die in de smaak vielen van de nazi’s – veelal krachtige en heroïsche voorstellingen van mens en natuur – zijn na 1945 als fout van de expositiewanden verdwenen. Voor Duitse musea zijn ze nu mogelijk een manier om toch een gesprek op gang te brengen over de rol die vormgeving speelde in de aantrekkingskracht van het nazisme. 

Hoe ingewikkeld dat is blijkt uit de pogingen om werk van Hitlers favoriete beeldhouwer Arno Breker, dat ook in Den Bosch te zien was, tentoon te stellen. In 1981 moest een expositie in toenmalig West-Berlijn worden afgebroken wegens protesten, maar in 2006 was zijn eerste Duitse solotentoonstelling na de oorlog een succes.

‘Met het verglijden van de tijd’, zegt De Rijk, ‘merk je dat er ruimte komt om vragen te stellen als: maakt de kunst van het nationaalsocialisme deel uit van de kunstgeschiedenis? Ik denk van wel en dat moet je laten zien.’

Waarschuwen

Het is zijn overtuiging dat de aanpak van alleen de slachtoffers herdenken onvoldoende is geweest om te waarschuwen voor antisemitisme en fascisme. ‘Kijk naar de opkomst van rechts-radicale bewegingen. Het taboe is weg. De carnavalsoptocht in het Belgische Aalst met de Joodse karikaturen, daar wrijf je je ogen toch bij uit. In Spanje was een carnavalswagen als gaskamer opgetuigd.’

Voor het designmuseum is de discussie over de erfenis van de nazitijd nu voorbij. ‘Ook wel lekker’, zegt De Rijk, ‘want we zijn niet het museum van het Derde Rijk’. Natuurlijk zal het museum nog wel eens terugdenken aan de stromen bezoekers en ‘de aandacht’ waarmee bezoekers keken. luisterden en na afloop discussieerden. ‘Het ging meestal niet over waar ze een Bossche bol zouden gaan eten.’

Maar nu het museum ook buiten Brabant op de kaart staat, is De Rijk ‘best optimistisch’ over toekomstig bezoekcijfers. De volgende expositie ‘De poster is dood’ mag dan een vaktentoonstelling over ‘digitale vormgeving in de buitenruimte’ zijn, in september begint het breder opgezette ‘GOTH –Designing Darkness’.

‘We hangen deftige schilderijen uit de negentiende eeuw naast de gothic outfits die je nu zo online bij Ali Baba kan bestellen.’ Het moet zowel de jonge fans van de zwaarmoedige zangeres Billie Eilish aanspreken als hun ouders, die zich nog de sombere kijk van de jaren tachtig herinneren.

Eerder nam onze V-vlogger Lisa Koetsenruijter al een kijkje bij de tentoonstelling Design in het Derde Rijk. Het ging haar niet in de koude kleren zitten.

Bronvermelding

Voor een autorit van Trump, werd een muur gebouwd om een Indiase sloppenwijk

Activist Aswathy Jwala protesteert tegen de bouw van een muur langs een sloppenwijk in Ahmedabad in aanloop naar het bezoek van Donald Trump.Beeld Joanna Slater / The Washington Post via Getty Images

In 1890 verscheen in de Verenigde Staten een boek dat veel mensen de ogen opende: How the Other Half Lives. Jacob August Riis, een politieverslaggever van Deense afkomst, belichtte een tot dan toe genegeerd probleem: de sloppenwijken van Manhattans Lower East Side in New York, waar de armen onder jammerlijke omstandigheden woonden en werkten. Meer dan een journalist was Riis een activist. Met tekst en vooral met beeld wilde hij sociale verandering bewerkstelligen.

De verslaggever leerde zichzelf fotograferen, wat nog geen sinecure was, want hij was onhandig en veroorzaakte tot twee keer toe brand met zijn flitslicht, destijds een handje exploderend magnesiumpoeder. Maar juist dat flitslicht was nodig, vond Riis, omdat het de dagelijkse realiteit – de troep in de huizen, de door honger getekende gezichten, de smerige, doorgezakte matrassen – dramatisch vergrootte. Riis was een van de eersten die inzag dat fotografie een belangrijk journalistiek wapen kon zijn. En zijn tactiek werkte: het boek inspireerde de jonge politicus Theodore Roosevelt onder meer tot het neerhalen van de verkrotte huurhuizen en het aanleggen van speelplaatsen.

Ik dacht aan Riis bij het zien van een foto die vorige week werd gemaakt in Ahmedabad, India. Het is een foto van Aswathy Jwala, een Indiase activist en oprichter van een stichting die voedsel en onderdak biedt aan daklozen. Jwala legde ruim 2.000 kilometer af vanuit de zuidelijke provincie Kerala om in Ahmedabad te protesteren tegen de haastige bouw van een muur langs een sloppenwijk. Volgens de gemeente had die bouw niets te maken met de autorit die premier Modi een week later met Donald Trump zou maken tijdens het bezoek van de Amerikaanse president aan India, een rit die precies langs de sloppenwijk zou leiden. En ja, misschien was die muur ook alleen maar bedoeld als een welkomstgeste naar de hooggeëerde gast, die zich nu eenmaal prettig lijkt te voelen bij muren – je weet het niet.

Jwala wist beter. Die muur was bedoeld om de sloppenwijk aan het zicht te onttrekken. Ze hing een zelfgeschreven protestbord aan de muur, waarachter het leven in volle gang was, en ging ernaast zitten. ‘Dit is ons India’, stond er in het Engels op het karton, ‘ons echte India. Verberg ons India niet. Probeer het te verbeteren.’ Jwala was van plan een week te blijven zitten, of in elk geval tot de dag waarop Trump en Modi langs zouden rijden. De volgende dag al werd ze door de politie van Ahmedabad verwijderd en op de trein terug naar huis gezet.

Gelukkig hebben we de foto nog. En die, aangeboden door persbureau Getty en overgenomen door verschillende internationale media, waaronder The Washington Post, won in de dagen na Trumps aankomst in India alleen maar aan zeggingskracht. Want wat een contrast vormde deze onverzettelijke vrouw, die er in haar feloranje jurk uitziet als de koningin van de krottenbuurt, met de Amerikaanse president en zijn familieleden, die op de persbeelden uitgebreid poseerden voor de opgepoetste Taj Mahal, zalig onwetend van de beslommeringen van de sloppenwijk in Ahmedabad, of welke sloppenwijk dan ook.

‘Lang geleden’, schreef Jacob Riis in 1890 in de inleiding van zijn boek, ‘werd gezegd dat ‘de ene helft van de wereld niet weet hoe de andere helft leeft’. Dat was toen zo. Ze wist het niet omdat het haar niets kon schelen. De bovenste helft bekommerde zich weinig om de strijd en nog minder om het lot van degenen die zich beneden bevonden, net zolang als nodig was om ze daar te houden en de eigen plek veilig te stellen.’ Maar nu je dat weet, schreef Riis, en nu het probleem aan het licht is gekomen: ‘Wat ga je eraan doen?’

Het zou naïef zijn om te denken dat de foto van Aswathy Jwala verandering teweegbrengt in een wereld waarin inmiddels die ene stinkend rijke 1 procent niet langer weet hoe de andere 99 procent leeft. Toch schuilt er hoop in het beeld. Geen misstand zo ‘onzichtbaar’ en geen muur zo hoog, of de fotografie komt eroverheen om de zaak genadeloos in het flitslicht te zetten.

Bronvermelding

‘Ik kon nou eenmaal nooit zo goed zingen als dat ik mooi ben’

Loïs Lane-zangeres Monique Klemann is 54, volgende week verschijnt haar nieuwe album en nog steeds gaat het altijd over haar uiterlijk. Zelfverzekerder is ze er niet door geworden.

In de ruim bemeten woonkamer van Monique Klemann is exact één ­referentie te vinden aan het vroegere succes: een foto van haar en haar drie jaar ­oudere zus Suzanne, innig verstrengeld in mouwloze leren tops. Het is de albumhoes uit 1993, van de plaat Precious, deels geproduceerd door wereldster Prince. 27 jaar later loopt Monique naar het fornuis om in een gietijzeren pannetje havermelk voor in de koffie op te kloppen. Ze wijst naar de trap. ‘Boven hangen meer foto’s, en een aantal ­gouden platen, maar ik ga mijn huiskamer niet als een soort etalage inrichten, dat vind ik stom.’ Ze is nog net zo knap als toen, nu in figure hugging zwarte wollen jurk met veel gouden sieraden en hoge leren laarzen. 54 inmiddels, en aan de vooravond van het verschijnen van haar tweede soloalbum, Lovers in Motion.

Op 10 oktober is het 35 jaar geleden dat Loïs Lane voor het eerst met Suzanne en jijzelf als zangeressen optrad. Hoe kijk je terug op die tijd? 

‘Het was een korte, intense periode waarin we ineens on top of the world stonden. En iedereen iets van ons wilde. Ik werd daar niet zo gelukkig van.’

Waarom niet? 

‘Omdat ik het gevoel had dat ik er nog niet klaar voor was; ik wilde gewoon goed leren zingen, had nooit gedacht aan iets als ‘een ster worden’. Ik was dus niet voorbereid op al die aandacht. Bovendien kon ik mezelf niet terughoren of -zien. Ik vond dat ik vreselijk klonk of er raar uitzag. Maar het is natuurlijk ook een heel leuke tijd geweest, hè. Lekker met ons bandje toeren, altijd onderweg. De eerste keer samen op televisie in Countdown, met onze debuutsingle Break It Up. Kort daarna een enorme hit met It’s the First Time, die grotendeels door mij was geschreven. En een jaar later waren we ineens de openingsact van Prince.’

Met gevoel voor understatement: ‘Dus dat was wel bijzonder.’

Het leek altijd alsof de buitenwereld jullie samenwerking met Prince spannender vond dan jullie zelf. 

‘Dat is ook zo. Misschien waren we nog te jong om ons goed te realiseren hoe uniek het allemaal was.’

Monique Klemann is 17 als ze een advertentie in de krant leest: ‘Soulband zoekt zangeres’. Zich aanmelden durft ze niet, daarvoor is ze te verlegen. Een vriendin schrijft haar wél in en Klemann komt in contact met Tijn Touber en een groep collegamuzikanten. Kort vormen ze The Pilots, waarna Monique en Tijn, inmiddels ook een stel, in 1984 Loïs Lane oprichten. Klemann is net 18 als ze in een kraakpand bij Touber gaat wonen. ‘Ik weet nog hoe mijn vader me heel lief met mijn koffertje afzette bij dat kraakpand. Mijn ouders zijn keurige mensen en die vonden het idee verschrikkelijk.’

Om haar ‘Minnie Mouse-stem’ heser en interessanter te maken, gaat ze blowen en tequila drinken. De tequila helpt haar bovendien over de podiumvrees heen die haar overvalt bij elk optreden.

Als de band repeteert voor de finale van de Grote Prijs van Nederland en achtergrondzangeres Angela zich plotseling twee weken voor het optreden terugtrekt, zegt de oudste van de zusjes Klemann, Caroline, tegen Suzanne dat zíj dan maar moet invallen, om hun jongste zus te helpen.

Beeld Neeltje de Vries

Kort daarna verongelukt Caroline. Nu ook 35 jaar geleden. 

‘Ze is al tien jaar langer dood dan ze heeft geleefd, ja. Het allerergste dat ons gezin is overkomen. Het voelde destijds als een amputatie, en eigenlijk is dat nog steeds zo.’

Haar dood zorgde ervoor dat Loïs Lane met Suzanne en Monique geen gelegenheidsformatie was, maar in die samenstelling bleef optreden. 

‘Suzanne zou maar een paar keer meedoen, tot we een nieuwe zangeres hadden gevonden. Suus studeerde destijds rechten. Maar alles veranderde toen Caroline wegviel. Het maakte dat Suus en ik ons aan elkaar vastklampten, als een soort tweeling. Het gevoel dat niemand ons meer iets kon maken, omdat het ergste toch al was gebeurd.’

Herinner je je nog hoe jullie het hoorden? 

‘Het ongeluk gebeurde om 4 uur ’s middags. Suus en ik deden een fotoshoot. Omdat ik vaak als model werkte en zo veel van make-up wist, maakte ik Suus op. Precies om 4 uur riep zij ineens: ‘Hé, je verandert in Caroline!’ Pas uren later hoorden we dat ze om die tijd was neergestort. Spooky, wel.’

Ze zat in een helikopter. 

‘Met haar Zwitserse man, die een opleiding deed tot traumahelikopterpiloot. Caroline woonde nog maar kort in Zwitserland, had haar draai er nog niet helemaal gevonden, dus ze was op dat moment ook nog niet echt gelukkig. Ze kwamen in een orkaan terecht, die de staart van de helikopter sloeg. Daarna stortten ze neer, in een weiland bij Basel. Een mokerslag.’

Went het gemis? 

‘Eigenlijk niet. Ze is nog altijd in mijn hoofd, en in gedachten vraag ik nog vaak om haar mening. Ze was heel lief en zacht, totaal anders dan de rebelse Suus. Voor mij was dat belangrijk: ze ging ook heel lief met mijn faalangst om.’

Ze staat op, haalt de schaal chocoladekoekjes. ‘Eigenlijk ben ik me altijd bewust van het verlies. Mijn dochter Merel reist nu door Mexico en ik probeer haar echt niet te veel op te zadelen met mijn trauma, maar het schiet voortdurend door mijn hoofd: een ongeluk is zó gebeurd. Daar kom je nooit meer vanaf, denk ik.’

Caroline was ook zo knap, vertelde Suzanne: ‘Als we met z’n drieën door de Kalverstraat liepen, viel de ene helft van de straat flauw vanwege Caroline, en de andere helft als ze Mo zagen.’ 

Geamuseerd: ‘Suus kan het allemaal zo mooi vertellen, hè? Zij was de middelste, en altijd alles aan het observeren.’

En kende geen jaloezie. 

‘Nee! Suus is altijd de tomboy van de familie geweest, die ging met mijn vader kratten sjouwen, de auto wassen, fietsen repareren.’

Beeld Neeltje de Vries

Caroline was vijf jaar ouder dan jij, dus je kon aan haar zien wat het betekende om zo mooi te zijn. 

‘Het begon toen ze 14, 15 jaar was. Iedereen keek naar haar. Ik herinner me dat ik dat wel geweldig vond, hoe zij werd bewonderd.’

Suzanne zei ook dat zo knap zijn jullie op een bepaalde manier isoleerde: ‘Meisjes trokken het niet om met hen bevriend te zijn. Caroline had maar één beste vriendin, en Mo had vroeger nooit beste vriendinnen. Toen ze die later alsnog kreeg, Minka, ging ik ermee vandoor.’ Minka is al dertig jaar de partner van Suzanne. 

‘Zo erg als Suus het schetst, heb ik het niet ervaren. Al was het wel zo dat sommige meiden niet met mij wilden omgaan. Ik heb altijd moeite gedaan me zo bescheiden mogelijk op te stellen. Ik droeg mijn haar kort, zette een grote bril op. Toch voelde ik me soms buitengesloten, al moet je dat niet dramatiseren. Over het algemeen heeft mijn uiterlijk me vooral veel gebracht.’

Hoe is het om je hele leven te worden aangesproken op hoe je eruit ziet? 

‘Ik vond de aandacht prettig, maar ook lastig. Zeker toen we muziek gingen maken en ik nogal principieel was. Ik vond het irritant dat we op ons uiterlijk werden beoordeeld en veel minder op de muziek. Ik wás tenslotte al model geweest, nu wilde ik dat er naar me werd geluisterd. Modellenwerk had ik puur voor het geld gedaan, maar muziek voelde als een roeping.’

‘Monique ís muziek’, zei Suzanne. Jij komt volgende week met een nieuw album, terwijl zij niet eens zou overwegen solo muziek te maken. 

‘Zij is er veel minder mee bezig, terwijl het voor mij voelt als iets dat ik móét doen. Ik zou echt heel sikkeneurig worden als ik niet meer kan optreden.’

‘Die leuke en die mooie’ werd er vaak over Loïs Lane gezegd. 

‘En dan dacht ik: hé, hallo, ik ben óók leuk, hoor! Maar ja, ik kon nou eenmaal nooit zo goed zingen als dat ik mooi ben. Dus daarmee moet je gewoon dealen. Soms denk ik: kan mij het schelen. Maar een andere keer is het: verdomme. Ik ken trouwens niemand die mooi is en dat ook echt van zichzelf víndt.’

Dus is dat uiterlijk een vloek of een zegen? 

‘Het had wel iets minder gemogen. Misschien hadden mensen dan beter naar mijn zang geluisterd. Of was ik zekerder van mezelf geweest.’

Dat klinkt tegenstrijdig: onzeker worden omdat je zo knap bent. 

‘Als je altijd wordt aangesproken op je uiterlijk, wordt het voor jezelf ook een ding. Omdat ik eigenlijk alleen maar kan tegenvallen. Snap je? Wat betreft karakter, humor, whatever I do. Misschien ben ik daarom zo streng voor mezelf geworden. Suus was altijd lekker los met het publiek, strak tijdens televisie-interviews; ze zei precies de goede dingen. En dan stond ik achter haar te muizen. Trillend als een riet, met die enorme barrière van onzekerheid. Bang dat mensen je dom, stom, slecht vinden. En misschien vonden ze dat ook wel. Maar ja, dat is dan pech: ik kán niets anders.’

Volgens jouw man Jeroen en Suus zeg je dat vaak: ­muziek maken is het enige dat ik kan. 

‘Nou ja, dat is ook wel een beetje zo. Ik heb de havo gedaan en daarna ben ik muziek gaan maken. Het lijkt me ook best leuk om huizen van mensen te stylen, maar dat vindt tegenwoordig iedereen leuk. Dus waarom zouden ze mij daarvoor vragen, op m’n 54ste?’

De grootste successen heeft Loïs Lane tussen 1988 en 1995, de hoogtijdagen van de platenindustrie, als mensen nog massaal cd’s kopen. In 1990 zijn de zussen bovendien de openingsact van Prince, tijdens zijn Europese Nude-tour. De wereldster ligt in zijn hotelkamer te zappen als hij hun videoclip op muziekzender MTV voorbij ziet komen en in de twee half-Indische zusjes ideale vervangers van het duo Wendy & Lisa ziet, op wie hij uitgekeken is ­geraakt. Na de tour vliegen ze meermaals naar Minnea­polis om in de ­studio van Prince door hem geschreven nummers op te nemen.

In 1995 krijgt Loïs Lane een invalmuzikant uit een hard­corebandje, Jeroen den Hengst. Nog geen jaar later verwachten Monique en hij hun eerste kind en last Loïs Lane een rustpauze in.

Beeld Neeltje de Vries

In de jaren daarna nam jullie succes af. Ging dat sneller dan jullie hadden gedacht? 

‘Achteraf bezien wel, ja. ­Precious, de compromisplaat die we met Prince maakten, sloeg niet erg aan, en een paar jaar later kwamen we erachter dat onze toenmalige manager er financieel een puinhoop van had gemaakt. We zijn gered door onze tour­manager, die veel optredens regelde, waardoor we onze schulden zo veel mogelijk konden aflossen. In 2000 maakten we een album met Andy White, bekend van Simply Red en Annie Lennox.’ Grote grijns: ‘Wij vonden de single Whatever You May Know fantastisch, maar de dj’s en het grote publiek niet. Daarna hebben we nog wel wat bescheiden hitjes gehad, maar onze populariteit was duidelijk gedoofd. Dat is nou eenmaal het risico van het vak, en gelukkig zijn we toch gewoon blijven maken wat we zelf mooi vonden.’

Nog steeds treden de zusjes Klemann bijna wekelijks op, tegenwoordig vooral als ‘Loïs Lane goes Abba’, tijdens feesten en partijen. In 2006 verscheen Moniques eerste solo­album On Patrol, volgende week is de albumrelease van haar tweede soloproject: Lovers in Motion, geproduceerd door JB Meijers (o.m. The Common Linnets).

Inmiddels ben je muzikant in tijden van Spotify en ­andere streamingdiensten. 

‘Het voordeel van Spotify is dat je door al die afspeellijsten ook kunt terechtkomen bij mensen die anders misschien niet naar jouw muziek hadden geluisterd. Verder is muziek maken een soort chique hobby geworden. Vroeger verdiende je aan het uitbrengen van platen, tegenwoordig moet het komen van optredens en streams. Maar ja, dat moeten er dan wel veel zijn. Mijn uitvoering van het nummer I’m Not in Love heeft er bijna twee miljoen, daarvoor krijgt de platenmaatschappij hooguit een paar duizend euro.’

Zijn jullie er destijds rijk van geworden? 

‘Nee. In de tijd dat we veel verdienden, hebben we ook alles weer geïnvesteerd. We hadden een prachtig pand in Baarn, voor ons management, met een secretaresse en auto’s. We investeerden ook zelf in video’s en opnamen, omdat we de controle wilden houden. Allemaal lekker idealistisch, maar ook een beetje dom. We wilden onze ziel niet aan de platenmaatschappij verkopen, maar het had ook en/en gekund. Zo van: geef me geld en intussen doe ik toch lekker wat ik wil!’

Jullie manager was een goede vriend. 

‘Een student belastingrecht die het ook allemaal voor het eerst deed. En wij legden alles volledig in zijn handen. Tja.’

Je geeft zangles en jullie trekken het land door voor ­bedrijfsfeesten. ‘Zoiets als pop royalty bestaat hier niet’, zei je toen we elkaar eerder spraken. 

‘Nee, je kunt in ­Nederland geen leven lang teren op de successen die zijn geweest. En dat hoeft ook niet. Suus en ik scheppen er genoegen in om sfeer te maken tijdens die bedrijfsfeestjes. Vaak zijn het toch mensen die zo’n avond als een verplicht nummertje zien, waarop ze ineens met collega’s moeten dansen. Dan zorgen wij dat het alsnog ontspannen wordt. Maar goed, soms is zo’n partycentrum diep in het land wel even slikken, al hebben ze er in elk geval betere kleed­kamers dan de restaurants waar we ons regelmatig tussen de vuile schorten moeten omkleden.’

Maar toch: dat jullie de bedrijfsfeesten in partycentra nog af moeten, terwijl Loïs Lane zo veel succes heeft gehad en toerde met Prince. 

‘Toch voel ik me er niet te goed voor. Ik zie het ook als ambachtelijk werk: je bent entertainer en dus treed je op als mensen geëntertaind willen worden. Dat is gewoon de manier waarop je als artiest ­tegenwoordig je geld verdient. Tenzij je Anouk bent en ­genoeg hebt aan een paar keer per jaar de grote stadions uitverkopen. Ik ben er niet bitter over. Integendeel. Het is gewoon de realiteit.’

Jouw platenmaatschappij Zip Records, waar ook jouw man Jeroen werkt, tekent vooral muzikanten die niet meer piepjong zijn: Alain Clark, Thomas Acda, Birgit Schuurman, Jelka van Houten. 

‘Andere labels lijken zich niet meer te wagen aan oudere artiesten. Ze vragen zich af of een ouder publiek naar Spotify luistert. Maar ook voor Zip Records is het een risico om te investeren in een zangeres als ik, die bij het jonge publiek niet meer bekend is. Daarbij is er zo veel aanbod. Je moet zo’n beetje over beffen zingen, wil je nog aandacht krijgen.’ Opgetrokken wenkbrauw: ‘Ik weet niet of ik dat nou zo’n positieve ontwikkeling vind. Daarbij: demografisch gezien zijn er steeds meer mensen van mijn leeftijd, waarom verandert de business dan niet mee?’

Jullie hadden rijk kunnen worden als je volledig in zee was gegaan met Prince. Maar dat kon jij ‘niet over je artistieke hart’ verkrijgen, vertelde Suzanne. 

‘Ons album Precious was bijna af toen we met hem gingen werken, dus dan zouden we het roer volledig hebben moeten omgooien.’

Om samen te werken met een wereldster… 

‘Maar de nummers waarmee hij kwam, vond ik gewoon niet heel goed. Sex en Qualified hadden gewoon he-le-maal niets te maken met waarmee wij bezig waren. Daarbij: ik zag al voor me hoe ik zou worden omgetoverd tot een Vanity 6-achtige sekspoes; zo ver heb ik het niet laten komen.’

Wat bezielde ons om dat af te wijzen, denkt Suzanne nu nog weleens. 

‘Ik begrijp die keus nog steeds heel goed. Het is alleen jammer dat ik niet het lef had te zeggen dat hij voor ons liedjes moest maken zoals hij voor The Bangles deed met Manic Monday, en voor Sinéad O’Connor met Nothing Compares 2U.’

Beeld Neeltje de Vries

Schrok je toen hij overleed? 

‘Ontzettend. Ook omdat het zo’n verdrietig einde was. Ik had geen idee dat hij zo veel medicijnen gebruikte. Vond ik eigenlijk ook niet bij hem passen. Hij was heel Amerikaans: tegen drank, roken en heel erg in de Heer. Soms bestelde hij een glas Baileys, dat-ie vervolgens liet staan.’

Jullie hebben zes weken met hem door Europa getoerd, stonden in een volle Wembley Arena. Wat herinner je je van het contact met hem? 

‘Het was me meteen duidelijk dat hij veel behoefte had aan kleine huiselijke gezelligheid. We zagen elkaar die zes weken bijna dagelijks en childen veel in zijn suite. Hij was gek op spelletjes, vooral verstoppertje. Ik weet nog hoe ik hem een keer moest verstoppen in een kast om vervolgens Suus naar mijn kamer te laten komen en haar enorm te laten schrikken door die kastdeur te openen. Maar ik had daar naar zijn zin te lang over gedaan, waardoor hij vijf minuten opgesloten zat in die kast. Daar kon hij dan ineens weer heel kribbig over doen. En al bij een van de eerste keren dat we elkaar ontmoetten, vroeg hij of hij mijn haar mocht borstelen.’

If I was your girlfriend/ Would you let me wash your hair?/ Could I make you breakfast sometime?’ 

‘Dat nummer was toen al uit en daaraan moest ik natuurlijk ook meteen denken.’

Maakte hij weleens avances? 

‘Hij zei altijd dat hij zo graag wilde trouwen en kinderen krijgen en op zoek was naar de ware.’ Luide lach: ‘Maar hij zei er nooit specifiek bij dat dat met een van ons was. Bijna elke dag lag er een lief briefje klaar in de kleedkamer, om ons succes te wensen met de show. ‘You scream girl!’, stond er dan bijvoorbeeld op. En ik heb zelf eens een gedicht in het Frans voor hem geschreven dat hij vervolgens die avond tijdens een van z’n lange piano-intro’s oplas. Dat liet hij ons later weer horen, omdat hij elke show opnam en vervolgens nog helemaal naluisterde op een datrecorder.’

Perfectionistisch. 

‘En tegelijkertijd dodelijk onzeker, dus wilde hij zijn shows altijd nabespreken: wat er niet goed genoeg was gegaan, waar anderen beter hadden gekund. Op die momenten kon hij keihard zijn tegen zijn muzikanten. En tijdens die tour alleen al stuurde hij drie privékoks naar huis. Hij kon ontzettend grappig en gezellig zijn, maar wel altijd op zíjn voorwaarden.’

Even later: ‘Hij is ook nog bij mij thuis geweest, in het appartement dat ik destijds had. Het eerste wat hij deed was door mijn platencollectie gaan. Miles Davis stond erbij, Average White Band, Billie Holiday, Todd Rundgren. Hij complimenteerde me met mijn smaak. En midden in de nacht heb ik hem fietsend een stukje door Amsterdam ­gereden, hij achterop met die hoge hakken. Niet heel ver, omdat hij het doodeng vond. In de Helmersbuurt stond ­intussen urenlang een enorme limousine op hem te wachten – dat zou nu nooit meer onopgemerkt kunnen.’

Haar moeder is Indisch, werd geboren op Surabaya, waar haar vader tijdens de Tweede Wereldoorlog als krijgsgevangene dwangarbeid aan de Birmaspoorlijn moest verrichten. Uiteindelijk vluchtte het gezin van het eiland, dat letterlijk in brand stond. Klemann: ‘Zoals zo veel Indische mensen droeg ook de familie van mijn moeder hun lot zonder erover te praten. Mijn vader is juist weer een ras-Amsterdammer, maar ook een oorlogskind, geboren in 1933. Allebei hebben ze nooit willen oprakelen wat ze destijds écht hebben meegemaakt.’

Tien jaar geleden ontstond bij haar vader na een hersenbloeding totale afasie, waardoor hij niet meer kan praten, schrijven en grotendeels doof is. Terwijl ze opnieuw in het pannetje havermelk roert: ‘Hij is een gevangene in zijn eigen lichaam. En dat terwijl hij altijd heeft gezegd: ‘Als ik zo moet leven, maak er dan maar een eind aan.’ Maar in de praktijk doe je dat dus niet…’

‘Wij zitten altijd met z’n allen bovenop elkaar’, vertelde Suzanne. ‘We vieren met al onze gezinnen samen kerst, gaan met z’n allen op vakantie en dan slepen we mijn vader natuurlijk ook mee, in de hoop dat hij dingen meemaakt waarvan zijn hart weer even sneller gaat kloppen.’

Je werkt al 35 jaar samen met je zus, die ook je beste vriendin is. Zoals je nu 25 jaar samen bent en werkt met je man. Jullie zoon woont boven jullie, samen met z’n vriendin… 

‘In een huis dat we al 25 jaar hebben. Wat zou de psychiater daarvan zeggen, denk je?’

Beeld Neeltje de Vries

In elk geval dat je hecht aan vertrouwdheid. 

‘Dat is zo. Maar ik zou inmiddels ook op eigen benen moeten ­kunnen staan, hè?’

Suzanne is al dertig jaar samen met haar partner, jij 25. Jullie hebben allebei weleens verteld dat je een vrije relatie hebt. Is dat het geheim? 

‘Nou ja, vooral dat je elkaar alles moet gunnen. Door elkaar als individuen te blijven zien. Het is echt weleens moeilijk om níét aan die ander te trekken, omdat je diegene bij je wilt houden, maar het ­directe gevolg daarvan is dat hij of zij zich benauwd voelt. En dat schaadt de liefde, daar ben ik van overtuigd.’

‘Ons uitgangspunt is: don’t ask, don’t tell’, zei Jeroen. 

‘Echte afspraken hebben we niet. Zodra er gevoel bij komt kijken, moet je gaan oppassen. Maar verder heeft iedereen recht op z’n privéleven. Als je lang samen bent, kun je anders elkaars persoonlijke groei in de weg zitten. Dus ik vind dat wij het goed hebben gedaan: een innige vriendschap, twee kinderen, zelden ruzie. De liefde duurt een liefde lang – je hebt nooit helemaal zelf voor ’t zeggen wanneer het eindigt. En intussen moet je gewoon niet te tuttig doen.’

Ze schuift haar laptop over tafel, laat haar net opgenomen videoclip zien, van Running Up a River. Als die is afgelopen: ‘Het heeft lang geduurd voordat ik mezelf een compliment kon geven, maar ik geloof dat deze plaat echt wel goed is gelukt.’

Ben je altijd zo kritisch op jezelf geweest? 

‘Het is vooral enorme faalangst, denk ik. Dat was vroeger op school al zo. Een complete freeze als ik examens moest afleggen. Misschien heb ik een soort dysmorphia, als dat al zo heet: dat je niets goed vindt van jezelf.’

Tegelijkertijd herstart je binnenkort je modellencarrière en sta je nog steeds graag op het podium. 

‘Als ik ergens trots op ben, is het dat: ik heb mezelf een schop gegeven en ben het allemaal wél gaan doen. Intussen ben je voortdurend op zoek naar het moment waarop je ook zelf vindt dat je iets kunt. Misschien heb ik dat punt met dit album bereikt. Die twijfel is ook brandstof voor me geweest. Het heeft ervoor gezorgd dat ik altijd ben doorgegaan – net ­zolang tot je jezelf goed genoeg vindt, en niet meer ­onzeker hoeft te zijn.’

CV Monique Klemann

1965 18 september geboren in Amsterdam

1983 Havo afgerond, start modellencarrière

1984 Richt met Tijn Touber Loïs Lane op

1985 Zus Suzanne gaat ook in Loïs Lane

1988 Hit met titelsong Amsterdamned

1989 Debuutalbum wordt nummer 1 in Album Top 100. Loïs Lane wint Zilveren Harp

1990 Loïs Lane is openingsact van Europese tour Prince

1992 Album Precious, deels geproduceerd door Prince

1995 Met nieuwe bandleden album Fireflight, o.m. hit Tonight

2005 Rol in misdaadserie Parels en zwijnen

2006 Soloalbum On Patrol

2013 Loïs Lane-album As One

2014 Beste Zangers van Nederland

2020 Soloalbum Lovers in Motion, theatertour met Nederpop All Stars-band en 35-jarig bestaan Loïs Lane

Monique Klemann heeft een relatie met muzikant en sinoloog Jeroen den Hengst. Samen hebben ze twee kinderen: Merel (23) en Marius (19).

Bronvermelding

Ademloos luisteren naar de enige man die Matthijs van Nieuwkerk kon laten zwijgen

Hugo Blom leidt u door de wereld van het luisterboek. Pjotr van Lenteren doet dat volgende week over jeugdboeken, Rob van Scheers praat u daarna bij over thrillers.Beeld Sabine Van Wechem

Er is altijd een docent die de kunst verstaat alle boeken terzijde te leggen en uit het blote hoofd een lokaal vol zwetende, wanhopig naar elkaar of de bel verlangende pubers urenlang geboeid te houden. Dat kan alleen met een goed verhaal. In mijn geval was het dhr. Steenstra, Zeus of Jupiter hebbe zijn ziel, die weliswaar altijd een mooie gebonden uitgave van de Ilias in zijn hand had, en daar ook wel uit las, maar meestal na een zin of drie het boek liet zakken om de rest van het verhaal plus alle noodzakelijke context zelf te vertellen. Is daar ook iets van blijven hangen, meneer Blom? Jazeker, een voorliefde voor vertellers, en zo zijn we meteen bij het onderwerp van vandaag. 

Want eerder was ik al voor u op zoek naar een voorgelezen versie van De Bourgondiërs, waarmee de Vlaamse auteur én conferencier Bart Van Loo furore maakte en dat ongeveer een jaar geleden verscheen. Zonder luisterversie, wat merkwaardig was, want Van Loo, ook wel de enige man die Matthijs van Nieuwkerk kon laten zwijgen, is een Verteller. Ja, met een kapitaal, al zal iedereen die hem in DWDD college heeft zien geven over het Franse chanson, zeggen dat die nadruk overbodig is. Daarom is er natuurlijk ook geen voorgelezen uitgave van De Bourgondiërs, er is namelijk iets veel beters: een podcast. Uitgebracht door Klara, de klassieke en culturele radiozender van de VRT. In acht afleveringen van in totaal elf uur vertelt Van Loo zijn eigen boek na. Als om hem af en toe een adempauze te gunnen, worden zijn verhalen afgewisseld met werken uit de Vlaamse muziek van de 15de en 16de eeuw. Dat had van mij dan weer niet gehoeven, maar misschien moest dat wel van de Vlaamse mediawet. 

Beeld De Bezige Bij

Veel liever luister ik naar de begeesterde Van Loo, die de luisteraar bij zijn nekvel grijpt, hem midden op het slagveld van de Honderdjarige Oorlog neerzet en mooie parallellen met het heden trekt, maar vooral vertelt, vertelt, vertelt. Met een grote liefde voor geschiedenis, getuige de herinnering hoe hij als jonge lezer werd gegrepen door Thea Beckmans trilogie over de Honderdjarige Oorlog (niet als luisterboek verkrijgbaar). Met een grote liefde voor het woord – Van Loo studeerde Romaanse filologie – die doorsijpelt in de etymologische uitstapjes die hij zichzelf toestaat. Met een stem die niet alleen Van Nieuwkerk deed zwijgen, maar ook uw boekenluisteraar ademloos in zijn al uren geparkeerde auto liet zitten.

Hillary MantelBeeld Fourth Estate

Ik stapte uit omdat er nieuws is. Precies een jaar geleden schreef ik dat het nog steeds wachten was op deel 3 van Hilary Mantels trilogie over Thomas Cromwell. Dat wachten begon in 2012 en is nu voorbij, want Mantel is klaar, en de Engelse drukker ook. The Mirror and the Light is af en verschenen. Op de Nederlandse vertaling zullen we nog tot 30 april moeten wachten, maar hé, wij zijn de boekenluisteraars en het Engelse luisterboek is gelijktijdig uitgebracht. Een gratis voorproefje van 20 minuten is te horen bij The Guardian, maar u kunt natuurlijk ook meteen door naar de volledige versie van 40 uur (!), gelezen door Ben Miles. Acteur Miles speelde de rol van Cromwell in de toneelversies van Wolf Hall en Bring Up the Bodies uit de trilogie door The Royal Shakespeare Company. Een stem waarop helemaal niets is aan te merken, prettig donker en accentloos, maar die ook niet veel teweegbrengt. Misschien komt het wel doordat ik van het ene verhaal naar het andere schakelde, en moet je bij luisterboeken wat lucht tussen de titels laten en niet van het ene meesterwerk in het andere stappen. We hebben tenslotte acht jaar op dit boek moeten wachten, daar kan nog wel een dag bij.

Bronvermelding

Vrijheid en gelijkheid in de bestsellerlijsten van deze week

Beeld De Geus

Vrijheid, gelijkheid, broederschap – daar gaat het deze week over in de bestsellerlijsten. In Mens/onmens (op 4 in de Volkskrant Toptien, op 23 in de CPNB Bestseller 60) beschrijft essayist Bas Heijne de westerse wereld als een wereld in de war, waarin emoties voorop staan, objectieve waarheid niet meer van belang is en we niet meer weten hoe samen te leven. Een hernieuwde waardering van de traditionele Verlichtingsidealen is volgens Heijne de oplossing – in elk geval voor het kwijnende liberalisme.

Liberalisme? Participatief socialisme zul je bedoelen! Aldus econoom Thomas Piketty. Zijn nieuwste baksteen Kapitaal en ideologie (1.136 pagina’s, op 51 in de Top 60) richt zich op gelijkheid, of eigenlijk: het ontbreken daarvan. Aan de hand van een analyse van ‘ongelijkheidsregimes’ vanaf de Middeleeuwen tot nu stelt hij dat ongelijkheid ingebakken zit in de structuren van het moderne kapitalisme, en stelt hij een nieuwe maatschappijvorm voor.

Maar terwijl Piketty vergaande gelijkheid bepleit, betoogt rechtsfilosoof Andreas Kinneging in De onzichtbare maat (op 10 in de Volkskrant Toptien, op 36 in de Top 60) juist dat gelijkheidsdrang uiteindelijk leidt tot een centralistische tirannie. Kinneging moet overigens ook niets hebben van ‘vrijheidsfundamentalisme’, want dat culmineert dan weer in anarchie. De Verlichting met haar streven naar vrijheid en gelijkheid heeft er volgens hem bovendien voor gezorgd dat het individu geen grenzen meer heeft, en daardoor alleen nog bezig is zijn of haar verlangens te bevredigen.

Wie er gelijk heeft, is nog maar de vraag. Daar kunnen verkoopcijfers niks over zeggen.

De Volkskrant Boekenraad Toptien

1. Lucinda Riley: Zon; Xander Uitgevers

2. Jeroen Brouwers: Cliënt E. Busken; Atlas Contact

3. Jan Terlouw: Koning van Katoren

4. Bas Heijne: Mens/Onmens; Prometheus

5. Rutger Bregman: De meeste mensen deugen; De Correspondent

6. Yuval Noah Harari: 21 lessen van de 21ste eeuw; Thomas Rap

7. Andy Griffiths en Terry Denton: De waanzinnige boomhut van 117 verdiepingen; Lannoo

8. Pascal Mercier: Het gewicht van de woorden; Wereldbibliotheek

9. Yuval Noah Harari: Sapiens; Thomas Rap

10. Andreas Kinneging: De onzichtbare maat; Prometheus

De boekentip van

Leo van de Wetering (Donner): Henk Oosterling, Verzet in ecopanische tijden (Uitgeverij Lontano)

Beeld Uitgeverij Lontano

Voor wie zich zorgen maakt om milieu en klimaat, maar in de kakofonie van feiten en meningen zoekt naar een meer omvattend begrip van wat er aan de hand is in de wereld, kan terecht bij ‘doendenker’ Henk Oosterling. Zijn onlangs verschenen boek biedt de lezer die niet opziet tegen wat filosofische krachttermen een weg ‘van ego-emancipatie naar eco-emancipatie’. En zoals in al het werk van deze Rotterdamse filosoof, is zijn inzet ook hier even lokaal als hemelbestormend van aard. Microkeuzes worden moeiteloos verbonden met grote gemeenschappelijke belangen. Oosterling overziet, hartstochtelijk schrijvend, het huidige discours en spoort aan op gerichte wijze in verzet te komen.

Met dank aan: Gianotten Mutsaers Tilburg, Van Someren & Ten Bosch Zutphen, Van der Velde Leeuwarden, De Tribune Maastricht, De Bilthovense Boekhandel, Kooyker Leiden, Donner Rotterdam, Boekhandel Plukker Schagen, Over het Water Amsterdam

Bronvermelding

In Breitners schilderijen komt de wind in opstand

Je ziet het pas goed van dichtbij. Wieteke van Zeil over opmerkelijke en veelbetekenende bijzaken in de beeldende kunst. Deze week: wind.

Het waait nogal buiten, nu ik dit schrijf. Ik werd vanochtend bijna even opgetild van de aarde. En het waait in het museum waar ik gisteren was. Een deel van de tentoonstelling Breitner vs Israels in Den Haag zou ook een andere titel kunnen hebben: geschilderde wind. 

Er is geen schilder in modern Nederland die de wind zo goed heeft gevangen als George Hendrik Breitner. En Isaac Israels ook, nu ik het zie. Bij Breitner kunnen de hoeden zo afvliegen, wapperen de rokken horizontaal, moeten dienstmeisjes hun schort vasthouden. Bij Israels verdwijnen meisjes achter de haren die hen in het gezicht zwiepen.

Waaiend Holland is hier gevangen in verf, en iedereen kan er zich wat bij voorstellen. Ik vraag me af of er mensen in dit land bestaan die nooit langs een weiland of over een dijk hebben gefietst met weerstand alsof je de Mont Ventoux beklimt, alleen maar door de wind. Holland is kijken tot in de verte, en toch niet vooruitkomen. Holland is nooit hoeden kopen, want ze waaien toch af. Holland is hangen op de wind met je armen gespreid, op het strand.

Wat ik niet had verwacht, waren deze bijna abstracte details van wind. Ik weet niet wat er precies is geschilderd, maar het waait. Mijn dochter en ik hebben er samen naar gekeken, de slierten en slingers van verf in dit schilderij. Bij de een wist ze zeker dat het een vogel was, bij deze sliert dacht ik aan een vaandel of doek op het bouwterrein, zij dacht dat het rook is, of gewoon lucht. Misschien is het ook wel niks, alleen de indruk van wind. 

Onder de lange sliert lichtblauw – je zíét Breitner razen met zijn kwast, toch? – zit nog een onbestemde krul, in lichtbruin. Die vind ik eigenlijk nog mooier, want daaraan zag ik dat het hard waaide (mijn Amsterdamse oma zei vroeger: woei), nog voordat ik de titel van het schilderij had gelezen. Er dwarrelt en cirkelt hier zand op, een agressieve vlaag wind. Alsof de lucht zelf in opstand is gekomen. Eronder staan twee donkere dingen, die als je wilt mensen zijn.

Het zal vroeg in het voorjaar van 1891 zijn geweest toen Breitner dit bouwterrein schilderde. De 10-jarige prinses Wilhelmina legde hier op 28 mei de eerste steen van wat het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam zou worden, maar zo te zien is die nog niet gelegd. Voorjaarsstorm dus.

Ik houd echt van de mensen van Breitner; ze zetten een prachtig, stijlvol Nederland van eind 19de eeuw neer, maar in dit werk is hun afwezigheid de kracht. Zo’n bouwterrein waarop je vroeger speelde, zoals je ziet in een zich steeds ontwikkelende stad. Stukjes stad die aan het ontstaan zijn, waar mensen gaan wonen en sterven, een deel van het mierennest waartoe we behoren, dat nog open ruimte is. Alles wat mensen maken, de vooruitgang, vond Breitner interessant. Juist daarom vind ik het mooi dat hij stiekem de hoofdrol geeft aan iets waarop we geen grip hebben: die machtige, onzichtbare Hollandse wind.

George Hendrik Breitner

Bouwterrein bij storm / het bouwterrein van het Wilhelmina Gasthuis

1891

Olieverf op doek

91 x 121,5 cm

Kunstmuseum Den Haag. Te zien aldaar t/m 10 mei in de tentoonstelling Breitner vs Israels – vrienden en rivalen.

George Hendrik Breitner, De stormhoogte.Beeld Kunstmuseum Den Haag.

Bronvermelding

De Engelse Max Havelaar toont Multatuli’s vulkanische temperament

VS, 2019. Omslagillustratie Raden Saleh Sarief Bastaman.Beeld Multatulimuseum / Studio V

Wordt hij nog wel gelezen? Is zijn boodschap niet passé? En was hij wel antikoloniaal genoeg? Vragen genoeg, vorige week bij de opening van het Multatuli-jaar, de herdenking van de 200ste geboortedag van de schrijver die op 2 maart 1820 als Eduard Douwes Dekker werd geboren.

Wat mag meetellen in de evaluatie (recente Volkskrant-koppen: ‘Multatuli is actueler dan ooit’ versus ‘Max Havelaar brengt ons niet verder’): in het buitenland kan de schrijver niet stuk.

Op de eerste Engelse editie van Max Havelaar uit 1868 volgden minstens 34 vertalingen (de tellingen lopen uiteen), in ruim tachtig edities. Dat is minder dan Het achterhuis, maar toch meer dan bijvoorbeeld Herman Kochs internationale klapper Het diner (2009), zeker als je het aantal dubbele vertalingen van Max Havelaar meetelt: alleen al in Duitsland verschenen er sinds Karl Mischkes pionierswerk in 1900 nog zes alternatieve versies.

Sovjet-Unie, 1927.Beeld Multatulimuseum / Studio V

Wie tegensputtert dat Douwes Dekker er ook wel lekker lang over heeft kunnen doen (Max Havelaar gaat zijn 160ste jaar in), ziet over het hoofd dat het aantal vertalingen nog altijd groeit.

Het Multatuli-museum in de Amsterdamse Korsjespoortsteeg kon het afgelopen decennium vertalingen uit het Turks (2017), Arabisch (2017), Grieks (2018) en Portugees/Braziliaans (2019) aan zijn collectie toevoegen, naast de oudere versies uit het Russisch (‘Maks Chavelaar’), Chinees, Japans, Koreaans, Vietnamees, Urdu, Armeens, Litouws, Estisch, Servo-Kroatisch, Sloveens, Slowaaks, Sardisch enzovoorts.

Turkije, 2015.Beeld Multatulimuseum / Studio V

De jongste aanwinst, Max Havelaar – Or, the Coffee Auctions of the Dutch Trading Company (2019) van de vertalers David McKay en Ina Rilke, heeft meteen ook het mooiste omslag, passend bij Eduard Douwes Dekkers vulkanische temperament.

Afgebeeld is de vulkaan Merapi in Midden-Java door Raden Saleh Sarief Bastaman (1811-1880), een Javaanse schilder die in Nederland studeerde bij Cornelis Kruseman en Andreas Schelfhout.

Saleh Sarief Bastaman schilderde de grote Merapi-eruptie van 1865, acht jaar na Douwes Dekkers onfortuinlijke avontuur op Java als assistent-resident van Lebak. Intussen blijft de Merapi onverminderd gevaarlijk. Bij de laatste uitbarsting in 2010 verloren meer dan driehonderd Javanen het leven.

Brazilië, 2019.Beeld Multatulimuseum / Nederlands Letterenfonds / Studio V

Multatuli: Max Havelaar – Or, the Coffee Auctions of the Dutch Trading Company

Omslagillustratie Raden Saleh Sarief Bastaman. NYRB Classics; ca. € 15.

Bronvermelding

‘Ga nou eens schrijven!’ schreeuw ik weleens naar mijn eigen, wanhopige spiegelbeeld

Laatst stond ik op een feestje met Peter Buwalda te praten, en ik weet niet of hij het leuk vindt om hier sprekend te worden opgevoerd – voor hoofdredacteur Pieter Klok geldt straks overigens hetzelfde – maar we hadden het over sport en als ik het me goed herinner zei hij dat schrijven best vergelijkbaar was met sport. Soms kun je bijvoorbeeld echt in vorm zijn, zei hij, waarna hij vervolgde: En soms helemaal niet.

Bij een kopje gemberthee vertelde Pieter Klok me enige tijd geleden over zijn favoriete eredivisieclub. Er was daar een speler teruggekeerd in het team, een oude held, na langdurig blessureleed. Het viel erg tegen, de speler raakte geen bal, het publiek begon te morren, maar de trainer bleef hem opstellen, net zo lang tot hij zijn vorm hervond en het vertrouwen van de trainer met een fantastisch seizoen beloonde.

Je moet mensen vertrouwen geven, zei hij. Dan komen ze tot hun recht. Het was een van de vele levenslessen die je op de sportvelden wekelijks voor je ogen werkelijkheid zag worden, praktijk. Mij was overigens ook iets van dat vertrouwen gegund, en ik nam dat gretig aan, want in mijn fantasie was ik mijn hele leven al een voetballer in hart en nieren, een vaste waarde in het eerste van FC Emmen.

Ik weet kortom hoe het werkt. Schrijven is net als voetballen zelfvertrouwen. Voetballers en schrijvers worden weleens als prinsjes gezien, als diva’s soms, hengelend naar aandacht, maar geef ze hun tweewekelijkse aai over de bol – klasse jongen, goed gewerkt – en ze vreten het gras en het papier voor je op, zonder verder te janken.

In een mooi interview in de Volkskrant zei zanger Raymond van het Groenewoud kortgeleden: ‘Ik lees graag over topsporters, met name voetballers. Voor hen is het de gewoonste zaak van de wereld, na de training is het thuiszitten met vrouw en kind. (…) Voor een topprestatie is rust essentieel. En het is lullig om te zeggen, maar in mijn wereld is dat in wezen hetzelfde.’

Lullig? Slim, eerder. Verstandig. Zelf vaar ik blind op sportpsychologie. Don’t try hard, try easy, bijvoorbeeld, bij kramp en verbetenheid. Geen frivoliteiten als je uit vorm bent, maar eenvoudig spelen, je taken rustig en ambachtelijk uitvoeren. Eerst een hoek kiezen. Tijdens de aanloop naar de penalty bij je plan blijven, niet meer van onderwerp veranderen als je eenmaal bezig bent, al raast de twijfel om je oren.

Ik denk vaak aan het lelijke mannetje dat vroeger altijd langs de lijn stond en ieder weekend weer opnieuw de hele wedstrijd bleef schreeuwen: ‘Voetballen! Ga nou eens voetballen! Ga nou eindelijk eens voetballen!’ Ik ergerde me altijd geweldig aan het mannetje, maar intussen, bijna dertig jaar later, begrijp ik maar al te goed wat hij bedoelde en schreeuw ik weleens dezelfde tekst, waarin ‘voetballen’ uiteraard is vervangen door ‘schrijven’, naar mijn eigen, wanhopige spiegelbeeld.

Bronvermelding

Een paar eenvoudige woorden het werk laten doen, dat is een risico

Beeld Getty / Bewerking Studio V

Twee dichters van in de dertig die een gedicht maken van twee strofen, beginnend met een als-vraag (‘Als je’, ‘Als ik’), en die een paar eenvoudige woorden het werk laten doen, nemen een risico. Het moet goed vallen, en snel ook, want de speelruimte is gering. Laurine Verweijen (1981) begint het gedicht ‘Tafels en stoelen’ in haar bundel Gasthuis (Van Oorschot; € 18,50) met een vraag zonder vraagteken:

Als je zou mogen kiezen
stonden er dan meer banken of
meer tafels in je huis
En zou je voor elk gebruik bijvoorbeeld
een andere tafel willen
Je zou bij het raam een kleine tafel
kunnen neerzetten
om aan naar buiten te staren
terwijl je de krant nauwelijks leest
Daar zou ook een bank kunnen staan
maar daarin zit je lager

Je hebt het zelf voor het zeggen
Het huis is helemaal van jou en leeg

Merkwaardig dat de stoelen uit de titel helemaal niet terugkomen. Het gaat kennelijk om tafels of banken. Vier keer ‘zou’, dat klinkt erg vrijblijvend, en ‘bijvoorbeeld’ is ook lelijk. De suggestie is dat de inrichting van het interieur iets zegt over de inrichting van je leven, vermoed ik, maar dan nog: mag het misschien pregnanter? Of is het slotwoord bedoeld als dramatisch: iemand is verlaten, en moet nu over alles nadenken, tot en met de banken en tafels aan toe.
Zeur toch niet zo, en zoek een paar meubeltjes uit.

Nog korter, en wél intrigerend, is Anne-Fleur van der Heiden (1987) in ‘Maanoog’, uit haar bundel Zaailingen (Nieuw Amsterdam; € 20,-):

Als ik niet verliefd kan worden
op het leven maar wel op een paard dat Misty heet
ben ik toch verliefd op iets
dat op leven lijkt, ik voel het
door het zachte briesen van zijn
snuit in mijn hand
omdat ik appels heb

Misty heeft een maanoog, indianen geloven
dat paarden met maanogen door het donker
kijken, misschien ben ik daarom verliefd op Misty
omdat hij door het donker kijkt

Het is bijna kinderlijk (‘daarom… omdat’), maar het rijm (‘lijkt’… ‘kijkt’) wijst er al op dat de dichter minder naïef is dan ze zich voordoet. Door het taalgebruik, dat paard, die snuit, de appels en dat maanoog (een licht oog, zonder pigment) zou je haast vergeten dat al die zachtheid dient om donkerte te bezweren.

Bronvermelding