Hoe London Calling 1979 het beste popjaar ooit maakte (en mijn leven veranderde)

Veertig jaar geleden kocht Gijsbert Kamer het album dat zijn leven zou veranderen: London Calling van The Clash, de plaat die 1979 tot het beste popjaar ooit maakte.

In het Museum of London, midden in de Engelse hoofdstad, loopt een heuse tentoonstelling over London Calling, de roemruchte dubbel-lp van de Engelse (in oorsprong) punkband The Clash, die deze maand veertig jaar geleden verscheen.  Een unicum, deze expositie. Op zich gaat popmuziek wel vaker naar het museum (David Bowie Is was bijvoorbeeld een succestentoonstelling die in 2013 de hele wereld over ging), maar zelden of nooit staat één album centraal. De lp is dan ook niet alleen het hoogtepunt in het oeuvre van de The Clash, ze wordt algemeen erkend als een van de beste, muzikaal rijkste en opwindendste platen uit de popgeschiedenis. Een van de weinige dubbel-lp’s ook die van begin tot eind boeien, verbazen en verbijsteren. In dat opzicht hoort de plaat thuis in de galerij der groten van Electric Ladyland van Jimi Hendrix (1968), Exile on Main St. van The Rolling Stones (1972) en Sign o’ the Times van Prince (1987).

Ik kocht de plaat vlak voor Kerstmis 1979, toen ze een week in de winkels lag (de verschijningsdatum was 14 december) in een platenzaak in mijn woonplaats Hilversum. En het album is me nooit gaan vervelen. De vaart, de afwisseling en de vermenging van stijlen verbaast me nog altijd. Als 16-jarige zag ik het als gewoon een geweldige nieuwe plaat; geleidelijk aan ging ik London Calling steeds meer zien als de climax van het beste popjaar ooit.

Want dat was 1979. Goed, 1956 (de doorbraak van de rock-’n-roll in het algemeen en van Elvis Presley in het bijzonder); 1967 (de Summer of Love, Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band); 1977 (de punkexplosie) of 1991 (wereldwijde doorbraak Nirvana) vormden allemaal kantelmomenten in de popgeschiedenis, maar die werden meestal veroorzaakt binnen een paar genres, of door enkele artiesten.

Nee, dan 1979. In dat jaar gebeurde in de breedte meer dan in elk jaar daarvoor of erna. Er kwamen nieuwe genres bij: de dark wave, met debuutalbums van The Cure en Joy Division, 2 Tone-ska met The Specials en Madness, de wereldwijde kennismaking met hiphop door de single Rapper’s Delight van The Sugarhill Gang. En rockartiesten omarmden ineens de disco die ze daarvoor zo hadden verafschuwd: I Was Made for Lovin’ You van Kiss was de grootste hit van het jaar.

Cover van London Calling. Beeld RV

Big bang 

1979 leek wel een big bang. Punk explodeerde in talloze nieuwe stromingen, die nog decennialang tot inspiratie zouden dienen voor nieuwe generaties popmuzikanten: de punkfunk uit het begin van deze eeuw (Franz Ferdinand, LCD Soundsystem) was schatplichtig aan de in 1979 verschenen debuten van Gang of Four en The Pop Group. Zonder de feministische punkplaten van The Slits en The Raincoats uit dat jaar geen Riot Grrrl-acts als Babes in Toyland en PJ Harvey, en misschien ook wel geen Nirvana. Kurt Cobain stelde immers dat The Raincoats zijn muzikale visie diep hadden beïnvloed.

Ook hardrock ging in 1979 op de schop. De term New Wave of British Heavy Metal dook voor het eerst op in de Britse media, waarmee een nieuwe lichting heavy rockbands werd geduid, zoals Def Leppard, Iron Maiden en Diamond Head. Allemaal lieten ze in 1979 voor het eerst van zich horen. Zonder Diamond Head geen Metallica – uiteindelijk de grootste heavymetalband in de popgeschiedenis.

En dát cruciale jaar, 1979, werd dus nog even doodleuk afgesloten met London Calling.

Toen ik de plaat kocht, werd ik alleen al door die hoes aangetrokken: een zwart-witfoto van bassist Paul Simonon die zijn gitaar aan gruzelementen slaat. De foto was een paar maanden eerder gemaakt tijdens een concert in New York. De vormgeving en typografie van de hoes waren een pastiche op het debuutalbum van Elvis Presley. Maar wist ik veel.

Ik wist sowieso nog niet zo veel van popmuziek. Het jaar 1979 was ik begonnen als radioluisteraar en liefhebber van het top-40-repertoire. Joe Jackson (Is She Really Going Out with Him?), The Police (Roxanne) en het door Frits Spits grijsgedraaide Dancin’ Fool van Frank Zappa brachten me steeds meer op het spoor van muziek buiten de hitparade. Een nieuwe wereld. 

Die kapotgeslagen gitaar op de hoes van London Calling, die bij het Museum of London torenhoog op posters is afgebeeld, is misschien wel het symbool van die nieuwe wereld. Vernietiging van oude zekerheden om plaats te make voor iets nieuws. ‘The dawning of a new era’, zoals het heette op een andere favoriet uit 1979, het debuutalbum The Specials van The Specials.

Simonons vernielde instrument ligt nu in stukken opgebaard, als het hart van de expositie. Verder veel bandfoto’s, songteksten en videobeelden van optredens. Een mooi, bescheiden monument voor een belangrijke plaat, de popmuzikale sublimatie van het subliemste popjaar. En dat hoor je als je het album liedje voor liedje doorneemt. Zowel muzikaal als tekstueel is London Calling zo 1979 als 1979 maar zijn kan.

London Calling is een ode aan het verleden, werpt een vaak dystopische blik vooruit en staat toch helemaal in wat toen het heden was. 1979, het beste popjaar ooit, werd er perfect mee afgesloten. Het was een van de platen uit dat jaar die mijn leven zouden veranderen. Vanaf die winter vertoefde ik zo vaak tussen de platenbakken van de platenzaak dat ze me maar een baantje aanboden. Het begin van mijn leven als professioneel muziekliefhebber, dat nu óók 40 jaar duurt.

The Clash: London Calling, expositie t/m 19/4. Museum of London, Londen. Entree gratis.

1. London Calling

In het intro, met een van de strafste, opzwependste gitaarriffs ooit, roept zanger en gitarist Joe Strummer op tot verzet: ‘Come out of the cupboard you boys and girls.’ Het is een van meerdere liedjes op de plaat waarin The Clash hun angst voor de naderende apocalyps verwoordt. Het kernongeval in Harrisburg van eerder dat jaar komt hier ook voorbij. Net als in het nummer Ice Age van Joy Division, ook in 1979 opgenomen, wordt met ‘ijstijd’ een dystopisch tijdperk bedoeld.

2. Brand New Cadillac

Een oud rock-’n-rollnummer van Vince Taylor, om even stoom af te blazen. Elke opnamedag van London Calling begon de band met dit liedje. Oude rock-’n-roll was dankzij platen van Dave Edmunds, Stray Cats en Nick Lowe in 1979 ook weer hip geworden.

3. Jimmy Jazz

Wat moet The Clash met blazers, in deze blues die ook van Tom Waits had kunnen zijn? Afrekenen met het clichébeeld van de punkband die alleen op gitaren kan rammen. Hier is voor het eerst goed te horen dat The Clash hun ambities had verlegd naar een kaleidoscopischer geluid. Iets dat je bij meer newwavebands zag die in 1979 toe waren aan hun derde plaat (Fear of Music van Talking Heads, 154 van Wire).

4. Hateful

Uptempo, staccato zang. Rock-’n-roll in Bo Diddley-stijl, maar met een nieuw, fris geluid. En dat typeert veel pop in 1979. Er werd nadrukkelijk gezocht naar vernieuwing in arrangementen. Dat suizende orgeltje is een toevoeging die hoort bij 1979. Platen klonken weer wat voller, het punkadagium ‘houd alles zo simpel mogelijk’ werd losgelaten. 

5. Rudie Can’t Fail

We hadden in ’79 al veel rockartiesten met reggae horen flirten. Joe Jackson en The Police, bijvoorbeeld. Eind van het jaar kwam daar de opzwepende skavariant van The Specials en Madness bij; daar borduurt Rudie Can’t Fail verder op voort.

6. Spanish Bombs

Een van de melodisch sterkste nummers gaat over de Baskische terreuraanslagen waar 1979 onder te lijden had, gekoppeld aan de Spaanse Burgeroorlog. The Clash lijkt hier beïnvloed door de politieke songs waarmee het Noord-Ierse Stiff Little Fingers dat jaar furore maakte.

7. The Right Profile

Jubelende blazers domineren dit liedje over acteur Montgomery Clift. The Right Profile is de titel van diens biografie (Strummer had een exemplaar, te zien op de tentoonstelling). Boeken als inspiratie voor songtitel of bandnaam raakten steeds meer in de mode. The Fall, vernoemd naar de roman van Albert Camus, bracht in 1979 hun eerste twee studioalbums uit.

8. Lost in the Supermarkt

Bassist Paul Simonon waagt zich aan het slot van dit liedje aan een stukje disco, in het jaar dat de disco-funkbaslijn uit Good Times van Chic misschien wel de beroemdste baslijn ooit zou worden, mede doordat die werd overgenomen door The Sugarhill Gang voor Rapper’s Delight.

9. Clampdown

Boos, meerstemmig gezongen liedje dat Strummer rappend afsluit met opnieuw een verwijzing naar Harrisburg. Al noemden we dat toen nog geen rappen, maar volgens het juiste Jamaicaanse reggaejargon toasten. Weer zo’n liedje waarin rock, funk en reggae versmolten alsof het zo hoorde. In 1979 was dat echt iets nieuws.

10. The Guns of Brixton

De sterkste reggae-ode op de plaat komt van Paul Simonon, die The Guns of Brixton zingt zoals de in 1979  doorgebroken dichter Linton Kwesi Johnson dat deed. Ook de tekst over de Londense rassenrellen is schatplichtig aan Johnson. De baslijn zou tien jaar later gesampled worden door Norman Cook (Fatboy Slim) voor de Beats International-hit Dub Be Good to Me.

11. Wrong ’Em Boyo

Combinatie van twee covers (een uit de rock-’n-roll en een uit de rocksteady/reggae) die misschien wel het best aantoont (dat orgeltje!) hoe The Clash zich liet inspireren door de opzwepende 2-Tonesound van The Specials, die toen net opkwam. 

12. Death or Glory

Weer zo’n lekker nummer. De tekst van Strummer, die instemmend zingt over de ‘beat of time’ die uit elke kelder in elke achterafsteeg opklinkt, is zijn tijd vooruit. ‘The beat that must go on’ zou door middel van acid house acht jaar later Londen in zijn greep krijgen.

13. Koka Kola

Liedje dat zijn tijd óók jaren vooruit is, over yuppies uit de ‘greed is good’-generatie die massaal aan de cocaïne gaan. Wat het zo 1979 maakt, is de meerstemmige zang van Jones en Strummer. Rauwe gitaarmuziek kreeg er iets luchtigs door, wat dat jaar door geen band zo goed werd gedemonstreerd als The Undertones op hun debuutalbum.

14. The Card Cheat

Een ode van The Clash aan de Wall of Sound van producer Phil Spector uit de jaren zestig. Een van die liedjes die bewezen dat The Clash meer kon en wilde dan het belijden van hun voorliefde voor rock-’n-roll en reggae. Producer Guy Stevens maakte er zijn eigen River Deep, Mountain High van (Ike & Tina Turner, 1966). Nog geen jaar eerder was zo’n groots arrangement ondenkbaar geweest, maar in 1979 ging Phil Spector zelfs met de Ramones de studio in. 

15. Lover’s Rock

Gewoon een mooi, soft soul-achtig liedje, vernoemd naar het op Jamaica populaire genre. Hier horen we voor het eerst iets wat op een gitaarsolo lijkt. Die waren ook door The Clash een paar jaar in de ban gedaan, maar mochten in 1979 weer. Meestergitarist Frank Zappa had niet alleen zijn productiefste jaar ooit, hij scoorde met Dancin’ Fool nog een hit ook.

16. Four Horsemen

Verwijzingen naar een naderende ondergang kom je London Calling een paar keer tegen; het duidelijkst in dit liedje, dat naar de vier ruiters van de Apocalyps verwijst . 1979 was het jaar waarin het doemdenken in de popmuziek voor het eerst gestalte kreeg. Unknown Pleasures van Joy Division en Three Imaginary Boys van The Cure waren dat jaar de belangrijkste doemalbums.

17. I’m Not Down

Mick Jones zingt zichzelf moed in door het naspelen van de gitaarpartij uit de popklassieker Waterloo Sunset van The Kinks. Het resultaat is een liedje dat, zoals de meeste op London Calling, zowel traditioneel als nieuw en fris klinkt. Als je goed luistert, hoor je aan het eind drummer Topper Headon het liedje afslaan zoals in Smithers-Jones , een van de sterkste liedjes van The Jam dat jaar.

18. Revolution Rock

De explicietste ode aan reggae en ska op London Calling. Het had de plaat feestelijk en dansbaar moeten afsluiten…

19. Train in Vain

… maar toen de hoes al naar de drukkerij was wilde The Clash nog een nummer aan hun meesterwerk toevoegen. Train in Vain van Mick Jones is misschien wel het allerbeste liedje van de plaat, omdat het op niets anders lijkt. Dat plokkende funkritme waar ook Talking Heads in die tijd mee experimenteerde, was een van de noviteiten van 1979 die door beide bands op latere platen verder zou worden uitgewerkt. 

The Clash: London Calling Scrapbook (boek + cd). Sony Music.

Jaren zeventig of tachtig?

Het zegt veel over de kwaliteiten van London Calling dat het album zowel in de lijstjes met beste platen uit de jaren zeventig als de jaren tachtig hoog terechtkwam.

Toen Rolling Stone eind 1989 de balans van de jaren tachtig opmaakte, kwam The Clash met London Calling op nummer 1. Gek, want kwam het tot beste album van het decennium gekozen album niet uit december 1979? Ja, in Europa wel. Maar in de VS verscheen London Calling een maandje later, in januari 1980.

Naast London Calling mijn favoriete albums van 1979:

1.Talking Heads – Fear of Music

2.Joy Division – Unknown Pleasures

3.The Specials – The Specials

4.Michael Jackson – Off the Wall

5.Linton Kwesi Johnson – Forces of Victory

6.Joe Jackson – Look Sharp!

7.Chic – Risqué

8.The B-52’s – The B-52’s

9.The Cure – Three Imaginary Boys

10.The Undertones – The Undertones

De leukste singles van 1979

1.Elvis Costello & The Attractions – Oliver’s Army

2.The Jam – The Eton Rifles

3. The Sugarhill Gang – Rapper’s Delight

4.Frank Zappa – Dancin’ Fool

5.Madness – One Step Beyond

6.Abba – Does Your Mother Know

7.M – Pop Muzik

8.XTC – Making Plans for Nigel

9. The Buggles – Video Killed the Radio Star

10.The Knack – My Sharona

Bronvermelding

Kamermuziekfestival verrast met Fluitkwartet van Lex van Delden ★★★★☆

Janine Jansen tijdens de Derde vioolsonate van Brahms. Beeld Majanka Fotografie

Hij komt er wat ielig uit, die ene ‘boe’ tijdens de openingstoespraak van Jan van Zanen, alsof de roeper er zelf ook een beetje van schrikt dat iedereen hem kan horen. De burgemeester heeft het gewaagd om het Internationaal Kamermuziekfestival Utrecht (IKFU) in zijn stad te omschrijven als een lekker toetje na Kerst. Zo praat je natuurlijk niet over grote kunst, laat staan over de violist die deze editie weer voor haar rekening neemt: Janine Jansen.

Het is goed bedoeld, en lekker is het ook wel wat we voorgeschoteld krijgen. We beginnen met het Allegro voor vier strijkkwartetten van Johannes Bernardus van Bree. Wie vaker is geweest, ziet bekende gezichten, vrijdagavond in de Grote Zaal van TivoliVredenburg: naast Jansen violist Boris Brovtsyn, altviolist Amihai Grosz en cellist Jens Peter Maintz. Maar ook veel jonge musici, met onder meer de Nederlandse talenten Alexander Warenberg (cello) en Noa Wildschut (viool). De jongere generatie voegt zich knap en met zichtbaar plezier naar het niveau van de ‘oudjes’. Resultaat: een tintelende uitvoering.

Tijdens het Fluitkwartet van Lex van Delden in de Lutherse Kerk, Utrecht. Beeld Majanka Fotografie

Bij een festival als dit is de kans dat het Octet van Felix Mendelssohn voorbijkomt ongeveer 83 procent – en ja, hij zit er weer bij –, maar het programma biedt dit jaar veel verrassingen. En stukken die veel bekender zouden mogen zijn, zoals het Strijksextet van Erich Korngold (in een uitvoering in de Geertekerk vol deining en versluierde schittering) en het Fluitkwartet uit 1957 van Lex van Delden (in de Lutherse Kerk met een indrukwekkende Clara Andrada de la Calle op fluit).

Ter afwisseling is daar het Nationaal Vrouwen Jeugdkoor, dat zaterdagavond onder leiding van Wilma ten Wolde de Nicolaikerk vult. De klank van de zangeressen (vanaf 16 jaar, veel prille twintigers) is bijna vanzelfsprekend fris en transparant, maar de beheersing is opvallend volwassen. In een nieuw werk van Britta Byström, To every thing there is a season, duikt Janine Jansen op; het koor fluit liefdevol met haar mee.

Maar het hoogtepunt is de Derde vioolsonate van Johannes Brahms, met aan de piano Lars Vogt. Bij Vogt geen mooispelerij, maar akkoorden van natuursteen; Jansen brengt veel accenten aan in het vlot ingezette Allegro. En dan, in het langzame deel, horen we weer de typisch Janseneske elastieke lijnen. Alleen al zoiets ogenschijnlijk eenvoudigs als een crescendo kan bij haar bijzonder worden: als je denkt dat het maximum is bereikt, blijkt haar toon nóg intenser te kunnen. Haar blik is gepijnigd. Geen idee waar ze aan denkt, maar het werkt.

Tweede pianokwintet van Dvořák in de Grote Zaal van TivoliVredenburg. Beeld Majanka Fotografie

Internationaal Kamermuziekfestival Utrecht

Klassiek

★★★★☆

Met o.a. Janine Jansen, Boris Brovtsyn, Lars Vogt e.v.a.

27 & 28/12, TivoliVredenburg en kerken in Utrecht. Het festival duurt t/m 30/12, terugluisteren op radio4.nl.

Bronvermelding

Hij lapt alle mediawetten aan zijn laars, maar Joe Rogan is ongekend populair

Een succesvol interview moet je goed voorbereiden, je moet het kort houden en altijd kritisch blijven. Al deze mediawetten lapt Joe Rogan aan zijn laars, en tóch was zijn podcast ook dit jaar weer een van de populairste ter wereld. 

Waarom hij precies begon te praten over ruimtewezens? Presidentskandidaat Bernie Sanders kan zich de aanleiding waarschijnlijk niet eens herinneren. Maar daar ging hij, na een uur durende verhandeling over de macht van het grote geld en de slecht georganiseerde gezondheidszorg in de Verenigde Staten. Nú even over aliens – een van de favoriete onderwerpen van zijn interviewer. ‘Als u straks president bent’, vroeg Joe Rogan, ‘gaat u dan geheime informatie met ons delen over de aliens?’ Sanders: ‘Zeker, ik beloof je dat ik de onthullingen over buitenaards leven kom doen in jouw programma. Mijn vrouw zal dat ook van me eisen, denk ik.’

Het talkshowfragment ‘Bernie Sanders praat met Joe Rogan over aliens’ ging direct nadat de podcast online was gezet een eigen leven leiden. Liberale Amerikaanse media zagen weer eens aangetoond dat die rare Rogan echt niet deugt als talkshowhost. Zoiets vraag je toch niet? De conservatieve tegenhangers doken op de linkse presidentskandidaat. ‘Is Bernie Sanders definitief gek geworden?’, vroeg Fox News zich af. ‘Hij gelooft in aliens!

Vastgeroest

Typisch oude media, moet Rogan hebben gedacht. Vastgeroest in de eigen overtuiging. Maar bovendien: gesputter in de marge dat er eigenlijk niet echt meer toe doet. Rogan keek waarschijnlijk vooral naar de luister- en kijkcijfers voor zijn podcast. Tientallen miljoenen, al binnen een paar uur, via de podcastkanalen en YouTube. Meer dan de grote Amerikaanse talkshows op de ouderwetse tv-netwerken bij elkaar. Om die reden zat Sanders dus aan tafel bij Rogan, dit jaar overigens als derde democratische presidentskandidaat op rij (Tulsi Gabbard en Andrew Yang gingen hem voor). Doe je je verhaal bij Rogan, dan word je gehoord. Tot ver buiten de eigen landsgrenzen. Dat bleek ook al uit al die reacties op de show.

Joe Rogan (Newark, New Jersey, 1967) greep het afgelopen jaar de mediamacht. Zijn podcast The Joe Rogan Experience deed het al jaren goed, maar in 2019 brak hij door als mondiaal praatfenomeen. En dat met een talkshow die alle hedendaagse mediawijsheid voor gek verklaart. Rogan praat gemiddeld een uur of drie met een gast – de veronderstelling dat de aandachtsspanne van de moderne (jonge) mens tegenwoordig korter is dan die van een goudvis, kan na Het Jaar van Joe Rogan aan de straat. Van een ‘format’ heeft Rogan nooit gehoord. Een onderwerp van gesprek heeft hij meestal ook niet bedacht. Er staan nauwelijks vragen op een papiertje, en als een gast als klokkenluider Edward Snowden onlangs een boek heeft geschreven waarover hij wil praten, dan heeft Rogan dat bij voorkeur niet gelezen. Dat lult makkelijker.

Hij is ook een beetje ‘een domme jongen’, zegt hij steeds over zichzelf. Hij vindt het gewoon fijn om oeverloos te ouwehoeren. Met dat grenzeloze geklets werd hij de grootste podcastbaas: zijn show staat sinds 2015 aan de top van de luisterranglijsten, en volgens een Amerikaans media-onderzoek uit augustus dit jaar is The Joe Rogan Experience de bekendste podcastnaam. Bekender dus dan podcasts als de misdaadserie Serial of The Daily van The New York Times

Maynard James Keenan van rockband Tool bij Joe Rogan. Beeld Filmbeeld

YouTube

Maar nu zijn shows ook op YouTube staan, met weinig meer visuele versiering dan een camera op zijn hoofd en dat van zijn gast, kan echt niemand meer om hem heen. Zijn YouTube-kanaal heeft ruim 7 miljoen abonnees. Een bijna drie uur durend gesprek met ondernemer Elon Musk is dertig miljoen keer bekeken. En dan onderhoudt Rogan ook nog een apart kanaal (bijna 4 miljoen abonnees) met spraakmakende clips uit zijn ellenlange shows, waarvan hij er zo ongeveer om de dag een online gooit. Drie of vier marathoninterviews per wéék dus – een Zomergasten-presentator zou er duizelig van worden.

Hoe het zo ver heeft kunnen komen, dat vraagt Rogan zichzelf ook weleens af. Als hem kritische vragen worden gesteld, bijvoorbeeld over zijn kwaliteiten als interviewer, zegt hij: ‘Ja, sorry maar kan ik er wat aan doen? Ik ben hier ook maar ingerold.’ En dat klopt. 

Rogan had voor zichzelf eerst een carrière als vechtsporter uitgestippeld, omdat hij ‘geen loser wilde zijn’. Hij vocht in vele karate- en kickbokskampioenschappen en kreeg harde klappen, maar daar kon hij wel om lachen. In de jaren tachtig besloot hij zijn verhalen te delen met een publiek, in het Amerikaanse standup-comedycircuit. Hij schnabbelde bij als commentator bij vechtsportprogramma’s en presentator van de stuntshow Fear Factor, waarin mensen in aquariums vol slangen werden gegooid

Tien jaar geleden begon Rogan een serie interviews met de wat egocentrische titel The Joe Rogan Experience. Omdat hij graag praatte en uit zijn gesprekken materiaal wilde halen voor zijn standup-shows. Hij vroeg gasten uit het vechtsport- en comedycircuit, en verder iedereen die hij maar enigszins raar of interessant vond. Iemand gaf hem de tip zijn opgenomen praatsessies als podcast uit te brengen, een decennium geleden nog een marginaal medium.  En zo verscheen tien jaar geleden op kerstavond een twee uur durend gesprek van Rogan met collega-comedian Brian Redband over het net door hen ontdekte wonder van mediatechniek.

Abject rechts

Zijn ongeremde nieuwsgierigheid naar mensen met vreemde opvattingen duwde Rogan de eerste jaren in de hoek van abject rechts. Beruchte mediafiguren als complotdenker Alex Jones en hoogleraar Jordan Peterson schoven bij hem aan voor urenlange sessies. En Rogan gaf een podium aan de opkomende beweging van het ‘Intellectual Dark Web’, een verzameling wetenschappers (en pseudowetenschappers) met politiek zeer dubieuze en soms zelfs regelrecht racistische opvattingen. Nu was de uitnodiging aan dit soort gasten nog tot daaraantoe, maar wat Rogan door progressieve media vooral kwalijk werd genomen was dat hij nauwelijks kritische vragen stelde en de heren ongestoord hun theorieën liet ontvouwen.

Volgens Rogan zelf was dat nu juist de kracht van zijn show. Hij was ook geen journalist, zei hij dan. Hij wilde gewoon luisteren. Bovendien kon je tegenover iedere rechtse gast van Rogan ook een linkse gast zetten, uit de politieke of culturele hoek. Rogan wilde simpelweg praten met wie hem maar voor de voeten kwam. En dat vage podcastconcept viel nogal in de smaak. Zijn luistercijfers schoten de afgelopen jaren omhoog. Omdat de podcast als vrijdenkend medium inmiddels ook zeer werd gewaardeerd door luisteraars aan de rechterzijde van het politieke spectrum. Maar ook omdat er wereldwijd kennelijk een een schreeuwende behoefte bestond aan bizar lange interviews zonder duidelijk gespreksonderwerp of kritische invalshoek. 

Steeds meer prominente en politiek onbesmette gasten meldden zich bij Rogan, en het werd dringen aan de deur van zijn studio in de buurt van Los Angeles. Metallica-zanger James Hetfield kwam langs, de Amerikaanse astrofysicus Neil deGrasse Tyson, comedians als Amy Schumer en Kevin Hart, de beroemde diëtist Rhonda Patrick en wielrenner Lance Armstrong. Rogan ging ook de grens over en liet onder andere Nederlandse gasten als vechtsporter Rico Verhoeven, gezondheidsgoeroe Wim Hof en uitvinder Boyan Slat opdraven. 

De grote doorbraak kwam eind vorig jaar, na de sessie met Elon Musk. De ondernemer had bij Rogan een joint opgestoken en hoewel dat in de staat Californië geen misdaad meer is, kreeg Musk er toch last van. Het fragment werd miljoenen keren gedeeld op sociale media, werd zelfs een internetmeme en Musk raakte in grote problemen met een van de opdrachtgevers van zijn ruimtevaartbedrijf SpaceX: de Amerikaanse overheid. ‘Musk bij Rogan’ werd een mediarel, maar het abonneebestand voor Rogans show schoot omhoog.

Elon Musk en de opgestoken joint tijdens de podcast. Beeld Filmbeeld

Salonfähig 

En ook om die reden werd The Joe Rogan Experience salonfähig, hoewel er nog altijd giftige stukken worden geschreven over de podcast ‘die links Amerika haat’.  Dit jaar konden dus drie democratische presidentskandidaten overdreven uitgebreid hun verhaal doen bij Rogan. Bernie Sanders legde uit dat hij had gekozen voor Rogan, omdat hij bij de grote nieuwsprogramma’s steeds moet praten in soundbites van een paar minuten. En omdat politieke debatten tegenwoordig een soort kinderachtige quizzen zijn geworden, waarbij nauwelijks nog diep op de materie kan worden ingegaan. Sanders sprak bijna een half uur over de in zijn ogen verrotte gezondheidszorg in Amerika. En tussen de commentaren onder de podcast op YouTube verschenen berichten van luisteraars ‘die beslist niet links waren’ maar toch blij waren dat ze Sanders’ onderbouwde verhaal eindelijk een keer hadden kunnen uitluisteren. Kassa voor team-Sanders.

De kritiekloze, misschien zelfs populistische journalistiek van Rogan is nog altijd discutabel. Toen hij bijvoorbeeld komiek Roseanne Barr aan tafel had, nadat die enorm de fout in was gegaan met een racistische tweet, liet hij haar onbekommerd uitleggen ‘dat ze het niet zo bedoeld had’. Dat werd hem kwalijk genomen – hij had haar volgens velen  moeten doorzagen over haar duistere bedoelingen. 


Josh Homme van rockband Queens of the Stone Age.
Beeld Filmbeeld

Maar zo wil Rogan niet het gesprek aangaan. Hij wil met zijn gasten praten alsof hij ze in de kroeg tegenkomt, schijnbaar stomtoevallig. En dan maar zien waar het gesprek op uitkomt. En al is dat bij discutabele figuren soms tenenkrommend, vaak werkt het ook fantastisch. Je kunt bijvoorbeeld ademloos luisteren naar een uitgestrekt interview met zanger Josh Homme van rockband Queens of the Stone Age. Rogan heeft zich duidelijk niet voorbereid en stelt een simpele eerste vraag, iets over hoe Homme eigenlijk bij de studio is gekomen. Homme: ‘Gewoon, met de motor.’ Daarna begint een ontspannen en erg grappige verhandeling over de geneugten van het motorrijden, het verwerpelijke gedrag van Amerikaanse automobilisten, angstaanjagende insecten die je onderweg kunt tegenkomen, schorpioenen in de woestijn, enzovoorts. Geen onderwerpen die je vantevoren zou bedenken, als je een paar uur met Josh Homme zou mogen kletsen.  

Maar via de motorroute komt Homme uiteindelijk te spreken over een door hem bewonderd medium, dat hem de laatste tijd helpt om uit zijn depressies te komen. Hij heeft dit nooit eerder opgebiecht, zegt Homme. En hij begint zich duidelijk een beetje zorgen te maken. ‘Waarom zeg ik dit eigenlijk allemaal?’ De interviewer vertelt het hem niet, maar de luisteraar denkt het natuurlijk wel. Omdat je bij Joe Rogan aan tafel zit. 

Links of rechts?

In het Amerika van vandaag een uiterst belangrijke vraag: is Joe Rogan, een van de grootste podcasthosts van de wereld, nu links of rechts? In de shows van Rogan duiken herhaaldelijk uiterst rechtse mediafiguren als Alex Jones en Jordan Peterson op, maar ook steeds vaker linkse politici als Bernie Sanders. Hij heeft een hekel aan politieke correctheid. Maar de oud-vechtsporter noemt zichzelf ‘behoorlijk liberaal’ en hij steunde dit jaar hartstochtelijk de democratische presidentskandidaat Tulsi Gabbard uit Hawaii, het eerste Hindoestaanse congreslid van de Verenigde Staten.

Vier succesfactoren van The Joe Rogan Experience:

Alle tijd

De podcast van Joe Rogan is niet gebonden aan een tijdslimiet, natuurlijk vooral omdat Joe Rogan volkomen onafhankelijk is en doet wat hij wil. Gesprekken duren vaak uren, maar dat is gezien de luister- en kijkcijfers geen reden gebleken om af te haken. De eindeloosheid van de gesprekken is zelfs de grote succesfactor van Rogans podcast, omdat gasten na uren praten, vaak zonder duidelijk gespreksonderwerp, kennelijk ineens toch op zeer wezenlijke onderwerpen stuiten.

Huiselijkheid

Een gast van Joe Rogan hoeft niet geharnast naar zijn podcaststudio bij Los Angeles af te reizen. Rogan wil geen kruisverhoor afleggen maar vooral luisteren, en dat straalt hij uit in een gezellige en huiselijke studio, aan een tafel vol rotzooi, en een goed gevulde drankkast. Rogan tart de mediawetten door tijdens gesprekken whiskey in te schenken en af en toe een jointje op te steken. Echt professioneel komt dat niet over. Maar gezellig wordt het wel.

YouTube

De podcast heeft in 2019 het videoplatform YouTube overgenomen. De uitzendingen van talkshows als die van H3H3 (Ethan en Hila Klein) en Joe Rogan worden op YouTube miljoenen keren bekeken, en vaak veel meer dan via de podcastkanalen. Al zijn de podcasts visueel vaak beperkt (een webcam op de pratende hoofden) en worden de uitzendingen volgens kijkers niet eens echt bekeken: naar verwachting wordt YouTube binnenkort het grootste podcastplatform. Volgens mediaonderzoekers omdat luisteraars het fijn vinden hun mening te geven in de commentaarsectie onder de video’s.

Ophef

Al lijken de interviews van Joe Rogan soms eindeloos voort te kabbelen, ze leveren toch vaak mediarumoer op. Rogan heeft een neus voor ophef, terwijl hij daar niet overduidelijk naar op zoek lijkt. Hoewel hij die joint tijdens zijn gesprek met ondernemer Elon Musk waarschijnlijk niet gedachteloos opstak – de meeblowende Musk ging viral en leverde Rogan duizelingwekkend veel extra abonnees op. Rogan scoort vaak ophefpunten omdat hij bizarre vragen stelt, over complottheorieën of buitenaards leven. Als je daar als serieus politicus op ingaat, kun je verwachten dat je trending wordt.

Bronvermelding

Koto’ in het Klederdrachtmuseum vertellen het verhaal van Suriname

De Surinaamse kledingstukken die in het Klederdrachtmuseum worden tentoongesteld, vertonen opvallende overeenkomsten met de Nederlandse klederdracht. En ze vertellen méér.

Letterlijk betekent het: een vrouw in een rok. Het woord kotomisi, tevens de titel van de nieuwe tentoonstelling in het Klederdrachtmuseum in Amsterdam, is een samenstelling van koto, Surinaams voor rok, en misi, Surinaams voor vrouw. Niet dat de kotomisi alleen in een rok de deur uitgaat, bepaald niet. Die koto, een lange rok die zo lang is als zijn drager van hoofd tot enkels, en royaal over een tailleband wordt opgebold, is weliswaar de basis van deze traditionele Afro-Surinaamse dracht, maar er hoort nog een hele hoop bij. Om te beginnen een jakje (yaki) en een gesteven hoofddoek (angisa). Daarna komen, volgens strikte volgorde, nog een lendendoek (pangi), een hemd (empi), een onderrok (ondrokoto), een kleurrijke doek (saron), een worstvormig queue-achtig kussentje (koi), een onderbroek tot op de knieën (ondrobruku) en een schouderdoek (tapuskinpanji).

Ja, dat is nog eens wat anders dan een onesie.

Logisch natuurlijk dat het aantrekken van een koto niet lukt zonder hulp van een kleedster. Logisch ook dat de koto steeds minder als daags kloffie wordt gedragen – Jörgen Raymanns typetje Tante Es daargelaten – want: niet praktisch, beetje ouderwets en je komt wel héél erg binnen in zo’n gewaad. Jammer wel, want koto’s zijn niet alleen een lust voor het oog, ze dienen ook als stoffen prentenboeken die het verhaal vertellen van Suriname als land, en van de dragers als personen.

Mevrouw Christine van Russel-Henar, directeur van het Koto museum in Paramaribo en curator van de tentoonstelling. Beeld Het Klederdrachtmuseum

In Paramaribo is er een heel kotomuseum ingericht, waar curator Christine van Russel-Henar een aantal pronkstukken heeft staan, gemaakt van fraai gestreepte, geruite en gebloemde stoffen. Het frappante was: toen Van Russel-Henar een paar jaar geleden in Amsterdam op bezoek ging in het Klederdrachtmuseum van haar Nederlandse collega Jolanda van den Berg, zag ze daar op de poppen met Spakenburgse en Hindelooper dracht krek dezelfde stoffen als waarvan haar koto’s gemaakt waren. Stom toeval? Helemaal niet: de stoffen die voor de Nederlandse klederdrachten werden gebruikt, zoals gebloemde sits en geruite madras, waren door VOC-schepen uit India gehaald. Diezelfde schepen die ook Ghana aandeden om daar slaven op te halen en die naar Suriname te brengen.

Koto’s en Zeeuwse klederdracht in Paramaribo, rond 1900. Beeld Het Klederdrachtmuseum

Kotomisi’s dragen dientengevolge een mengelmoes van West- en Centraal Afrikaanse kleding en Europese dracht uit de 18de en 19de eeuw. Er zijn verhalen in omloop waarin de koto is ontstaan omdat jaloerse plantersvrouwen wilden dat de slavinnen hun vormen bedekten, wat voor sommige Surinaamse vrouwen reden is om juist géén koto te willen dragen. Feit is dat het vanaf 1874 bij wet verboden werd om in het openbaar met blote borsten te verschijnen. Vanaf dat moment werden rokken tot over de borsten gedragen, al dan niet in combinatie met sjaals, wat een beginstadium van de koto zou kunnen zijn. Anderen zien in de koto, die ontstond na het einde van het Staatstoezicht in 1873, juist de trots van de vrijgemaakten die hun ongebondenheid, emancipatie en rijkdom wilden tonen.

Het is vooral die trots en het feestelijke karakter dat Van Russel-Henar en Van den Berg besloten te vieren in hun gezamenlijke tentoonstelling Kotomisi in Amsterdam. Het idee ontstond al tweeënhalf jaar geleden en het duurde even voor de nodige subsidiepotjes open gingen en de koto’s goed en wel de oversteek gemaakt hadden – dat hun expositie nu gelijk loopt met de Surinametentoonstellingen in de Nieuwe Kerk en Museum van Loon, beide ook in Amsterdam, is stom toeval.

De simpele opstelling van de bonte koto’s in het kleurrijke grachtenpand, naast de Nederlandse streekdrachten, werkt wonderwel. Beeld Het Klederdrachtmuseum

Het indrukwekkendst van de expositie zijn misschien wel de verhalen die de koto-dragers zelf in videogetuigenissen verspreid door de tentoonstellingskamers vertellen, gefilmd in zowel Suriname als Nederland. Ook de simpele opstelling van de bonte koto’s in het kleurrijke grachtenpand, naast de Nederlandse streekdrachten, werkt wonderwel. Zie de Zeeuwse en Hindelooper kappen naast de met zetmeelpap gesteven angisa’s en bedenk: zo gek veel verschillen ze eigenlijk niet – of het moet zijn dat de manier van knopen van de angisa een subtiele boodschap verbergt. De drager kan er bijvoorbeeld mee laten zien dat ze boos is (vouwwijze feda) of seinen naar een geheime minnaar (vouwwijze follow me). Ook de stoffen van zowel de angisa’s als de rokken en jakken hebben namen en daarmee een bepaalde portee. Zo is er een op het oog onschuldige stof met een motief van rode duivenkopjes op een witte ondergrond, die wil zeggen: ‘Jij verwend kreng, je loopt overal mijn naam te bekladden, maar mijn geluk kan je niet verpesten.’

Toch nét iets pittiger dan een T-shirt met ‘Don’t worry be happy’ erop.

Meer lezen?

Kunstredacteur Stefan Kuiper schreef eerder dit jaar over het werk van Marcel Pinas op de Grote Surinametentoonstelling en de tentoonstelling Aan de Surinaamse Grachten– Van Loon & Suriname 1728-1863, beide in Amsterdam. 

Bronvermelding

In het Klederdrachtmuseum vertellen traditionele Koto’s het verhaal van Suriname

De Surinaamse kledingstukken die in het Klederdrachtmuseum worden tentoongesteld, vertonen opvallende overeenkomsten met de Nederlandse klederdracht. En ze vertellen méér.

Letterlijk betekent het: een vrouw in een rok. Het woord kotomisi, tevens de titel van de nieuwe tentoonstelling in het Klederdrachtmuseum in Amsterdam, is een samenstelling van koto, Surinaams voor rok, en misi, Surinaams voor vrouw. Niet dat de kotomisi alleen in een rok de deur uitgaat, bepaald niet. Die koto, een lange rok die zo lang is als zijn drager van hoofd tot enkels, en royaal over een tailleband wordt opgebold, is weliswaar de basis van deze traditionele Afro-Surinaamse dracht, maar er hoort nog een hele hoop bij. Om te beginnen een jakje (yaki) en een gesteven hoofddoek (angisa). Daarna komen, volgens strikte volgorde, nog een lendendoek (pangi), een hemd (empi), een onderrok (ondrokoto), een kleurrijke doek (saron), een worstvormig queue-achtig kussentje (koi), een onderbroek tot op de knieën (ondrobruku) en een schouderdoek (tapuskinpanji).

Ja, dat is nog eens wat anders dan een onesie.

Logisch natuurlijk dat het aantrekken van een koto niet lukt zonder hulp van een kleedster. Logisch ook dat de koto steeds minder als daags kloffie wordt gedragen – Jörgen Raymanns typetje Tante Es daargelaten – want: niet praktisch, beetje ouderwets en je komt wel héél erg binnen in zo’n gewaad. Jammer wel, want koto’s zijn niet alleen een lust voor het oog, ze dienen ook als stoffen prentenboeken die het verhaal vertellen van Suriname als land, en van de dragers als personen.

Mevrouw Christine van Russel-Henar, directeur van het Koto museum in Paramaribo en curator van de tentoonstelling. Beeld Het Klederdrachtmuseum

In Paramaribo is er een heel kotomuseum ingericht, waar curator Christine van Russel-Henar een aantal pronkstukken heeft staan, gemaakt van fraai gestreepte, geruite en gebloemde stoffen. Het frappante was: toen Van Russel-Henar een paar jaar geleden in Amsterdam op bezoek ging in het Klederdrachtmuseum van haar Nederlandse collega Jolanda van den Berg, zag ze daar op de poppen met Spakenburgse en Hindelooper dracht krek dezelfde stoffen als waarvan haar koto’s gemaakt waren. Stom toeval? Helemaal niet: de stoffen die voor de Nederlandse klederdrachten werden gebruikt, zoals gebloemde sits en geruite madras, waren door VOC-schepen uit India gehaald. Diezelfde schepen die ook Ghana aandeden om daar slaven op te halen en die naar Suriname te brengen.

Koto’s en Zeeuwse klederdracht in Paramaribo, rond 1900. Beeld Het Klederdrachtmuseum

Kotomisi’s dragen dientengevolge een mengelmoes van West- en Centraal Afrikaanse kleding en Europese dracht uit de 18de en 19de eeuw. Er zijn verhalen in omloop waarin de koto is ontstaan omdat jaloerse plantersvrouwen wilden dat de slavinnen hun vormen bedekten, wat voor sommige Surinaamse vrouwen reden is om juist géén koto te willen dragen. Feit is dat het vanaf 1874 bij wet verboden werd om in het openbaar met blote borsten te verschijnen. Vanaf dat moment werden rokken tot over de borsten gedragen, al dan niet in combinatie met sjaals, wat een beginstadium van de koto zou kunnen zijn. Anderen zien in de koto, die ontstond na het einde van het Staatstoezicht in 1873, juist de trots van de vrijgemaakten die hun ongebondenheid, emancipatie en rijkdom wilden tonen.

Het is vooral die trots en het feestelijke karakter dat Van Russel-Henar en Van den Berg besloten te vieren in hun gezamenlijke tentoonstelling Kotomisi in Amsterdam. Het idee ontstond al tweeënhalf jaar geleden en het duurde even voor de nodige subsidiepotjes open gingen en de koto’s goed en wel de oversteek gemaakt hadden – dat hun expositie nu gelijk loopt met de Surinametentoonstellingen in de Nieuwe Kerk en Museum van Loon, beide ook in Amsterdam, is stom toeval.

De simpele opstelling van de bonte koto’s in het kleurrijke grachtenpand, naast de Nederlandse streekdrachten, werkt wonderwel. Beeld Het Klederdrachtmuseum

Het indrukwekkendst van de expositie zijn misschien wel de verhalen die de koto-dragers zelf in videogetuigenissen verspreid door de tentoonstellingskamers vertellen, gefilmd in zowel Suriname als Nederland. Ook de simpele opstelling van de bonte koto’s in het kleurrijke grachtenpand, naast de Nederlandse streekdrachten, werkt wonderwel. Zie de Zeeuwse en Hindelooper kappen naast de met zetmeelpap gesteven angisa’s en bedenk: zo gek veel verschillen ze eigenlijk niet – of het moet zijn dat de manier van knopen van de angisa een subtiele boodschap verbergt. De drager kan er bijvoorbeeld mee laten zien dat ze boos is (vouwwijze feda) of seinen naar een geheime minnaar (vouwwijze follow me). Ook de stoffen van zowel de angisa’s als de rokken en jakken hebben namen en daarmee een bepaalde portee. Zo is er een op het oog onschuldige stof met een motief van rode duivenkopjes op een witte ondergrond, die wil zeggen: ‘Jij verwend kreng, je loopt overal mijn naam te bekladden, maar mijn geluk kan je niet verpesten.’

Toch nét iets pittiger dan een T-shirt met ‘Don’t worry be happy’ erop.

Meer lezen?

Kunstredacteur Stefan Kuiper schreef eerder dit jaar over het werk van Marcel Pinas op de Grote Surinametentoonstelling en de tentoonstelling Aan de Surinaamse Grachten– Van Loon & Suriname 1728-1863, beide in Amsterdam. 

Bronvermelding

Repelsteeltje en de blinde prinses is ongecompliceerde lol ★★★☆☆

Scène uit Repelsteeltje en de blinde prinses. Beeld Sanne Peper

Repelsteeltje is erg op zijn privacy gesteld. ‘Heb je weleens van identity theft gehoord?’, bijt hij een pakketbezorger toe, als die om zijn naam en handtekening vraagt. Alleen zijn vrouw Karla Karbonkel weet zijn naam. Karla wil eigenlijk een kindje, maar zij en ‘Reep’ kunnen geen kindje krijgen. Dus trekt Repelsteeltje de stoute puntschoenen aan om een potje te toveren.

Hij verschijnt bij de dochter van een arme varkenshoeder, die diep in de problemen zit. In ruil voor haar eerstgeborene helpt hij haar om stro in goud te veranderen. Later wordt zij onverwacht zwanger van de buitenechtelijke zoon van de prins-gemaal van het koninkrijk waar dit allemaal plaatsvindt. Deze prins heet Bernhard. En dan blijkt dat het ondergrondse hol van Repelsteeltje in de tuin van paleis Soestdijk ligt, waar koningin Juliana woont met haar blinde dochter, prinses Marijke. Voor de deur staat gebedsgenezers Greet Hofmans al te zwaaien.

Hoe kun je een klassiek sprookje zo hard mogelijk laten ontsporen? Laat dat maar aan regisseur Pieter Kramer en schrijver Don Duyns over. Sinds het duo in 2007 debuteerde met Lang en gelukkig, maakt het jaarlijks bij Theater Rotterdam een feestelijke familievoorstelling, gebaseerd op een sprookje of een ander oud verhaal dat nodig opgeleukt mag worden. Vorig jaar was dat Hamlet, de familievøørstelling. Afgelopen september ontvingen Kramer en Duyns voor hun gezamenlijke oeuvre de Prosceniumprijs. 

Schattigheidsfactor 

Het ziet er zoals altijd fenomenaal uit, wat mede te danken is aan het decor van Niek Kortekaas en de kostuums van Sabine Snijders. Het bos, de paleistuinen van Soestdijk, het ondergrondse hol, de jurken van koningin Juliana, alles draagt bij aan de kleurrijke, sprookjesachtige sfeer. Tien figurerende kinderen zorgen voor een hoge schattigheidsfactor door over het podium te kruipen als de biggetjes van de varkenshoeder.

Het is een geinig idee om het sprookje van Repelsteeltje aan de Greet Hofmans-affaire te verbinden. Zowel Reep als Greet zijn enigszins maniakale ‘tovenaars’, die verschijnen waar leed is, en vervolgens verdeeldheid zaaien. Verwacht vooral geen diepere analyse dan dat, uiteindelijk is dit concept voor de makers slechts een manier om eindeloos veel lol te trappen, met behalve een oubollig sprookje ook het Nederlandse koningshuis als kop van Jut.

De humor is vanzelfsprekend flauw. Daar moet je van houden. Leuk is bijvoorbeeld de terugkerende ergernis van Repelsteeltje als hij weer eens wordt gezien als kabouter, terwijl hij toch duidelijk een aardmannetje is. Minder vergeeflijk zijn de soms wisselvallige acteerprestaties en liedjes. Of dat laatste aan de liedteksten van Peter van de Witte ligt, is moeilijk te zeggen. Ze zijn namelijk de helft van de tijd niet verstaanbaar. De (flauwe) grap achter de liedjes is dat het allemaal bewerkingen zijn van Duitse hits (Bernhard is Duits, haha). Dus op de muziek van 99 Luftballons, Ich bin wie du en Gute Nacht, Freunde zingen Repelsteeltje, Juliana en de anderen nu slecht verstaanbare musicalliedjes waarin ze hun gevoelens de vrije loop laten. Probleem is ook dat de spelers (op Kim van Zeben als Juliana na) geen geboren zangers zijn.

Scène uit Repelsteeltje en de blinde prinses. Beeld Sanne Peper

Eenzijdige rolopvattingen

Wat betreft het spel gaan enkele eenzijdige rolopvattingen na een tijdje vervelen. De varkenshoeder en zijn dochter Sterre (Bas Hoeflaak en Johanna Hagen) zijn bijvoorbeeld matig uitgewerkte personages. Arm en een beetje dommig zijn ze; grappig willen ze maar niet worden. Maar vooral prins Bernhard, gespeeld door Patrick Duijtshoff, is een aanfluiting. Hij schreeuwt, vloekt, speelt met vliegtuigjes en heeft een vet Duits accent. Het lukt Duijtshoff, die overigens bij zijn eigen gezelschap De Theatertroep wél heel leuk kan zijn, geen moment om boven het uitgekauwde, clichématige beeld van de prins uit te stijgen.

Wie ook op het randje van irritatie opereert is Wart Kamps als Repelsteeltje. Alleen is het bij hem wél vaak leuk. Repelsteeltje is een opgefokt, vervelend en drammerig aardmannetje (geen kabouter), en Wart Kamps is Wart Kamps, een cabaretier en een speler met een expressieve mimiek en immer ironische dictie. Het klopt gewoon. Goed zijn ook Van Zeben als de geplaagde koning en Judith van den Berg als de blinde Marijke. En zo wordt het met enige moeite toch weer een theaterfeestje voor de liefhebbers van de betere ongecompliceerde lol.

Repelsteeltje en de blinde prinses (8+)

Theater

★★★☆☆

Door Theater Rotterdam, van Don Duyns, regie: Pieter Kramer. Met o.a. Wart Kamps (wisselt rol met Bart Rijnink), Joke Tjalsma, Kim van Zeben, Patrick Duijtshoff en Judith van den Berg

27/12, Theater Rotterdam. Tournee t/m april 2020.

De Greet Hofmans-affaire

Greet Hofmans was een gebedsgenezeres die in de jaren vijftig grote invloed had op de toenmalige koningin Juliana. Ze was uitgenodigd aan het hof voor prinses Marijke, de jongste dochter, die was geboren met een oogafwijking. Maar al snel zou Hofmans de koningin hebben ‘besmet’ met allerlei ‘gevaarlijke’ pacifistische ideeën. Prins-gemaal Bernhard maakte zich grote zorgen. Hun huwelijk werd nog slechter, en samen met de toenmalige premier Willem Drees stuurde hij aan op een interventie. Toneelschrijvers als Ger Thijs en het duo Ger Beukenkamp en Dick van den Heuvel schreven eerder al (serieuzere) stukken over deze affaire.

Bronvermelding

Schrijfster van een van de beroemdste series jeugdboeken kreeg pas op haar 98ste volle waardering

Trix van Brussel

IJver wordt vaak laat ­beloond. Bij Trix van Brussel duurde het wel heel lang. Ze werd vorig jaar, vlak voor haar 98ste verjaardag, pas benoemd tot Lid in de Orde van Oranje-Nassau. Daarmee was ze dat jaar de oudste vrouwelijke gedecoreerde van Nederland. ­Ze had toen al tachtig jaar geschreven, van gedichten in het Algemeen Handelsblad en de Meppeler Courant tot aubadeliederen, liedteksten en 71 jeugdboeken.

Dit jaar werd De Drieling, de ­karakters uit haar bekendste boekenserie, nog vereeuwigd op een Kinderpostzegel. ‘Dat heeft ze nog net kunnen meemaken’, zegt haar dochter Trix de Koff-Van Brussel. De schrijfster overleed op 25 november in een verzorgingstehuis in haar geboortestad Meppel. Haar hele leven bleef ze daar wonen, hoewel haar drie dochters allemaal naar de Randstad trokken. Haar dood kwam drie weken na haar 99ste verjaardag.

Dat ze zo laat pas nationale waardering kreeg, heeft misschien te ­maken met het feit dat ze zo ver van het literaire wereldje in de Randstad af stond. Ze was een echte Drent. ‘Ze sprak alleen geen dialect, maar kende wel elk binnenweggetje in de provincie’, zegt haar dochter.

Ze werd in Meppel geboren als Trijntje Bakker, een van de twee dochters van een accountant. Al op jonge leeftijd begon ze gedichten en artikelen te schrijven. In 1938 ­werd haar allereerste gedicht in het Algemeen Handelsblad geplaatst.

Kleutertje Luister

Ze combineerde de gedichten met kinderverhalen. De oorlog verstoorde haar productie. Na de oorlog werkte ze lange tijd voor de radio. Ze schreef teksten voor in de jaren vijftig en zestig bekende kinderkoren als de Leidse Sleuteltjes en de Damrakkertjes. Ook werkte ze mee aan het programma Kleutertje Luister, heel populair toen in de meeste huishoudens nog geen televisies te vinden waren. Ze trouwde met Joop van Brussel, een medewerker van het toenmalige Ziekenfonds, met wie ze drie dochters kreeg.

Haar eerste boek verscheen in 1964 in de zogenoemde Petra en Peet-serie – kinderboeken voor de eerste jaren van de toenmalige ­lagere school. ‘Ze was een heel gedisciplineerd werker’, vertelt haar dochter Trix. ‘Ze schreef op een eigen kamertje. Maar als wij uit school kwamen, stopte ze. Dan kregen we alle aandacht. Ze pakte de pen weer op als we in bed ­lagen. De opmerkingen en verhalen van haar kinderen – en later van haar kleinkinderen – schreef ze steevast op, die vormden inspiratie voor de boeken. Daarnaast was mijn moeder heel gastvrij. Kinderen uit de hele buurt waren welkom en mochten hier spelen. Ook daar pikte ze zeker het een en ander van op.’ 

Lange tijd werkte ze met een typemachine, tot ze in de jaren ­negentig overstapte op een tekstverwerker. Dat liep een keer fout af. Een verhaal dat al af was, wiste ze per ongeluk. Het zou nooit verschijnen.

De drieling 

Het grootste succes had ze met de bij Kluitman uitgegeven Drieling-serie die tussen 1978 en 1991 verscheen, met titels als De drieling op de kermis, De drieling op tienertoer en De drieling runt een koffieshop. Daar werden enkele honderdduizenden exemplaren van verkocht. De boeken met Janneke, Marieke en Ineke behoorden tot de vier ­beroemdste kinderboeken van ­Nederland.

Later zouden die boeken ook nog in omnibussen worden uitgegeven. Andere series waren die rond Loes en Noortje, Lotty, Pleuntje Pukkel en Trix. Daarnaast schreef Van Brussel voor de stad Meppel de jaarlijkse aubade voor Koninginnedag, later Koningsdag. ‘De dertigste en laatste was in 2018’, aldus Trix. ‘Toen vond ze het mooi geweest.’

Bronvermelding

Chroniqueur van een tijdperk, die nooit het vingertje hief

Hans Keller (1937-2019) Beeld ANP

Keller groeide op in Haarlem tijdens ‘de benauwende jaren veertig en vijftig’, zoals hij het zelf later noemde. De journalistiek was een middel om daaraan te ontsnappen. In 1957 begon hij bij de Volkskrant als leerling-journalist. Al snel kwam hij op de kunstredactie terecht en ging hij tv-recensies schrijven. In 1961 zou hij met collega’s van andere kranten de Zilveren Nipkowschijf oprichten, de televisieprijs die nog steeds jaarlijks wordt uitgereikt.

In het jaar daarna stapte hij over naar televisie en ging hij voor de AVRO het programma Literaire ontmoetingen maken. Hij nam in 1964 ontslag omdat de omroep niet wilde dat de dichter Remco Campert het woord ‘naaide’ voorlas uit diens gedicht Niet te geloven (‘Alles zoop en naaide, heel Europa was een groot matras en de hemel het plafond van een derderangshotel’). Het dienstverband bij zijn volgende werkgever, de KRO, eindigde ook al in protest: hij vertrok daar in 1969 vanwege het ontslag van een collega-journalist.

Bij de VPRO beleefde hij daarna een lange bloeiperiode. Met Het gat van Nederland, gemaakt naar een voorbeeld uit de Verenigde Staten, won hij in 1973 de tv-prijs die hij zelf mede had ingesteld. Het programma, waaraan tal van jonge talenten meewerkten (zoals Kees van Kooten en Wim de Bie), was een mix van korte documentaires, reportages en sketches, waarin commentaar werd geleverd op de Nederlandse maatschappij. ‘Maar nooit hief hij het vingertje’, schrijft de VPRO vrijdag op haar website in een eerbetoon aan de documentairemaker. ‘Liever liet Keller de beelden voor zich spreken.’

Politionele acties

In 1974 maakt hij samen met Henk Hofland en Hans Verhagen de film Vastberaden, maar soepel en met mate, waarin kritisch werd teruggeblikt op het leven van de Nederlander in de jaren 1938-1948. De film viel onder meer op doordat soldaten ongewoon openhartig vertelden over de wreedheden die werden begaan tijdens de zogeheten politionele acties, de militaire pogingen van Nederland om het onafhankelijkheidsstreven in Indonesië te keren.

Elf jaar werkte Keller voor de VPRO, totdat hij werd benoemd als directeur van de Rotterdamse Kunststichting. Die baan bleek al snel een mislukking, waarna hij voor zichzelf ging werken. Hij maakte opnieuw een stroom aan tv-documentaires, vooral over schrijvers en dichters, kunst en Amerika. Vaak sprak hij zelf het commentaar in. Zijn stem is door literair criticus Kees Fens (die Keller nog kort voor diens dood in 2008 zou portretteren) ooit omschreven als ‘schitterend, ingehouden, diepgaand, wat voornaam en met die hogere traagheid waarmee in het hiernamaals wordt gesproken’.

Tot op hoge leeftijd bleef Keller actief. Rond zijn 67ste werd hij eindredacteur van VPRO Tegenlicht en tot zijn 77ste maakte hij voor dezelfde omroep het door hem bedachte Dode Dichters Almanak. Daarin waren archiefbeelden te zien van inmiddels overleden dichters uit binnen- en buitenland die uit eigen werk voorlazen. Het korte programma was tussen 1998 en 2014 wekelijks te zien, de laatste jaren als dagsluiting. Na 704 afleveringen moest het van een netmanager verdwijnen, tot verdriet van Keller, zo bleek uit een opiniestuk van zijn hand in Het Parool.

Aan het einde daarvan haalt hij een strofe uit het gedicht Poëzie (zoveelste poging) van Remco Campert aan, die nauw was betrokken bij het programma: ‘Poëzie is een woord / je schrijft het op / en de inkt wordt onzichtbaar.’ ‘Voor één keer’, schreef Keller, ‘wilde ik dat hij geen gelijk had.’

Bronvermelding

Glodi Lugungu, Shahine El-Hamus, Iduna Paalman: dit zijn de talenten van 2020

Talent Media

Sekszusjes

Hun vijfdelige webserie Sekszusjes TV, gemaakt met regisseur Marcel van der Velde, is seksuele voorlichting zoals je wil dat het is: eerlijk, nuchter en grappig. Met het schaamrood op de kaken bespreken de zussen de intiemste onderwerpen, bijvoorbeeld wat je moet zeggen als je pijn hebt tijdens de seks of wat voor standjes ze afwerken tijdens een vrijpartij.

Lees het hele verhaal

Bronvermelding

Wie hip wil zijn in de twenties, hult zich in dikke, duurzame, donkerbruine capes

Hoe lopen we er het komende decennium bij? Moderedacteur Cécile Narinx voorziet veel dikke, wijde, donkerbruine kleding vol technologische snufjes. En, verrassing: draagschaamte wordt een ding.

De jaren twintig zijn allang begonnen. In de mode dan, want die is de hipste en de snelste thuis en loopt altijd vóór de muziek uit. Wat er in de winkels zal hangen komende zomer – bloemen, hotpants, giletjes, bermuda’s – werd afgelopen najaar immers al getoond op de plankiers van New York, Londen, Milaan en Parijs. En de mode voor volgende winter, die ons van 2020 naar 2021 zal voeren, komt komende maand al voorbij.

Maar goed, een jaar vooruitkijken stelt weinig voor als je geacht wordt een heel decennium te voorspellen. En bovendien: bloemen, bermuda’s en hotpants, die kunnen we met de beste wil van de wereld niet nieuw noemen. En zeker niet futuristisch.

Om de grote lijn en de rode draad te ontdekken en daarmee vooruit te kunnen borduren op de toekomst, is het zaak om eerst even uit te zoomen. Als we kijken naar de laatste jaren van het afgelopen decennium moeten (en kunnen) we tendensen zien waaruit blijkt dat de mode al zoetjesaan haar hoeven aan het schrapen is voor de race naar de nieuwe tijd. Het grootste en niet te vermijden onderwerp in de mode voor nu en morgen is – net als in de rest van de wereld – het klimaat. Mode staat in de top-5 van vervuilendste industrieën ter wereld, met rotte plekken in alle schakels van de lange keten van vezel tot klerenkast. Dat besef is inmiddels luid en duidelijk doorgedrongen. Vandaar dat een aantal merken al consciëntieus en serieus naar hun materialen, productieprocessen en expeditie aan het kijken is en andere labels elkaar de loef proberen af te steken in de wedstrijd: wie is, of lijkt, het groenst? 

De consument blijkt er gevoelig voor, maar lijkt vooralsnog de lokroep van de goedkope fast fashion niet te kunnen weerstaan. Toch zal, zeker in de loop van de komende tien jaar, de consument die vlieg-, vlees- en benzineschaamte ervaart ook last krijgen van draag- en bezorgschaamte. Het begrip duurzame mode zal van een hype in een duurzame gewoonte veranderen. Fashion For Good, internationaal kenniscentrum en museum, gevestigd aan het Amsterdamse Rokin, houdt in de gaten wat er aan duurzame start-ups wordt gelanceerd. De door grote modereuzen als C&A, Chanel en Kering gesteunde organisatie checkt of werkwijzen en materialen wel echt deugen en koppelt goedgekeurde kleine vernieuwers aan grote bedrijven die meer slagkracht hebben. 

Duurzame alternatieven

Wat de groene mens van morgen aantrekt? Fashion For Good rekende uit dat het maken van één T-shirt van katoen en polyester 2.700 liter water kost. Voor kleding die in de toekomst wordt verkocht, zal moeten gelden dat ze gemaakt is van ofwel duurzaam gerecycled textiel ofwel van alternatieve grondstoffen als vlas, kapok, maïs en cellulose, stuk voor stuk minder vervuilende en waterverslindende alternatieven voor katoen. Als alternatief voor natuurzijde of viscose ontwikkelde de Italiaanse firma Orange Fiber een teer weefsel, gemaakt van pulp en schillen die overblijven na het persen van sinaasappels. Het Italiaanse luxehuis Salvatore Ferragamo klopte al aan voor een samenwerking. 

Ook volop in ontwikkeling: alternatieven voor leer. In Tirol maakt de firma Frumat namaakleer van appelafval, het Nederlandse Mycotex doet dat met paddestoelen. Ook van bananenplantstengels en de huid van consumptievissen worden leeralternatieven gemaakt. Over vissen gesproken: onder de gepatenteerde slogan ‘There is no Planet B’ maakt het Spaanse merk Ecoalf garens en weefsels van het afval dat Spaanse en Thaise vissers als bijvangst van zeedieren naar boven halen. Van gerecycled plastic, petflessen en oude netten worden kleren, tassen en sneakers gemaakt. De zolen van die sneakers zijn, je moet er maar op komen, vervaardigd van versleten autobanden en invasieve algen. 

Gerecyclede mode van Duran Lantink.
Beeld Team Peter Stigter

Nog klimaatneutraler is het om kleren uit eigen kast langer en vaker te dragen, zorgvuldig hersteld of gereinigd in geval van gaten of vlekken. Dat zal ook zorgen voor een groter en beter aanbod van kledingherstellers, zowel in de vorm van naaiateliers en repareercafés als van producten – denk aan wolplamuur en applicaties. Een andere optie is modulaire mode, zoals de outfit waarmee de Italiaanse Flavia La Rocca een Green Carpet Fashion Award won: een basisjurk die je door er dingen aan te knopen of af te halen op eindeloos veel manieren kunt dragen. Overschotten uit de stoffenindustrie en de detailhandel, de zogeheten dead stock, krijgen na een rondje up- of recyclen een tweede leven. De Nederlandse ontwerpers Ronald van der Kemp en Duran Lantink geven hiervan al jarenlang het goede en smaakvolle voorbeeld. Nog zo’n goed idee: kleren uit een tweedehandswinkel of kledingbibliotheek, een abonnement of een leasecontract – het begrip eigenaarschap, zo vertelde futurist Lucie Greene tijdens haar Fashion Talk in Antwerpen, wordt ouderwets. Delen is het nieuwe devies, samen shoppen en de kleding om beurten dragen is voor sommige jongeren al heel normaal.

Creatie van Raf Simons, geschikt voor extreem weer.
Beeld Getty

Behalve op ons geweten zal de klimaatverandering ook grote invloed krijgen op het sóórt kleren dat we gaan kopen en dragen. Lange en heftige regenperioden zullen de roep om regenbestendige capes en laarzen aanwakkeren, hete zomers om luchtige, ademende en uv-werende kleding en grote zonnehoeden, strengere winters om arctische parka’s en sneeuwlaarzen.

Donkere, wijde winterkleding van Balenciaga.
Beeld Getty

Nieuwe technologie

Tegelijkertijd zal die kleding steeds technologischer worden. De Japanse keten Uniqlo hangt nu al vol met Heat Tech-warmhoudshirts en Airism-koelhoudhemdjes. Naar verwachting zal kleding in de toekomst letterlijk worden verweven met technologie. Nu al worden Apple Watches aan de pols gedragen, en AirPods in de oren. Voor de toekomst wordt er gewerkt aan kleding die speciaal ontworpen is om er al je gadgets in op te bergen, of die zelfs verbonden is met de smartphone. Helemaal Blade Runner, inclusief constante regen en vervuiling. Het resultaat: kleding die in barre tijden kan fungeren als een soort persoonlijke wapenrusting, voorzien van slimme sensoren. Denk aan een parka of rugzak die je kunt uitvouwen tot slaapzak, compleet met een zonnepaneel en een filter om water mee te zuiveren. Ook een optie: kleding die naar believen warmer of kouder gezet kan worden. En wat te denken van therapeutische kleding die medicijnen afgeeft, blessures helpt genezen of transpireren voorkomt? Of van 3D-geprinte accessoires en kleding? De Nederlandse ontwerper Iris van Herpen experimenteert er al jaren mee en is erin geslaagd geprinte kleding steeds zachter en draagbaarder te maken.

Creatie van Iris van Herpen. De Nederlandse ontwerper experimenteert al jaren met 3D-geprinte kleding. Beeld Getty

Ook de manier waarop we winkelen is de laatste jaren drastisch veranderd. Via webshops, apps of Instagram shoppen en naar hartelust de missers terugsturen is een lastige gewoonte om te veranderen, maar zal om verspilling en nog meer milieubelasting tegen te gaan toch moeten worden aangepakt. Wat een oplossing zou kunnen zijn: werken aan betere maatvoering van de kleding die online en offline wordt verkocht. Volgens meesterkleermaker Roy Verschuren, zo vertelde hij tijdens zijn presentatie ‘De juiste maat’ op het najaarssymposium van de Textielcommissie, wordt 30 procent van de kleding niet verkocht doordat de maatvoering niet klopt. Doordat de koper niet weet wat zijn juiste maat is en doordat de verhoudingen niet deugen: vaak worden basispatronen zonder kennis van zaken lineair vergroot of verkleind. In dit geval moet er juist een stap terug worden gezet: naar de tijd van de ambachtelijke kleermaker, die snapt hoe het menselijk lichaam moet worden vertaald in patronen – een kunst die er de laatste decennia, met het massale, snel-snel ontwerpen op de computer, een beetje bij ingeschoten is.

Ontwerp van Thierry Mugler. Beeld AFP

Wat ook zo goed als zekere toekomstmuziek lijkt: kleren produceren on demand, dus pas maken als er vraag naar is – bij een periode van extreem weer bijvoorbeeld. De machine learning daarvoor is al ontwikkeld, vertelde Ahmed Zaidi van de Universiteit van Cambridge aan modesite The Business of Fashion. Dat zou de vorming van grote partijen dead stock voorkomen. Laatste noviteit in de manier van winkelen: via computerspellen als Fortnite, waarin de kleren van karakters al spelend kunnen worden geshopt.

Samensmelting van culturen

Als we wat verder uitzoomen en de hele planeet overzien, kunnen we op onze klompen aanvoelen dat China een steeds grotere rol gaat spelen. Niet alleen als producent van mode, maar ook als afnemer. Dat zou kunnen zorgen voor een nog dikkere Crazy Rich Asians-saus, met grote logo’s en glimmers, over westerse luxeproducten. Misschien resulteert het wel in verwijzingen naar de gelaagde, rijke gewaden uit de Ming-dynastie, de vorige grote Chinese bloeiperiode. Kijken we naar de economieën die de komende tien jaar gaan groeien, dan ziet het ernaar uit dat India aan een stevige opmars begint, net als Afrika. Dankzij de Lagos Fashion Week (gesponsord door Heineken), begint West-Afrika mee te tellen in de mode – misschien het moment waarop traditionele Igbo- en Yoruba-kledingstukken en items als de gele, een stevige sjaal die om het hoofd wordt geknoopt, hun intrede doen in de modewereld.

Modest fashion van Max Mara.
Beeld Getty

Het samensmelten van de westerse met andere culturen zal hoe dan ook een thema worden van de mode in de jaren twintig. Volgens het Pew Research Center in Washington zijn er in 2050 2,76 miljard moslims en 2,92 miljard christenen. Het kan niet anders of de opmars van de zogeheten modest fashion zet door: modieuze maar zedige kleding, met hidjabs in luxe stoffen. De rolmodellen van morgen heten niet Madonna of Beyoncé, maar Mona Haydar en Mariah Idrissi, respectievelijk rapper en influencer, beiden modest gekleed mét hoofddoek.

De toenemende populariteit van bedekkende kleding is een trend die ook de Britse toekomstvoorspeller Bernard Fitzwalter in de smiezen heeft. Fitzwalter is behalve docent Latijn een hooggewaardeerde Britse astroloog. Wie astrologie afdoet als rabiate quatsch: sla deze en de volgende alinea vooral over. Voor wie er wel nieuwsgierig naar is: in 2020 staan Jupiter, Saturnus en Pluto alle drie ‘in Steenbok’, en dat kan volgens astrologen niet anders dan invloed hebben op de popcultuur. Steenbok betekent serious business, ook qua kleding: naaktheid past daar niet bij, dus gaan blote schouders en buiktruitjes genadeloos uit de mode. Bij Steenbok hoort het bedekken van het lichaam, met lange rokken, pakken en jassen die ons omhullen, compleet met hoeden en handschoenen. De kleuren die daarbij horen zijn stemmig: diepgroen, donkergrijs en zwart.

Volgens Fitzwalter, die al decennia schrijft voor modeblad Elle, is het lichaamsdeel dat de grootste rol speelt in de mode af te lezen aan het teken waar Uranus ‘in’ staat. Tot vorig jaar was dat Ram, die communiceert met het hoofd, wat weer aansluit bij de hardnekkige maar nu toch echt aflopende hype om baarden te laten staan (onze koning was een late adopter) en de zijkanten van het haar op te scheren – de Peaky Blinders-coupe. Bij vrouwen was het shapen van jukbeenderen en wenkbrauwen de afgelopen jaren ongekend populair. De komende jaren staat Uranus ‘in Stier’, en dat sterrenbeeld communiceert met de hals. Fitzwalter kan het zich niet voorstellen, maar vermoedt toch een terugkeer van de stropdas, wat prima zou aansluiten bij de zakelijke pakken die Steenbok al in petto had. Bovendien zijn de eerste pakken met das alweer gesignaleerd op de catwalks. 

‘The Brown Age’

Wie niet in astrologie gelooft, maar wel in de vooruitziende blik van Lidewij Edelkoort: voor de komende dertig jaar heeft de wereldvermaarde Nederlandse trendforecaster een donkerbruin vermoeden – letterlijk. Volgens Edelkoort is niet zwart maar bruin het nieuwe zwart, vandaar dat ze haar seminar met voorspellingen voor de volgende winter ‘The Brown Age’ noemde. Edelkoort verklaart deze trend vanuit een herwaardering voor de bruindoordesemde jaren zeventig en vanuit de waardering voor duurzame en natuurlijk bewerkte kleding.

Het gaat vooral om het creëren van een warme en gezellige sfeer, zegt Edelkoort: ‘Stevige, dikke stoffen als corduroy worden belangrijker. Bruin wordt wakker van een sabbatical with a vengeance.’ Behalve voor bruin ziet Edelkoort in de nabije toekomst een belangrijke rol weggelegd voor herwaardering voor en kennis van textiel. Volgens haar is onderwijs over materialen en technieken evenals het overstappen op kleinschalig, lokaal produceren cruciaal voor de overleving van de industrie. Daarnaast ziet Edelkoort dat de mannenmode-industrie enorm toeneemt, doordat mannen meer gaan vaderen, eleganter worden en minder macho. Dat zou kunnen uitmonden in een groeiende acceptatie van mannen in voorheen typische vrouwenkleren als jurken en rokken, of in kleding gemaakt van materialen die als feminien te boek staan, zoals kant, voile en fluweel. Daarmee zou genderneutrale kleding weer een stap verder komen dan nu het geval is. Want zoals dr. Valerie Steele van het Museum at the Fashion Institute of Technology in New York dit weekend constateert in Volkskrant Magazine, slaat genderneutrale mode nu vooral op mannenkleding die ook door vrouwen kan worden gedragen – en dat was honderd jaar geleden nieuw, maar in 2020 niet meer. 

Langer en krommer

Of de voorspellingen van Edelkoort en Fitzwalter uitkomen, is nog de vraag. Het enige waarvan we vrijwel zeker kunnen zijn, is dat kleding de komende tien jaar groter zal worden dan ooit. Niet omdat wijde kleding hip wordt of omdat we allemaal genderneutrale boernoesen gaan dragen, maar omdat de dragers lijfelijk in volume toenemen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek constateerde in zijn jaarlijkse gezondheidsenquête dat Nederlanders de afgelopen tientallen jaren langer en zwaarder zijn geworden. Mannen zijn nu 3,8 centimeter langer en 2,3 kilo zwaarder per centimeter die ze langer werden dan in 1981, vrouwen 1,5 centimeter en maar liefst 4,7 kilo per gewonnen centimeter zwaarder. 

Genoeg reden om aan te nemen dat, als de welvaart aanhoudt, mannen en vrouwen de komende tien jaar nog groter en zwaarder worden. Dat betekent dat de patronen opnieuw onder de loep moeten worden genomen. Maar dat moeten ze toch al, voorspelde eerdergenoemde meesterkleermaker Roy Verschuren op het najaarssymposium van de Textielcommissie. De reden daarvoor is dat het menselijk lichaam ook op andere punten aan het veranderen is. Omdat mensen met een smartphone uren per dag voorovergebogen op hun scherm zitten te turen, zal de stand van het hoofd en daarmee de nek veranderen en op den duur een lichte bochel veroorzaken. Voor een goed zittend jasje, overhemd of jurk zal het rugpand navenant verlengd en gekromd moeten worden.

Lang verhaal kort door de bocht: de komende tien jaar hullen we ons in dikke, donkerbruine, wijde, gerecyclede, weerbestendige, technoslimme capes, een beetje alsof we met z’n allen verkleed als Jedi naar een LARP-evenement gaan, lekker twenties afgestyled met een bult op de rug en een stropdas om de hals. Een huiveringwekkend beeld, al is er één voordeel: meedoen aan de mode is nog nooit zo gemakkelijk geweest.

Filmster Joan Crawford in een jurk met luipaardprint, 1928. Beeld Getty
De ‘garçonne’ oftewel jongensmeisje was in de jaren 1920 het nieuwe ideaal voor de vrouw. Beeld Getty

De roaring twenties van de vorige eeuw

Als er één woord is dat de kleding van de jaren 1920 typeert, dan is het vrijheid. Vrouwen die tijdens de oorlog in afwezigheid van hun mannen hadden gewerkt in wijde kleding en broeken, peinsden er niet over hun korsetten weer aan te trekken. Licht moest het zijn, vrij en recht, met lage tailles, hoge zomen en hier en daar een heuse damespantalon. Als er al stevig ondergoed werd gedragen, dan om een al te welige boezem af te platten. 

Het nieuwe ideale figuur voor de vrouw was dat van la garçonne, het jongensmeisje, genoemd naar de scabreuze roman van Victor Margueritte. Grootste pleitbezorger van de androgyne look was Gabrielle ‘Coco’ Chanel. Haar inspiratie haalde ze uit tenniskleding en de mannengarderobe, de nieuwe materialen die ze introduceerde waren jersey en kunstzijde. Opgestoken lang haar werd ouderwets, een beetje hippe meid liet bij de Parijse kapper Antoine een bob knippen en bedekte die met een vilten cloche. Gefeest werd er ook, liefst groots en meeslepend. De populairste dans van de flappers in met kraaltjes bezette jurken was de charleston.

Mannen verruilden in de twenties hun gesteven kragen en driedelige kostuums voor soepele pakken in tweed of flanel. In universiteitskringen werden de Oxford bags populair, lange broeken met wagenwijde pijpen die roeiers aanvankelijk over hun trainingsbroeken droegen. Invloeden kwamen uit de tenniswereld, net als bij de dames, en uit de golfsport. Grootste mode-icoon uit die tijd was prins Edward, die de blits maakte met zijn plusfours (knickerbockers met 4 inches extra stof, zoals Kuifje vroeger droeg), tweedpetten en spencers met ingebreide wybertjesruiten.

Mode uit de jaren twintig van de vorige eeuw. Beeld Getty

Bronvermelding