Ik kan uren kijken naar de blije boomers in het Top 2000 Café

Gelukkig is er nog één oer-Hollandse decembertraditie waar iedereen van kan genieten, al dan niet ironisch. Dan heb ik het natuurlijk over het Top 2000 Café. Of beter gezegd: de livestream van het Top 2000 Café, tot de jaarwisseling te bekijken via NPO Radio 2 en NPO Extra. Want het is nogal wat om naar Hilversum af te reizen voor een radiostudio-plus-bar waar je maar een half uurtje mag rondkijken. Twee biertjes en je moet weer naar buiten. Toch staan mensen hier graag uren voor in de rij. En dat in die kou, ook al hebben ze een feesttent naast het café gezet. 

Ik kijk liever vanaf de luie bank naar mensen die dat er allemaal wél voor over hebben; de fanatiekelingen die om vijf uur ’s ochtends opstaan om met de vriendengroep naar het Mediapark te gaan, als jaarlijkse traditie, omdat ze elkaar ook in het muziekcafé hebben ontmoet. Ik geniet van de radionerds die vijftig foto’s maken van de studio, mét flits, en van blije boomers die iets te enthousiast meelallen met deprimerende songteksten zoals: ‘The dreams in which I’m dying are the best ones I’ve ever had’, uit het nummer Mad world. Het is ook tamelijk hallucinerend om dj Leo Blokhuis te zien springen op de synthesizers van Tiësto’s tranceknaller Traffic.

De extase van hupsende dames in stippeltjesjurken, die schaterlachend naar de camera zwaaien, is al aanstekelijk genoeg om uren te blijven kijken, als een warme deken over de kerstkater. Maar we worden ook nog eens getrakteerd op hartenkreten uit heel het land, van kijkers die eigenlijk de volgende dag vroeg op moeten om oliebollen te verkopen bij de voetbalclub, maar niet kunnen stoppen met kijken. Kevin laat weten dat ook Uithuizen losgaat op de Top 2000. Ik lees liefdesverklaringen en zelfs huwelijksaanzoeken, met koosnaampjes als ‘apenkop’ en ‘sjnoebel’, of krachtig in al zijn eenvoud: ‘Getrouwd – Hans.’

Tophits en een topsfeer in het Top 2000 Café. Beeld NPO

Soms glippen er smakeloze berichten door de filter. Zo stuurde iemand: ‘Wij komen met het gezin de deur niet uit voor de Top 2000! Groeten uit Ruinerwold – Gerrit.’ Kijkers schrokken, want boerderijvader Gerrit Jan van D. wordt verdacht van seksueel misbruik van twee van zijn kinderen. Dit bericht viel ook slecht: ‘Vanuit Dubai overgekomen voor de Top 2000. Groetjes uit Vught, Ridouan’, een grap over de onlangs aangehouden topcrimineel Ridouan T. Er was ook wat ophef toen dj Rob Stenders het lef had om een nummer van Marco Borsato na één minuut af te kappen. Don’t fuck with the playlist!

Verder verliep de muziekmarathon zonder grote ongeregeldheden. Onbekende, échte Nederlanders kregen weer de zeldzame kans om op tv te komen. Het was, zoals vanouds, reuzegezellig in het Top 2000 Café, met een publiek dat net zo gemêleerd is als de hitlijst en de mensen die erop stemmen. Dit jaar met stip binnen op nummer 9, hoe kan het ook anders na alle protesten: De boer dat is de keerl van Normaal.

Bronvermelding

Dagboekfragment: Blauwe kruitdamp wolkt de Dam in Amsterdam op

Amsterdam, 31 december 1974

Na het eten naar huis. Stiekem in het halfdonker zitten, want we hebben tegen iedereen gezegd dat we weggingen met de jaarwisseling. Tegen twaalven gaan we rondrijden. Over de Dam, waar zich al mensen aan het verzamelen zijn. Voornamelijk buitenlanders, hotelgasten, mensen die alleen op hun kamertje zitten en het daar toch niet uithouden en met hun ziel onder hun arm zo’n beetje ronddarren.

In de Damstraat heeft iemand een soort cluster van rotjes afgestoken. Honderden. Hoog tussen de huizen opklinkende ratel­slagen. Het lijkt wel de laatste scène uit The Wild Bunch van ­Peckinpah. Blauwige kruitdamp wolkt de Dam op. Alle mensen die daar staan te wachten rennen erheen. Er komt een zwarte rand van mensen om de explosie-orgie te staan waar de rook verlicht door vuurschijnsel bovenuit wolkt.

We blijven voor de zij-ingang van de Bijenkorf er een poosje naar kijken. Klokslag en stoomfluit twaalf rijdt een Fransman van pure opwinding tegen de ­stoepen van het monument op met zijn busje, en komt tot stilstand tegen de herdenkingsnaald. Dan komt hij uit de auto, klimt er bovenop en voert op het dak een soort vreugdedans uit.

We rijden snel naar de haven ­onder het knallen en gillen van bommen, donderslagen, rotjes, dansende kraanvogels, potten Bengaals vuur en gillende keukenmeiden, want we horen zwaar de misthoorns van boten over het Centraal Station heen het Damrak op trillen.

Jan Wolkers (1925-2007). Uit Dagboek 1974. De Bezige Bij, 2005.

Bronvermelding

Don’t f**k with Cats is een documentaire waarnaar je misschien beter níét kunt kijken ★★★☆☆

Deanna Thompson in Don’t F**k with Cats. Beeld Netflix

De beelden die we niet zien blijven misschien nog het langst hangen, nadat we het driedelige Don’t F**k with Cats in een lange, verontrustende sessie van een kleine drie uur tot ons hadden genomen. De documentaire begint met een anoniem filmpje dat op YouTube wordt gezet. Dat opent met een shot van twee jonge katjes en escaleert snel als een niet te herkennen ­figuur de katjes in een vacuümzak stopt en – hier snijdt de regisseur weg – een stofzuiger aanzet die alle zuurstof wegzuigt.

Regisseur Mark Lewis hanteert in de documentaire deels een methode die eerder door Werner Herzog in Grizzly Man werd gehanteerd. Wanneer de hoofdpersoon van die onvergetelijke documentaire door een beer wordt aangevallen – en opgegeten – blijkt later dat het geluid van zijn camera was doorgelopen. In plaats van het geluid te laten horen zet Herzog een koptelefoon op en filmt zichzelf als hij naar de gruwelijke opnamen luistert.

In Don’t F**k with Cats laat ­Lewis een aantal van zijn hoofdpersonen naar filmpjes kijken die in toenemende mate laten zien hoe een zieke geest ontspoort. Hun geschokte reacties en de beschrijvingen van het beeld doen de rest. Hoewel we steeds nét genoeg zien om zelf weg te kijken.

Op basis van het filmpje vormt zich via Facebook een divers groepje amateurinternetspeurders, dat als een soort Bellingcat-collectief de beelden van de kattenmoord analyseert tot in de kleinste details, van het sprei op het bed tot het merk van de stofzuiger. Niet alleen om de kattenmoordenaar te vinden, maar ook uit angst dat dit eerste filmpje slechts de klassieke ouverture is van een loopbaan als seriemoordenaar.

De onderzoeksgroep wordt aangevoerd door Deanna Thompson, een ict’er die in een van de grote casino’s van Las Vegas werkt. Zij is een ideale hoofdpersoon om dit verhaal te vertellen; vol compassie, bloedfanatiek en bezeten door de speurtocht. Maar al vrij snel in het onderzoek komt de groep erachter dat hun werk in de gaten wordt gehouden door de kattenmartelaar zelf, die nieuwe filmpjes begint te plaatsen en lijkt te genieten van het gruwelijke spel dat hij met de internetgroep speelt.

Hij stuurt Thompson een link en als zij die opent, ziet ze dat er een opname van de vloer op staat van het casino waar ze werkt. En als u dit aan Hollywoodthrillers doet denken, dan is dat niet zo gek gedacht; naarmate het verhaal vordert wordt duidelijk dat de moordenaar, die zich na de katten ook aan een mens vergrijpt, geobsedeerd is door Hollywoodfilms en scenario‘s lijkt na te spelen.

In Don’t F**k with Cats wordt duidelijk dat de waarschuwingen van de facebookgroep de officiële instanties niet bereiken, ook niet als de identiteit van de kattenmoordenaar duidelijk wordt. Zijn naam is Luka Magnotta, een jongen die ogenschijnlijk geobsedeerd is door roem in het tijdperk van sociale media. Voeg daar een psychotische persoonlijkheid aan toe en het wordt duidelijk dat hij al snel ziet dat roem op verschillende manieren bereikt kan worden.

En hij gedraagt zich inderdaad als de klassieke seriemoordenaar: hij vermoordt op gruwelijke wijze een jongen, op een manier die een macabere reconstructie van een scène uit Basic Instinct van Paul Verhoeven lijkt. En ook dit filmt hij.

Het is alsof hij voortdurend bezig is om een reputatie te krijgen die uiteindelijk zal leiden tot een Netflix-documentaire.

En dit is precies wat de amateurspeurders zich beginnen af te ­vragen: welke rol hebben zij met hun eigen onderzoek eigenlijk ­gespeeld in de escalatie van het geweld? In hoeverre hebben zij meegeschreven aan dit verhaal? En als in de slotscène verteller ­Deanna Thompson zich tot de ­camera richt om ons thuis op onze medeplichtigheid als kijker naar dit type documentaires te wijzen, dan wordt het gesprek over deze schokkende documentaireserie wel heel nadrukkelijk, en nogal goedkoop, gestuurd.

Beter om naar de grote Werner Herzog te luisteren. Hem werd later gevraagd waarom hij het geluid van de dood van Timothy Treadwell, de Grizzly Man, nooit had gebruikt in zijn film. ‘Dat doe je gewoon niet’, zei hij. ‘Daarmee schendt je het recht van een stervend mens. En als filmmaker ben je een snuff movie aan het maken.’

Don’t F**k with Cats. Hunting an Internet Killer

Documentaire 

3 x 60 min. Regie Mark Lewis; te zien op Netflix

Bronvermelding

Fietsen, niksen, droppings: dit jaar lag de sleutel tot geluk opvallend vaak in Nederland

Van fietsen tot niksen: in 2019 lag volgens buitenlandse media de sleutel tot geluk opvallend vaak in Nederland.

Begin november 2019 publiceerde de Amerikaanse populair-wetenschappelijke website Nautil.us een artikel met de titel: ‘The Simple Dutch Cure for Stress’. En wat is deze eenvoudige Nederlandse manier om met stress om te gaan? Het betreft hier ‘tijd doorbrengen in de wind, door bijvoorbeeld te wandelen of te fietsen’. Deze gewoonte is zo alledaags in Nederland, meldt de schrijver, dat de Nederlanders er een woord voor hebben: ‘uitwaaien’. Caitlin Meyer, docent aan de Universiteit van Amsterdam (Dutch Linguistics) werd gevraagd naar de betekenis van deze term. Je kunt het letterlijk vertalen als ‘outblowing’, verklaarde zij. 

Het artikel haalt nog wat bronnen aan die, we vatten even samen, meldden dat beweging goed voor je is en dat veel Nederlanders vlak bij de kust wonen, waar het goed outblowing is. Het feit dat er geen directe vertaling van dit woord in het Engels is, wordt in het stuk geduid als een bewijs dat de Nederlanders wellicht geheime informatie bezitten die zou moeten worden ontsloten. Conclusie: ‘Open die agenda-app en maak wat tijd vrij om uit te waaien.’

Het was zeker niet de eerste keer in 2019 dat een alledaags Nederlands begrip opeens als een vorm van ultieme wijsheid werd gepresenteerd. Het feit dat de term lastig te vertalen, raar gespeld en onmogelijk is uit te spreken voor Engelstaligen werd gezien als hét bewijs dat wij, de Nederlanders, een vorm van discrete kennis meedragen, diep verborgen in onze taal en cultuur. Dat sloot, zacht gezegd, niet helemaal aan bij onze – zelfgedefinieerde – nuchterheid als nationale karaktertrek.

Maar eerst de aanloop: de Denen gingen ons voor.

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie

Hygge

2016 was het jaar van de internationale doorbraak van hygge, een vorm van Scandinavische zen, die in dat jaar op een haar na werd verkozen tot woord van het jaar in Groot-Brittannië (‘Brexit’ won). Die bijna-verkiezing volgde na een periode dat de bestsellerlijsten werden gedomineerd door zelfhulpboeken als Hygge: The Danish Art of Happiness en How to Hygge: The Nordic Secrets to a Happy Life

Op zoek naar de treffende vertaling voor het begrip werd soms verwezen naar het Nederlandse ‘gezelligheid’, een, volgens Wikipedia, te vergelijken concept van ‘comfort and cosiness’. De mystificering van het begrip ‘gezelligheid’ is een klassieker uit buitenlandse reisgidsen voor Nederland, waarin ‘gezelligheid’ (dat ook altijd onvertaalbaar wordt genoemd) als kern van onze volksaard wordt geschetst. 

‘Gezelligheid’ had lang het rijk alleen, maar afgelopen jaar braken meer Nederlandse begrippen internationaal door. Vaste kenmerken: het aanhalen van respectabele wetenschappers en het gebruik van het oorspronkelijke Nederlandse woord – tegen de achtergrond van het feit dat Nederlanders als bewoners van een van de welvarendste en zelfs gelukkigste landen in de wereld kennelijk iets weten dat de moeite van het delen met de wereldgemeenschap waard is. 

Niet de minste media bogen zich over Nederlandse fenomenen, door Nederlanders zelf geobserveerd met een mengeling van geamuseerde verbazing en iets dat we rustig ‘trots’ kunnen noemen. Opeens waren we weer het gidsland dat we altijd denken of hopen te zijn.

‘Niksen’

Het begon met ‘niksen’. Time Magazine publiceerde op 12 juli een essay met de titel: ‘Niksen Is the Dutch Lifestyle Concept of Doing Nothing – And You’re About to See It Everywhere’. De auteur van het stuk begint met een linguistische en geschiedkundige hink-stap-sprong door de internationale lezers te wijzen op de Deense en de Zweedse voorgangers hygge en lagom, die de aanloop vormen naar een ‘Noord-Europese trend’ om onze stressvolle levens beter in de hand te hebben. ‘Het Nederlandse begrip is zo simpel als, nou, niks doen.’

Time Magazine interviewde socioloog Ruut Veenhoven van de Erasmus Universiteit, emeritus hoogleraar sociale condities voor menselijk geluk. Hij legde de journalist geduldig het verschil uit tussen mindfulness (zó 2015) en niksen, waarbij de laatste duidelijk wordt gepresenteerd als de superieure strategie om met stress om te gaan. Waar je bij mindfulness bewust ‘aanwezig bent in het heden’, met verhoogde concentratie als uitgangspunt, is het bij niksen de bedoeling dat je alleen maar ‘bent’, de geest mag vrij zweven. Langzaam weggezakt op de bank met een nog dichtgeslagen boek en kwijlend wakker geworden met een leeg hoofd? Goed bezig.

Carolien Hamming, directeur van een instelling waar mensen met stress of een burn-out worden geholpen, meldde dat er in Nederland nog wel moest worden gevochten tegen het vastgeroeste idee dat niksen een vorm van luiheid is, maar dat we daar nu wel voorbij waren. Time meldde dat ‘niksen’ een ideale aanloop, hoe paradoxaal ook, naar hogere productiviteit is. De reacties online waren voorspelbaar: in de sfeer van ‘Yo @Time! Lekker aan het niksen!’ met een foto van een man die in een duinpan ligt.

Het stuk over niksen leidde nationaal en internationaal tot een aantal publicaties, maar het niksen zelf kan onmogelijk als een opvolger van hygge worden gezien, wellicht ook omdat tips om te niksen de beoefening ervan behoorlijk in de weg lijken te zitten. Het leidde wel tot nieuwe internationale belangstelling voor Nederlandse levenswijsheden, al dan niet als spiegel van de eigen samenleving. En passant kregen Nederlandse lezers de kans hun eigen land en gewoonten door een exotische bril te zien, als een Japan aan de Noordzee.

Beeld Elzeline Kooy

Dropping

Mochten we denken dat we met het stuk over niksen even het internationale komkommernieuws hadden gehaald, twee weken later (21 juli) begon zich met een publicatie van een groot stuk in The New York Times een patroon af te tekenen. De kop luidde: ‘A Peculiar Dutch Summer Rite: Children Let Loose in the Night Woods’. De foto van Dmitry Kostyokov hielp ook, met een suggestief nachtelijk beeld van een stel kinderen die als in de Lage Landen-editie van Stranger Things een verloren indruk maken op een onverharde weg in de duisternis. Op een ander verontrustend beeld zien we een stel kinderen geblinddoekt in een auto zitten.

Waarover ging het hier – nog los van het feit dat night woods in een Nederlandse setting ook een beetje klinkt als Dutch Mountains? Het ging hier om ‘een Nederlandse scoutingtraditie, ook bekend als dropping’, waarbij kinderen in een bos worden achtergelaten en worden verondersteld hun weg naar huis te vinden, aldus de beste krant ter wereld. 

Het kan zijn dat dit in de ogen van de gemiddelde Amerikaan, die in een land met eindeloze wildernis leeft zonder ook maar een enkele ANWB-paddestoel in de wijde omtrek, als een buitengewoon wreed ritueel klonk. De Times had het goed uitgezocht en uit de archieven anekdoten opgediept waarbij een dropping eindigde in een fataal verkeersongeluk of de leiders zich tijdens de dropping bij het kampvuur in een roes dronken en de kinderen compleet vergaten. Maar, is de toon van het stuk, dat zijn de risico’s die in Nederland aanvaardbaar zijn als je je kind zelfstandigheid wilt bijbrengen. De krant presenteerde de dutch dropping als een overgangsrite naar volwassenheid dat contrasteert met de gemiddelde Amerikaanse opvoeding die van elk gezin met kinderen een kleine surveillancestaat maakt, waarvoor het begrip helicopter parenting bestaat.  

Waren de reacties op niksen nog redelijk ingetogen, over de droppings gingen vooral Nederlandse lezers van het stuk op sociale media helemaal los. Het ene na het andere horrorverhaal werd uit de mouw geschud, over neefjes die twintig jaar geleden ‘in de wouden’ verdwenen en nooit meer waren gezien, of mensen die meldden dat ze na een dropping door eekhoorns zijn opgevoed. Op hun beurt meldden Amerikanen dat je kinderen afzetten bij school in tijden van school shootings heel wat gevaarlijker is dan een nacht in een Nederlands bos.

Was The New York Times van het padje af of hadden ze hier een punt over het belang van dit soort rituelen bij het opvoeden? Al was dit punt misschien vooral een extra voorbeeld in de discussie rond de nadelen van gangbare Amerikaanse opvoedpraktijken. Je kunt ook stellen dat Nederlanders zelf nogal een blinde hoek hebben als het gaat over nationale zelfreflectie (zie ook: Zwarte Piet). Voor een land dat worstelt met de eigen identiteit (met een tractor-emoji ben je er nog niet helemaal): zijn wij zelf wel in staat te zien wat er ‘typisch’ Nederlands is? En wat er al dan niet waardevol aan is? Of hebben we daarvoor de blik van een buitenstaander nodig? 

Wie erop begon te letten zag dit jaar overal Nederlandse begrippen opduiken in een, voornamelijk, Amerikaanse context. In een opmerkelijke aflevering van de podcast This American Life (aflevering 684, ‘Burn It Down’) ging het een klein uur lang over de jarenlange crisis bij de Amsterdamse brandweer. Met crisismanager Leen Schaap als transparante hoofdrolspeler zag de bekende Amerikaanse podcast een mogelijkheid om iets te zeggen over de beruchte zwijgcultuur, het racisme en seksisme in brandweerkazernes – ook in Amerikaans verband problematisch.

En passant probeerde journalist Joanna Kakissis een aantal Nederlandse zaken te duiden voor haar internationale luisterpubliek, wat tot een ongemakkelijke luisterervaring leidde. Daar was Zwarte Piet weer, en ‘kanker-Marokkanen’ (vertaald als cancer Moroccans) en poldermodel (met Amerikaans accent uit te spreken), dat werd gepresenteerd als een vorm van overleg waarbij uiteindelijk de grootste bek wint.

Er was ook goed nieuws. Een van de meest besproken Nederlandse architectonische onderwerpen in internationale architectuurbladen en op architectuursites was afgelopen jaar niet een monumentaal gebouw dat hoog boven ons landschap uitsteekt, maar de grootste ondergrondse fietsparkeergarage ter wereld in Utrecht, een ontwerp van Ector Hoogstad Architecten. Met 12.656 parkeerplaatsen, drie verdiepingen de grond in, overtrof het de eerdere kampioen in Tokio (35 miljoen inwoners) waar ruimte is voor 9.000 fietsen.

Was fietsen jarenlang synoniem met de veronderstelde kneuterigheid van ons land, waar de fietsende premier op een lijn stond met Hansje Brinker met zijn vinger in de lekkende dijk, is onze fietscultuur tegenwoordig een lichtend voorbeeld in de wereld. ‘Wat een ontzettend vooruitstrevend project!’, schreef een van de enthousiaste lezers onder het profiel van de parkeergarage op de prestigieuze architectuurwebsite Dezeen

Misschien kwam de internationale bewondering voor het Nederlandse fietsen dit jaar nog het best naar voren in een stuk van de Amerikaan Dan Kois in The New Yorker (13 september), een voorpublicatie van zijn inmiddels verschenen boek How to Be a Family – The Year I Dragged my Kids around the World to Find a New Way to Be Together. Titel van het artikel: ‘How I Learned to Cycle Like a Dutchman’ (Hoe ik leerde fietsen als een Nederlander).

Beeld Elzeline Kooy

Uit de comfortzone

In de drie maanden dat het gezin in Delft woonde, besloten Dan en zijn vrouw Alia zich met hun jonge kinderen aan te passen aan de Nederlandse gewoonten. Het hele punt van de reis was om met z’n allen uit de comfortzone te komen. Het hield in dat ze met het hele gezin gingen fietsen – zonder helm, vrijwel ondenkbaar in de Verenigde Staten. Net als de Nederlanders dus, die, zoals we allemaal weten, het liefst fietsen met ‘hun blonde koppies in de zachte noorderzon’.

Kois, die als fietser in de VS gewend was als verkeersdeelnemer zijn leven iedere keer weer in de waagschaal te leggen, schreef een ode aan de Nederlandse fietsinfrastructuur, aan een land waar ‘fietsers de baas zijn’. Maar als hij zich met zijn ongeoefende gezin in het chaotische verkeer van het centrum van Delft begeeft, komt hij tot de conclusie dat het niet het systeem van fietspaden en verkeersregels is, maar dat met overtuiging fietsen door een stad een gemoedstoestand is. Dat de verkeersgebruiker in de stad, ook en vooral de automobilisten, zijn individuele behoefte moet onderwerpen aan de behoefte van de gemeenschap. 

Kois introduceert aan zijn Amerikaanse lezers het buitenissige concept van de 30-kilometerzone en spreekt Wim Bot van de Fietsersbond die het gedrag van de duizenden fietsers in een Nederlands spitsuur vergelijkt met de patronen van spreeuwen in een zwerm. En wie wil daar nou niet bij horen?

‘Ik deed m’n best’, schrijft Kois. ‘Lang of blond kon ik niet meer worden, maar ik kon wel proberen te fietsen alsof ik het was.’ Op een van zijn laatste dagen in Nederland fietst Dan Kois met zijn kinderen naar de grootste verkeersrotonde die hij kent, bij het Delflandplein in Den Haag, ‘een meesterwerk van oersaaie stedelijke architectuur’. En terwijl ze een succesvol – om niet te zeggen triomfantelijk – rondje afleggen, voelt de familie zich heel even opgenomen in de Nederlandse samenleving. 

Laatste regel van het artikel: ‘We were fietsers.’

Bronvermelding

In 2019 lag volgens buitenlandse media de sleutel tot geluk opvallend vaak in Nederland

Van fietsen tot niksen: in 2019 lag volgens buitenlandse media de sleutel tot geluk opvallend vaak in Nederland.

Begin november 2019 publiceerde de Amerikaanse populair-wetenschappelijke website Nautil.us een artikel met de titel: ‘The Simple Dutch Cure for Stress’. En wat is deze eenvoudige Nederlandse manier om met stress om te gaan? Het betreft hier ‘tijd doorbrengen in de wind, door bijvoorbeeld te wandelen of te fietsen’. Deze gewoonte is zo alledaags in Nederland, meldt de schrijver, dat de Nederlanders er een woord voor hebben: ‘uitwaaien’. Caitlin Meyer, docent aan de Universiteit van Amsterdam (Dutch Linguistics) werd gevraagd naar de betekenis van deze term. Je kunt het letterlijk vertalen als ‘outblowing’, verklaarde zij. 

Het artikel haalt nog wat bronnen aan die, we vatten even samen, meldden dat beweging goed voor je is en dat veel Nederlanders vlak bij de kust wonen, waar het goed outblowing is. Het feit dat er geen directe vertaling van dit woord in het Engels is, wordt in het stuk geduid als een bewijs dat de Nederlanders wellicht geheime informatie bezitten die zou moeten worden ontsloten. Conclusie: ‘Open die agenda-app en maak wat tijd vrij om uit te waaien.’

Het was zeker niet de eerste keer in 2019 dat een alledaags Nederlands begrip opeens als een vorm van ultieme wijsheid werd gepresenteerd. Het feit dat de term lastig te vertalen, raar gespeld en onmogelijk is uit te spreken voor Engelstaligen werd gezien als hét bewijs dat wij, de Nederlanders, een vorm van discrete kennis meedragen, diep verborgen in onze taal en cultuur. Dat sloot, zacht gezegd, niet helemaal aan bij onze – zelfgedefinieerde – nuchterheid als nationale karaktertrek.

Maar eerst de aanloop: de Denen gingen ons voor.

Hygge

2016 was het jaar van de internationale doorbraak van hygge, een vorm van Scandinavische zen, die in dat jaar op een haar na werd verkozen tot woord van het jaar in Groot-Brittannië (‘Brexit’ won). Die bijna-verkiezing volgde na een periode dat de bestsellerlijsten werden gedomineerd door zelfhulpboeken als Hygge: The Danish Art of Happiness en How to Hygge: The Nordic Secrets to a Happy Life

Op zoek naar de treffende vertaling voor het begrip werd soms verwezen naar het Nederlandse ‘gezelligheid’, een, volgens Wikipedia, te vergelijken concept van ‘comfort and cosiness’. De mystificering van het begrip ‘gezelligheid’ is een klassieker uit buitenlandse reisgidsen voor Nederland, waarin ‘gezelligheid’ (dat ook altijd onvertaalbaar wordt genoemd) als kern van onze volksaard wordt geschetst. 

‘Gezelligheid’ had lang het rijk alleen, maar afgelopen jaar braken meer Nederlandse begrippen internationaal door. Vaste kenmerken: het aanhalen van respectabele wetenschappers en het gebruik van het oorspronkelijke Nederlandse woord – tegen de achtergrond van het feit dat Nederlanders als bewoners van een van de welvarendste en zelfs gelukkigste landen in de wereld kennelijk iets weten dat de moeite van het delen met de wereldgemeenschap waard is. 

Niet de minste media bogen zich over Nederlandse fenomenen, door Nederlanders zelf geobserveerd met een mengeling van geamuseerde verbazing en iets dat we rustig ‘trots’ kunnen noemen. Opeens waren we weer het gidsland dat we altijd denken of hopen te zijn.

‘Niksen’

Het begon met ‘niksen’. Time Magazine publiceerde op 12 juli een essay met de titel: ‘Niksen Is the Dutch Lifestyle Concept of Doing Nothing – And You’re About to See It Everywhere’. De auteur van het stuk begint met een linguistische en geschiedkundige hink-stap-sprong door de internationale lezers te wijzen op de Deense en de Zweedse voorgangers hygge en lagom, die de aanloop vormen naar een ‘Noord-Europese trend’ om onze stressvolle levens beter in de hand te hebben. ‘Het Nederlandse begrip is zo simpel als, nou, niks doen.’

Time Magazine interviewde socioloog Ruut Veenhoven van de Erasmus Universiteit, emeritus hoogleraar sociale condities voor menselijk geluk. Hij legde de journalist geduldig het verschil uit tussen mindfulness (zó 2015) en niksen, waarbij de laatste duidelijk wordt gepresenteerd als de superieure strategie om met stress om te gaan. Waar je bij mindfulness bewust ‘aanwezig bent in het heden’, met verhoogde concentratie als uitgangspunt, is het bij niksen de bedoeling dat je alleen maar ‘bent’, de geest mag vrij zweven. Langzaam weggezakt op de bank met een nog dichtgeslagen boek en kwijlend wakker geworden met een leeg hoofd? Goed bezig.

Carolien Hamming, directeur van een instelling waar mensen met stress of een burn-out worden geholpen, meldde dat er in Nederland nog wel moest worden gevochten tegen het vastgeroeste idee dat niksen een vorm van luiheid is, maar dat we daar nu wel voorbij waren. Time meldde dat ‘niksen’ een ideale aanloop, hoe paradoxaal ook, naar hogere productiviteit is. De reacties online waren voorspelbaar: in de sfeer van ‘Yo @Time! Lekker aan het niksen!’ met een foto van een man die in een duinpan ligt.

Het stuk over niksen leidde nationaal en internationaal tot een aantal publicaties, maar het niksen zelf kan onmogelijk als een opvolger van hygge worden gezien, wellicht ook omdat tips om te niksen de beoefening ervan behoorlijk in de weg lijken te zitten. Het leidde wel tot nieuwe internationale belangstelling voor Nederlandse levenswijsheden, al dan niet als spiegel van de eigen samenleving. En passant kregen Nederlandse lezers de kans hun eigen land en gewoonten door een exotische bril te zien, als een Japan aan de Noordzee.

Beeld Elzeline Kooy

Dropping

Mochten we denken dat we met het stuk over niksen even het internationale komkommernieuws hadden gehaald, twee weken later (21 juli) begon zich met een publicatie van een groot stuk in The New York Times een patroon af te tekenen. De kop luidde: ‘A Peculiar Dutch Summer Rite: Children Let Loose in the Night Woods’. De foto van Dmitry Kostyokov hielp ook, met een suggestief nachtelijk beeld van een stel kinderen die als in de Lage Landen-editie van Stranger Things een verloren indruk maken op een onverharde weg in de duisternis. Op een ander verontrustend beeld zien we een stel kinderen geblinddoekt in een auto zitten.

Waarover ging het hier – nog los van het feit dat night woods in een Nederlandse setting ook een beetje klinkt als Dutch Mountains? Het ging hier om ‘een Nederlandse scoutingtraditie, ook bekend als dropping’, waarbij kinderen in een bos worden achtergelaten en worden verondersteld hun weg naar huis te vinden, aldus de beste krant ter wereld. 

Het kan zijn dat dit in de ogen van de gemiddelde Amerikaan, die in een land met eindeloze wildernis leeft zonder ook maar een enkele ANWB-paddestoel in de wijde omtrek, als een buitengewoon wreed ritueel klonk. De Times had het goed uitgezocht en uit de archieven anekdoten opgediept waarbij een dropping eindigde in een fataal verkeersongeluk of de leiders zich tijdens de dropping bij het kampvuur in een roes dronken en de kinderen compleet vergaten. Maar, is de toon van het stuk, dat zijn de risico’s die in Nederland aanvaardbaar zijn als je je kind zelfstandigheid wilt bijbrengen. De krant presenteerde de dutch dropping als een overgangsrite naar volwassenheid dat contrasteert met de gemiddelde Amerikaanse opvoeding die van elk gezin met kinderen een kleine surveillancestaat maakt, waarvoor het begrip helicopter parenting bestaat.  

Waren de reacties op niksen nog redelijk ingetogen, over de droppings gingen vooral Nederlandse lezers van het stuk op sociale media helemaal los. Het ene na het andere horrorverhaal werd uit de mouw geschud, over neefjes die twintig jaar geleden ‘in de wouden’ verdwenen en nooit meer waren gezien, of mensen die meldden dat ze na een dropping door eekhoorns zijn opgevoed. Op hun beurt meldden Amerikanen dat je kinderen afzetten bij school in tijden van school shootings heel wat gevaarlijker is dan een nacht in een Nederlands bos.

Was The New York Times van het padje af of hadden ze hier een punt over het belang van dit soort rituelen bij het opvoeden? Al was dit punt misschien vooral een extra voorbeeld in de discussie rond de nadelen van gangbare Amerikaanse opvoedpraktijken. Je kunt ook stellen dat Nederlanders zelf nogal een blinde hoek hebben als het gaat over nationale zelfreflectie (zie ook: Zwarte Piet). Voor een land dat worstelt met de eigen identiteit (met een tractor-emoji ben je er nog niet helemaal): zijn wij zelf wel in staat te zien wat er ‘typisch’ Nederlands is? En wat er al dan niet waardevol aan is? Of hebben we daarvoor de blik van een buitenstaander nodig? 

Wie erop begon te letten zag dit jaar overal Nederlandse begrippen opduiken in een, voornamelijk, Amerikaanse context. In een opmerkelijke aflevering van de podcast This American Life (aflevering 684, ‘Burn It Down’) ging het een klein uur lang over de jarenlange crisis bij de Amsterdamse brandweer. Met crisismanager Leen Schaap als transparante hoofdrolspeler zag de bekende Amerikaanse podcast een mogelijkheid om iets te zeggen over de beruchte zwijgcultuur, het racisme en seksisme in brandweerkazernes – ook in Amerikaans verband problematisch.

En passant probeerde journalist Joanna Kakissis een aantal Nederlandse zaken te duiden voor haar internationale luisterpubliek, wat tot een ongemakkelijke luisterervaring leidde. Daar was Zwarte Piet weer, en ‘kanker-Marokkanen’ (vertaald als cancer Moroccans) en poldermodel (met Amerikaans accent uit te spreken), dat werd gepresenteerd als een vorm van overleg waarbij uiteindelijk de grootste bek wint.

Er was ook goed nieuws. Een van de meest besproken Nederlandse architectonische onderwerpen in internationale architectuurbladen en op architectuursites was afgelopen jaar niet een monumentaal gebouw dat hoog boven ons landschap uitsteekt, maar de grootste ondergrondse fietsparkeergarage ter wereld in Utrecht, een ontwerp van Ector Hoogstad Architecten. Met 12.656 parkeerplaatsen, drie verdiepingen de grond in, overtrof het de eerdere kampioen in Tokio (35 miljoen inwoners) waar ruimte is voor 9.000 fietsen.

Was fietsen jarenlang synoniem met de veronderstelde kneuterigheid van ons land, waar de fietsende premier op een lijn stond met Hansje Brinker met zijn vinger in de lekkende dijk, is onze fietscultuur tegenwoordig een lichtend voorbeeld in de wereld. ‘Wat een ontzettend vooruitstrevend project!’, schreef een van de enthousiaste lezers onder het profiel van de parkeergarage op de prestigieuze architectuurwebsite Dezeen

Misschien kwam de internationale bewondering voor het Nederlandse fietsen dit jaar nog het best naar voren in een stuk van de Amerikaan Dan Kois in The New Yorker (13 september), een voorpublicatie van zijn inmiddels verschenen boek How to Be a Family – The Year I Dragged my Kids around the World to Find a New Way to Be Together. Titel van het artikel: ‘How I Learned to Cycle Like a Dutchman’ (Hoe ik leerde fietsen als een Nederlander).

Beeld Elzeline Kooy

Uit de comfortzone

In de drie maanden dat het gezin in Delft woonde, besloten Dan en zijn vrouw Alia zich met hun jonge kinderen aan te passen aan de Nederlandse gewoonten. Het hele punt van de reis was om met z’n allen uit de comfortzone te komen. Het hield in dat ze met het hele gezin gingen fietsen – zonder helm, vrijwel ondenkbaar in de Verenigde Staten. Net als de Nederlanders dus, die, zoals we allemaal weten, het liefst fietsen met ‘hun blonde koppies in de zachte noorderzon’.

Kois, die als fietser in de VS gewend was als verkeersdeelnemer zijn leven iedere keer weer in de waagschaal te leggen, schreef een ode aan de Nederlandse fietsinfrastructuur, aan een land waar ‘fietsers de baas zijn’. Maar als hij zich met zijn ongeoefende gezin in het chaotische verkeer van het centrum van Delft begeeft, komt hij tot de conclusie dat het niet het systeem van fietspaden en verkeersregels is, maar dat met overtuiging fietsen door een stad een gemoedstoestand is. Dat de verkeersgebruiker in de stad, ook en vooral de automobilisten, zijn individuele behoefte moet onderwerpen aan de behoefte van de gemeenschap. 

Kois introduceert aan zijn Amerikaanse lezers het buitenissige concept van de 30-kilometerzone en spreekt Wim Bot van de Fietsersbond die het gedrag van de duizenden fietsers in een Nederlands spitsuur vergelijkt met de patronen van spreeuwen in een zwerm. En wie wil daar nou niet bij horen?

‘Ik deed m’n best’, schrijft Kois. ‘Lang of blond kon ik niet meer worden, maar ik kon wel proberen te fietsen alsof ik het was.’ Op een van zijn laatste dagen in Nederland fietst Dan Kois met zijn kinderen naar de grootste verkeersrotonde die hij kent, bij het Delflandplein in Den Haag, ‘een meesterwerk van oersaaie stedelijke architectuur’. En terwijl ze een succesvol – om niet te zeggen triomfantelijk – rondje afleggen, voelt de familie zich heel even opgenomen in de Nederlandse samenleving. 

Laatste regel van het artikel: ‘We were fietsers.’

Bronvermelding

Fietsen, niksen, droppings: Nederland deed het goed dit jaar

Van fietsen tot niksen: in 2019 lag volgens buitenlandse media de sleutel tot geluk opvallend vaak in Nederland.

Begin november 2019 publiceerde de Amerikaanse populair-wetenschappelijke website Nautil.us een artikel met de titel: ‘The Simple Dutch Cure for Stress’. En wat is deze eenvoudige Nederlandse manier om met stress om te gaan? Het betreft hier ‘tijd doorbrengen in de wind, door bijvoorbeeld te wandelen of te fietsen’. Deze gewoonte is zo alledaags in Nederland, meldt de schrijver, dat de Nederlanders er een woord voor hebben: ‘uitwaaien’. Caitlin Meyer, docent aan de Universiteit van Amsterdam (Dutch Linguistics) werd gevraagd naar de betekenis van deze term. Je kunt het letterlijk vertalen als ‘outblowing’, verklaarde zij. 

Het artikel haalt nog wat bronnen aan die, we vatten even samen, meldden dat beweging goed voor je is en dat veel Nederlanders vlak bij de kust wonen, waar het goed outblowing is. Het feit dat er geen directe vertaling van dit woord in het Engels is, wordt in het stuk geduid als een bewijs dat de Nederlanders wellicht geheime informatie bezitten die zou moeten worden ontsloten. Conclusie: ‘Open die agenda-app en maak wat tijd vrij om uit te waaien.’

Het was zeker niet de eerste keer in 2019 dat een alledaags Nederlands begrip opeens als een vorm van ultieme wijsheid werd gepresenteerd. Het feit dat de term lastig te vertalen, raar gespeld en onmogelijk is uit te spreken voor Engelstaligen werd gezien als hét bewijs dat wij, de Nederlanders, een vorm van discrete kennis meedragen, diep verborgen in onze taal en cultuur. Dat sloot, zacht gezegd, niet helemaal aan bij onze – zelfgedefinieerde – nuchterheid als nationale karaktertrek.

Maar eerst de aanloop: de Denen gingen ons voor.

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie

Hygge

2016 was het jaar van de internationale doorbraak van hygge, een vorm van Scandinavische zen, die in dat jaar op een haar na werd verkozen tot woord van het jaar in Groot-Brittannië (‘Brexit’ won). Die bijna-verkiezing volgde na een periode dat de bestsellerlijsten werden gedomineerd door zelfhulpboeken als Hygge: The Danish Art of Happiness en How to Hygge: The Nordic Secrets to a Happy Life

Op zoek naar de treffende vertaling voor het begrip werd soms verwezen naar het Nederlandse ‘gezelligheid’, een, volgens Wikipedia, te vergelijken concept van ‘comfort and cosiness’. De mystificering van het begrip ‘gezelligheid’ is een klassieker uit buitenlandse reisgidsen voor Nederland, waarin ‘gezelligheid’ (dat ook altijd onvertaalbaar wordt genoemd) als kern van onze volksaard wordt geschetst. 

‘Gezelligheid’ had lang het rijk alleen, maar afgelopen jaar braken meer Nederlandse begrippen internationaal door. Vaste kenmerken: het aanhalen van respectabele wetenschappers en het gebruik van het oorspronkelijke Nederlandse woord – tegen de achtergrond van het feit dat Nederlanders als bewoners van een van de welvarendste en zelfs gelukkigste landen in de wereld kennelijk iets weten dat de moeite van het delen met de wereldgemeenschap waard is. 

Niet de minste media bogen zich over Nederlandse fenomenen, door Nederlanders zelf geobserveerd met een mengeling van geamuseerde verbazing en iets dat we rustig ‘trots’ kunnen noemen. Opeens waren we weer het gidsland dat we altijd denken of hopen te zijn.

‘Niksen’

Het begon met ‘niksen’. Time Magazine publiceerde op 12 juli een essay met de titel: ‘Niksen Is the Dutch Lifestyle Concept of Doing Nothing – And You’re About to See It Everywhere’. De auteur van het stuk begint met een linguistische en geschiedkundige hink-stap-sprong door de internationale lezers te wijzen op de Deense en de Zweedse voorgangers hygge en lagom, die de aanloop vormen naar een ‘Noord-Europese trend’ om onze stressvolle levens beter in de hand te hebben. ‘Het Nederlandse begrip is zo simpel als, nou, niks doen.’

Time Magazine interviewde socioloog Ruut Veenhoven van de Erasmus Universiteit, emeritus hoogleraar sociale condities voor menselijk geluk. Hij legde de journalist geduldig het verschil uit tussen mindfulness (zó 2015) en niksen, waarbij de laatste duidelijk wordt gepresenteerd als de superieure strategie om met stress om te gaan. Waar je bij mindfulness bewust ‘aanwezig bent in het heden’, met verhoogde concentratie als uitgangspunt, is het bij niksen de bedoeling dat je alleen maar ‘bent’, de geest mag vrij zweven. Langzaam weggezakt op de bank met een nog dichtgeslagen boek en kwijlend wakker geworden met een leeg hoofd? Goed bezig.

Carolien Hamming, directeur van een instelling waar mensen met stress of een burn-out worden geholpen, meldde dat er in Nederland nog wel moest worden gevochten tegen het vastgeroeste idee dat niksen een vorm van luiheid is, maar dat we daar nu wel voorbij waren. Time meldde dat ‘niksen’ een ideale aanloop, hoe paradoxaal ook, naar hogere productiviteit is. De reacties online waren voorspelbaar: in de sfeer van ‘Yo @Time! Lekker aan het niksen!’ met een foto van een man die in een duinpan ligt.

Het stuk over niksen leidde nationaal en internationaal tot een aantal publicaties, maar het niksen zelf kan onmogelijk als een opvolger van hygge worden gezien, wellicht ook omdat tips om te niksen de beoefening ervan behoorlijk in de weg lijken te zitten. Het leidde wel tot nieuwe internationale belangstelling voor Nederlandse levenswijsheden, al dan niet als spiegel van de eigen samenleving. En passant kregen Nederlandse lezers de kans hun eigen land en gewoonten door een exotische bril te zien, als een Japan aan de Noordzee.

Beeld Elzeline Kooy

Dropping

Mochten we denken dat we met het stuk over niksen even het internationale komkommernieuws hadden gehaald, twee weken later (21 juli) begon zich met een publicatie van een groot stuk in The New York Times een patroon af te tekenen. De kop luidde: ‘A Peculiar Dutch Summer Rite: Children Let Loose in the Night Woods’. De foto van Dmitry Kostyokov hielp ook, met een suggestief nachtelijk beeld van een stel kinderen die als in de Lage Landen-editie van Stranger Things een verloren indruk maken op een onverharde weg in de duisternis. Op een ander verontrustend beeld zien we een stel kinderen geblinddoekt in een auto zitten.

Waarover ging het hier – nog los van het feit dat night woods in een Nederlandse setting ook een beetje klinkt als Dutch Mountains? Het ging hier om ‘een Nederlandse scoutingtraditie, ook bekend als dropping’, waarbij kinderen in een bos worden achtergelaten en worden verondersteld hun weg naar huis te vinden, aldus de beste krant ter wereld. 

Het kan zijn dat dit in de ogen van de gemiddelde Amerikaan, die in een land met eindeloze wildernis leeft zonder ook maar een enkele ANWB-paddestoel in de wijde omtrek, als een buitengewoon wreed ritueel klonk. De Times had het goed uitgezocht en uit de archieven anekdoten opgediept waarbij een dropping eindigde in een fataal verkeersongeluk of de leiders zich tijdens de dropping bij het kampvuur in een roes dronken en de kinderen compleet vergaten. Maar, is de toon van het stuk, dat zijn de risico’s die in Nederland aanvaardbaar zijn als je je kind zelfstandigheid wilt bijbrengen. De krant presenteerde de dutch dropping als een overgangsrite naar volwassenheid dat contrasteert met de gemiddelde Amerikaanse opvoeding die van elk gezin met kinderen een kleine surveillancestaat maakt, waarvoor het begrip helicopter parenting bestaat.  

Waren de reacties op niksen nog redelijk ingetogen, over de droppings gingen vooral Nederlandse lezers van het stuk op sociale media helemaal los. Het ene na het andere horrorverhaal werd uit de mouw geschud, over neefjes die twintig jaar geleden ‘in de wouden’ verdwenen en nooit meer waren gezien, of mensen die meldden dat ze na een dropping door eekhoorns zijn opgevoed. Op hun beurt meldden Amerikanen dat je kinderen afzetten bij school in tijden van school shootings heel wat gevaarlijker is dan een nacht in een Nederlands bos.

Was The New York Times van het padje af of hadden ze hier een punt over het belang van dit soort rituelen bij het opvoeden? Al was dit punt misschien vooral een extra voorbeeld in de discussie rond de nadelen van gangbare Amerikaanse opvoedpraktijken. Je kunt ook stellen dat Nederlanders zelf nogal een blinde hoek hebben als het gaat over nationale zelfreflectie (zie ook: Zwarte Piet). Voor een land dat worstelt met de eigen identiteit (met een tractor-emoji ben je er nog niet helemaal): zijn wij zelf wel in staat te zien wat er ‘typisch’ Nederlands is? En wat er al dan niet waardevol aan is? Of hebben we daarvoor de blik van een buitenstaander nodig? 

Wie erop begon te letten zag dit jaar overal Nederlandse begrippen opduiken in een, voornamelijk, Amerikaanse context. In een opmerkelijke aflevering van de podcast This American Life (aflevering 684, ‘Burn It Down’) ging het een klein uur lang over de jarenlange crisis bij de Amsterdamse brandweer. Met crisismanager Leen Schaap als transparante hoofdrolspeler zag de bekende Amerikaanse podcast een mogelijkheid om iets te zeggen over de beruchte zwijgcultuur, het racisme en seksisme in brandweerkazernes – ook in Amerikaans verband problematisch.

En passant probeerde journalist Joanna Kakissis een aantal Nederlandse zaken te duiden voor haar internationale luisterpubliek, wat tot een ongemakkelijke luisterervaring leidde. Daar was Zwarte Piet weer, en ‘kanker-Marokkanen’ (vertaald als cancer Moroccans) en poldermodel (met Amerikaans accent uit te spreken), dat werd gepresenteerd als een vorm van overleg waarbij uiteindelijk de grootste bek wint.

Er was ook goed nieuws. Een van de meest besproken Nederlandse architectonische onderwerpen in internationale architectuurbladen en op architectuursites was afgelopen jaar niet een monumentaal gebouw dat hoog boven ons landschap uitsteekt, maar de grootste ondergrondse fietsparkeergarage ter wereld in Utrecht, een ontwerp van Ector Hoogstad Architecten. Met 12.656 parkeerplaatsen, drie verdiepingen de grond in, overtrof het de eerdere kampioen in Tokio (35 miljoen inwoners) waar ruimte is voor 9.000 fietsen.

Was fietsen jarenlang synoniem met de veronderstelde kneuterigheid van ons land, waar de fietsende premier op een lijn stond met Hansje Brinker met zijn vinger in de lekkende dijk, is onze fietscultuur tegenwoordig een lichtend voorbeeld in de wereld. ‘Wat een ontzettend vooruitstrevend project!’, schreef een van de enthousiaste lezers onder het profiel van de parkeergarage op de prestigieuze architectuurwebsite Dezeen

Misschien kwam de internationale bewondering voor het Nederlandse fietsen dit jaar nog het best naar voren in een stuk van de Amerikaan Dan Kois in The New Yorker (13 september), een voorpublicatie van zijn inmiddels verschenen boek How to Be a Family – The Year I Dragged my Kids around the World to Find a New Way to Be Together. Titel van het artikel: ‘How I Learned to Cycle Like a Dutchman’ (Hoe ik leerde fietsen als een Nederlander).

Beeld Elzeline Kooy

Uit de comfortzone

In de drie maanden dat het gezin in Delft woonde, besloten Dan en zijn vrouw Alia zich met hun jonge kinderen aan te passen aan de Nederlandse gewoonten. Het hele punt van de reis was om met z’n allen uit de comfortzone te komen. Het hield in dat ze met het hele gezin gingen fietsen – zonder helm, vrijwel ondenkbaar in de Verenigde Staten. Net als de Nederlanders dus, die, zoals we allemaal weten, het liefst fietsen met ‘hun blonde koppies in de zachte noorderzon’.

Kois, die als fietser in de VS gewend was als verkeersdeelnemer zijn leven iedere keer weer in de waagschaal te leggen, schreef een ode aan de Nederlandse fietsinfrastructuur, aan een land waar ‘fietsers de baas zijn’. Maar als hij zich met zijn ongeoefende gezin in het chaotische verkeer van het centrum van Delft begeeft, komt hij tot de conclusie dat het niet het systeem van fietspaden en verkeersregels is, maar dat met overtuiging fietsen door een stad een gemoedstoestand is. Dat de verkeersgebruiker in de stad, ook en vooral de automobilisten, zijn individuele behoefte moet onderwerpen aan de behoefte van de gemeenschap. 

Kois introduceert aan zijn Amerikaanse lezers het buitenissige concept van de 30-kilometerzone en spreekt Wim Bot van de Fietsersbond die het gedrag van de duizenden fietsers in een Nederlands spitsuur vergelijkt met de patronen van spreeuwen in een zwerm. En wie wil daar nou niet bij horen?

‘Ik deed m’n best’, schrijft Kois. ‘Lang of blond kon ik niet meer worden, maar ik kon wel proberen te fietsen alsof ik het was.’ Op een van zijn laatste dagen in Nederland fietst Dan Kois met zijn kinderen naar de grootste verkeersrotonde die hij kent, bij het Delflandplein in Delft, ‘een meesterwerk van oersaaie stedelijke architectuur’. En terwijl ze een succesvol – om niet te zeggen triomfantelijk – rondje afleggen, voelt de familie zich heel even opgenomen in de Nederlandse samenleving. 

Laatste regel van het artikel: ‘We were fietsers.’

Bronvermelding

Muziek en architectuur hebben elkaar iets bijzonders te vertellen, laat The Waves zien ★★★★☆

The Waves van Espen Sommer Eide in kunsthuis Marres in Maastricht. Beeld Jochem Vanden Ecker

In de normaal gesproken doodstille momenten tussen lopende tentoonstellingen door had Marres, Huis voor Hedendaagse Cultuur in Maastricht, het afgelopen jaar een bijzondere gast: Espen Sommer Eide. Samen met vocalist Mari Kvien Brunvoll en tubaspeler Martin Taxt vulde de Noorse componist die tussenruimte met nachtelijke optredens en muzikale dwaaltochten. De opnamen die tijdens die nachtelijke sessies werden gemaakt vormen de basis voor de muzikale installatie die nu in Marres te horen is.

The Waves is een typische Marres-tentoonstelling: plaatsgebonden, interdisciplinair, en vooral net een beetje anders dan anders. Het kunsthuis, gevestigd in een oud herenhuis in hartje Maastricht, lijkt zich weinig aan te trekken van modieuze grillen in de kunstwereld en verrast daardoor keer op keer. Onder de noemer ‘Training the senses’ besteedt het huis sinds 2013 aandacht aan het aanspreken van verschillende zintuigen. Naast beeldend kunstenaars werd Marres in dat kader al bevolkt door parfummakers, dansers en chefkoks. En nu door een componist, die The Waves parallel aan de tentoonstelling ook als plaat uitbracht. Wat meteen de vraagt oproept: waarom die tentoonstelling, als je de muziek ook rustig thuis op de bank kunt beluisteren?

Waarom? Omdat muziek en architectuur elkaar iets bijzonders te vertellen hebben, zo blijkt. Espen Sommer Eide laat ze een intrigerend gesprek met elkaar voeren, met een gemeenschappelijke basis. Dat gesprek begon al tijdens de opnamen, waarbij de muzikanten haast als wetenschappers door de verschillende ruimtes liepen om de trillingen en tonen van elke kamer op te vangen. Met behulp van een bijzondere, microtonale tuba vonden ze naar toonhoogten die resoneerden in specifieke ruimtes. Architectuur, zo voel je in The Waves, is beweging. Muziek is dat ook. Ritme is ruimte.

De muziekstukken die uit die nachtelijke sessies voortkwamen vormen in de tentoonstelling een tweede huid van het gebouw, uitgestrekt over de verschillende ruimtes. Elke kamer brengt een eigen muziekstuk, en de hele compositie ontvouwt zich terwijl je door de gangen en kamers dwaalt. Op de begane grond klinkt uit massieve boxen een opzwepend, bassend ritme, als paarden die voorbij galopperen. Boven klinken ijlere melodieën en stemmen die de muren en kieren aftasten en de ruimte open trekken.

Het blijft onduidelijk wat deze klanken, melodieën en ritmen nu precies vertellen over dit huis of de geschiedenis ervan. Aan de andere kant: dat dat abstract blijft, is juist een kracht. The Waves is een ervaring, geen verhaal.

Daarmee vertoont The Waves een mooie overeenkomst met de gelijknamig roman van de modernistische schrijver Virginia Woolf. De roman, een van haar minder bekende en meest experimentele, is opgebouwd rond zes verschillende personages die om beurten een deel van het verhaal vertellen, zonder dat je precies weet waar de stemmen vandaan komen. Alles gebeurt tegelijk en door elkaar heen.

Net als de stemmen in de roman staan de muziekstukken op zichzelf en vormen ze samen ook een geheel. De verschillende kamers zijn met elkaar in gesprek, ze beantwoorden en echoën elkaar, en trekken je aandacht mee van de ene ruimte naar de andere. Een beetje alsof je als luisteraar zowel op een plek kunt zitten als overal tegelijk kunt zijn.

‘Ik schrijf een ritme en geen plot’, zo omschreef Virginia Woolf The Waves zelf in haar dagboeken. In Marres wordt dat ritme op een intrigerende manier tot leven gewekt.

Espen Sommer Eide. The Waves

Beeldende kunst

★★★★☆

24/12, Marres, Huis voor hedendaagse cultuur, Maastricht.

Aldaar t/m 2/2.

Meer luisterkunst

Huisgeluid en walviszang
De jonge kunstenaar Elise ’t Hart viel vorig jaar tijdens Art Rotterdam op met haar Instituut voor Huisgeluid: een archief van alledaagse geluiden, van rinkelend servies tot tikkende klokken. Het archief, aangevuld met nieuw werk, is nu te beluisteren in galerie Cokkie Snoei. Ze exposeert er samen met Vibeke Mascini, die in Salvage de communicatie van walvissen verbindt met de vervuiling van hedendaagse scheepvaart.

A click or a whistle. Elise ’t Hart en Vibeke Mascini.
Galerie Cokkie Snoei, Rotterdam, t/m 12/1.

Ontmoeting
Op uitnodiging van het Cobra Museum liet singer-songwriter Blaudzun zich inspireren door een serie gouaches van de in 2010 overleden schilder Sigmar Polke. Het resultaat is niet direct een battle, zoals de titel doet vermoeden, wel een ontmoeting tussen twee kunstvormen.

Polke vs. Blaudzun, Muziek van onbekende herkomst.
Cobra Museum, Amstelveen, t/m 5/4.

Bronvermelding

De mooiste covers volgens onze artdirector Jaap ‘coverjunkie’ Biemans

De cover van de techspecial van het New York Times Magazine, gemaakt door het duo Maurizio Cattelan en Pierpaolo Ferrari. Beeld New York Times Magazine

Even kort door de bocht. 2017 was het jaar van de Trump-cover. Aan het eind van dat jaar waren de hyperbolen wel op. Trump als Hitler: check! Leuk, die barcode zo onder zijn neus. Trump als uitslaande brand, als tornado, met een KKK-masker, als horrorclown. Er bleef weinig speelruimte over. 

In het jaarlijkse overzicht dat we maken met Jaap Biemans, de artdirector van Volkskrant Magazine en eminent coverkenner die wereldwijd als @coverjunkie wordt gevolgd op Instagram, concludeerde hij dat Trump als coverbeeld eind 2017 ‘echt niet meer kon’. En zo werd 2018 het jaar van de ijzersterke covers over de grote sociale onderwerpen, en over de liefde. Noem het een reactie op de ijzige wind van de liefdeloosheid die door de politiek waaide.

Biemans, die deze maand de Mercur d’Or won, de grote oeuvreprijs van de tijdschriftenwereld, wil het ditmaal hebben over de covers van The New York Times Magazine, het blad dat wekelijks bij de zondageditie van de krant zit en dat ‘met ruime voorsprong’ het hoogste gemiddelde niveau van het afgelopen jaar haalt. Biemans denkt dat 2019 bij dat ene blad zeker veertig topcovers heeft opgeleverd. En de rest was ook lang niet slecht. ‘Kijk, iedereen kan één goede cover per jaar maken, maar zo consequent goed zijn is uitzonderlijk.’

Nog even over Trump: de impeachment leverde nog even een kleine opleving in Trump-covers op, vooral omdat daar de perzik (peach) creatief gebruikt kon worden. Op de cover van Guardian Weekly werd het Witte Huis verpletterd door de vrucht en New York Magazine legde Trump zelf onder een ‘giant peach’ (zie ook Roald Dahl) met daarop het woord ‘finally’ (eindelijk).

Terug naar The New York Times Magazine. Biemans legt de zes beste covers voor uit een buitengewoon jaar, waarin het blad onder leiding stond van Gail Bichler (design director), Kathy Ryan (chef fotografie) en Jake Silverstein (hoofdredacteur). ‘Het is een blad waar de grootste talenten zitten’, aldus Biemans, ‘maar waar ze ook in staat zijn om de belangrijkste fotografen, illustratoren en kunstenaars van het moment om werk te vragen.’

Neem de recente techspecial (16 november) waarvoor het duo Maurizio Cattelan (ja, van de banaan en vele andere surrealistische kunstgrappen) en Pierpaolo Ferrari waren gevraagd een voorstel voor de cover te doen. Het duo vormt ook de hoofdredactie van het fotografiemagazine Toilet Paper. Ze kwamen met een aantal voorstellen, maar het werd deze kat, die met zijn woeste blik en wilde vacht (na een shampoobehandeling) stond voor alles wat er was misgegaan met het internet. De kat verwees naar onschuldiger tijden en naar Grumpy Cat, een van de eerste populaire memes. In gifgroene letters, tegen een blauwe achtergrond, luidde de kop: ‘So the internet didn’t turn out the way we hoped.’

Het portret van Madonna door de Franse kunstenaar en fotograaf JR. Beeld New York Times Magazine

Biemans wijst op het sterke gebruik van de typografie, iets wat hij ook wil benadrukken met de keuze van een andere topcover van dit jaar: De Franse kunstenaar en fotograaf JR maakte de cover voor ‘Madonna at Sixty’. De zestigjarige artiest kijkt naar ons door een scheur in een groot portret van haar jongere zelf, precies op de plek van haar oog. Een ijzersterk en ontroerend portret van Madonna, die nu ze ouder wordt steeds meer in de schaduw van haar jongere zelf, de baanbrekende superster, moet leven. ‘En let even op de titel en de naam van de auteur, die precies in het verlengde van de scheur in het doek zijn geplaatst.’

Wat hem behalve deze typografische finesse ook zo bevalt, is hoe The New York Times Magazine omgaat met het hele fenomeen ‘celebrity’. ‘Hoeveel bladen zouden het niet uitschreeuwen: ‘We hebben Madonna. We hebben J.Lo!’ En dan maar de meest herkenbare, mooiste foto op de cover zetten.’ Natuurlijk, tijdschriften bij kranten concurreren in de kiosk niet mee met de andere bladen. De vrijheid is groter, maar die vrijheid wordt dan ook wel genomen. Voor het jaarlijkse nummer over de ‘Great Performers’ werden tien verschillende covers geschoten, met de grootste sterren van het moment. Soms nauwelijks herkenbaar, en in dit geval geheel zonder tekst, zoals in het fraaie zwart-witportret van Jennifer Lopez van Jack Davison.

Het portret van Jennifer Lopez in het themanummer ‘Great Performers’. Beeld New York Times Magazine
Een versleten icoon werd opnieuw tot leven gewekt. Beeld New York Times Magazine

‘En kijk nu eens wat ze doen met de smiley, een beeldmerk dat eigenlijk helemaal niet meer kan.’ De tekst: ‘What makes a ‘good job’ good?’ En dan pas zie je de glazenwasser rechtsonder en realiseer je je de schaal van het beeld. En zo wordt een versleten icoon opnieuw tot leven gewekt.

Als hij zou moeten kiezen,  dan zou hij toch voor de typografische cover van 2 juni gaan, een special over performers in New York. ‘A star is made. Twelve performers, from an opera singer to a subway dancer, show what it takes to light up the stage in New York City’. Deze tekst is getransformeerd tot een affiche-achtige cover. ‘Print als een kadootje’, noemt Biemans het. The NYT Magazine legt de lat elke week hoog. Uitdaging aan alle andere bladenmakers: probeer er in 2020 af en toe overheen te springen.

De typografische cover van 2 juni, over performers in New York. Beeld New York Times Magazine

Laten zien zonder het te laten zien

Biemans was zelf redelijk tevreden over de cover van 1 juni 2019, met het verhaal van Nadia Ezzeroili over de ‘dickpic‘, waarvoor het magazine de Nederlandse vertaling ‘piemelselfie‘ verzon. Iets laten zien zonder het te laten zien, zo kun je de uitdaging formuleren. Binnenin werd het verhaal geïllustreerd met werk van Beni Bischof, portretten van mensen waar de kunstenaar op de plek van de neus een vinger doorheen prikt. In die stijl prikte Biemans een vinger door de cover. Er waren mensen die er aanstoot aan namen. ‘Het was een vinger!’

Bronvermelding

De laatste liedjes, woorden of minuten – wat zegt het laatste werk van een kunstenaar?

Franz Marc, De bomen tonen hun ringen, de dieren hun aderen, 194.7 x 263.5 cm; olie op doek. Beeld Kunstmuseum Basel, Martin P. Bühler

Een vreugdevuur kon je het niet noemen: in 1913, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, begon de Duitse expressionist Franz Marc aan zijn spectaculairste schilderij. Het mat een lijvige 2 bij 2 meter en toonde geabstraheerde herten en andere beesten die ten onder onder gingen in een veelkleurige vlammenzee. De bomen tonen hun ringen, de dieren hun aderen, noemde Marc het werk dat zijn zwanenzang zou blijken: drie jaar na voltooiing sneuvelde de kunstenaar als oorlogsvrijwilliger tijdens een militaire patrouille. Het doek zelf bleef ook niet ongedeerd. Het liep schade op tijdens de Marc-herdenkingsexpositie in Berlijn dat jaar, ironisch genoeg door een brand. De rechterkant van het werk was nu zwartgeblakerd. Maar daarmee was de kous niet af.

Drie jaar later werd Marcs doek bij wijze van eerbetoon hersteld door Paul Klee, die samen met Marc deel had uitgemaakt van de kunstenaarsgroep Der Blaue Reiter. Met behulp van voorstudies en foto’s bracht Klee De bomen tonen hun ringen terug in de originele staat, of iets wat daar op leek. De gereconstrueerde rechterhelft was donkerder en somberder dan voorheen, waardoor het doek oogde alsof het op z’n kant had liggen weken in de oude thee. Klee veranderde tevens de titel naar Het lot der dieren.

Tegenwoordig hangt het doek in het Kunstmuseum in Basel, en wie er met voorkennis naar kijkt, kan er moeilijk geen onheilsbode in zien. De schaduw aan de rechterkant is haast een te makkelijke metafoor voor de dreigende oorlog en Marcs dood. 

Daarmee behoort het schilderij tot een illuster gezelschap van laatste werken (Van Goghs Korenveld met kraaien, Mondriaans Victory Boogie Woogie) wier zeggingskracht en symbolische waarde het object zelf overstijgen. In The End, de nieuwe essaybundel van kunsthistoricus Carel Blotkamp over ‘het einde’ in de kunst, spelen zulke werken een bepalende rol.

Blotkamp is een zeldzaamheid in het Nederlandse kunsthistorische wereldje: een specialist (hij schreef onder meer gezaghebbende studies over Mondriaan en Pyke Koch), die tegelijk een generalist is. Een nieuw boek van zijn hand is iets om je op te verheugen, vanwege zijn ontspannen stijl en zijn bereik: het vermogen om verbanden te leggen tussen kunstuitingen die eeuwen uiteen liggen.

The End is een soort clubsandwich: stevig gedocumenteerde casussen over Rafaël en Mondriaan zitten ingeklemd tussen lossere verhandelingen over hoe kunstenaars de dood hebben verbeeld, die van henzelf en anderen, collega’s incluis. Het cirkelt rond het thema zonder dwingende conclusies te trekken, maar het hart betreft laatste kunstwerken.

Onze fascinatie voor dergelijke sluitstukken maakt waarschijnlijk deel uit van een behoefte aan betekenisvolle finales: laatste liedjes, laatste woorden, laatste minuten. Kennelijk is het idee dat de dingen ongemerkt voorbij glijden ons een gruwel. Ook bij lang geleden overleden kunstenaars is er die drang om de rekening op te maken en op te blijven maken.  Van een laatste kunstwerk verwachten we onbewust dat het ons iets vertelt over het leven en werk dat eraan voorafging.

In de praktijk is het trouwens nog knap lastig om vast te stellen welk werk nu precies het laatste is. Anders dan bij Laurens Alma Tadema, die zijn werk plichtgetrouw dateerde, of Jan Schoonhoven, die zijn reliëfs een code gaf, is bij de meeste makers de chronologie amper te achterhalen. En zelfs als we over de volgorde beschikken, is het lang niet altijd evident welk werk het predikaat van de allerlaatste verdient. In werkelijkheid werkt een schilder aan verschillende stukken tegelijk. Vaak zijn er meerdere laatste werken.

Rond zulke stukken hangt een aura van noodlottigheid, maar ziekte en sterfte zijn slechts één reden waarom een kunstenaar zijn laatste kunstwerk maakt. Gebrek aan ambitie of inspiratie zijn andere.

De 17de-eeuwse Dordtse landschapsschilder Albert Cuyp hing zijn kwast aan de wilgen omdat hij financieel binnen was; de 20ste-eeuwse magisch realist Pyke Koch omdat hij niets nieuws meer had toe te voegen. Voor hen was ‘de laatste’ een bevrijding. Maar wat valt er over zulke werken nu precies te beweren?

Ze zijn in elk geval niet per definitie de beroemdste werk uit een oeuvre. Michelangelo’s laatste beeld, de Rondanini Pietà, bijvoorbeeld, kwijnde een eeuwigheid weg op de binnenplaats van een palazzo voordat modernistische beeldhouwers ermee aan de haal gingen.

Een kunstenaars laatste werk is ook slechts zeer zelden zijn beste werk. Zelfs bij kunstenaars die beroemd zijn vanwege hun Altersstil (de stijl van de kunstenaar op hogere leeftijd), zoals Rembrandt of Picasso, is het slotakkoord bijna nooit het welluidendst. Eigenlijk draait het bij laatste kunstwerken sowieso zelden om intrinsieke kwaliteiten. Wat telt is hun receptie. Het laatste kunstwerk voedt of bestendigt de mythe rond een kunstenaar, en wint, op zijn beurt, daardoor zelf aan gewicht. Soms kent die wisselwerking hagiografische trekjes.

Rafaël, De transfiguratie, olie op hout, 1519-1520, Vaticaans Museum. Beeld Getty

In die categorie vallen bijvoorbeeld Rafaël en zijn laatste schilderij, De transfiguratie (1620). Dat altaarstuk combineert twee Bijbelscènes: het moment waarop Jezus op de berg Tabor een gedaanteverwisseling ondergaat, een gebeurtenis waarbij de drie aanwezige apostelen zouden zijn verblind door een allesverzengend licht (de scène wordt vaak gezien als een voorafspiegeling van de wederopstanding). En, daaronder, de ontmoeting van de negen andere apostelen met een geesteszieke jongen, wachtend op genezing door Jezus. Het werd gemaakt in opdracht van Giulio de’ Medici, neef van Paus Leo X, die het bestelde voor de kathedraal van het Franse bisdom Narbonne. Dat was in 1616. Vier jaar later, in april 1620, had Rafaël de klus geklaard. Nog diezelfde maand overleed hij onverwacht. Longontsteking, zeiden sommigen. Tuberculose, meenden anderen. Zenuwinzinking, fluisterde een enkeling. Kunstenaarsbiograaf Giorgio Vasari hield het erop dat de jonge meester iets te hard had genoten van La Fornarina, de bakkersdochter. Hoe dan ook, Rome liep uit om Rafaël te eren. De transfiguratie stond in de zaal waar hij lag opgebaard.

De aanblik van de rijzende Christus boven het levenloze lichaam van de schilder miste zijn uitwerking niet. Rafaël, wisten de rouwenden, had Jezus niet geschilderd, hij wás Jezus. Keerde hij niet hemelwaarts op dezelfde dag als waarop de verlosser was veroordeeld, Goede Vrijdag, en deed hij dat niet op dezelfde leeftijd van 33 jaar? Wat zei u: Rafaël was 37 toen hij overleed? Ach, dat waren details, daarover moest men niet te moeilijk doen. Want zelfs als Rafaël Jezus niet was, wat hij dus echt wél was, was hij diens uitgelezen artistieke plaatsvervanger op aarde. ‘Het is geen wonder dat je stierf op dezelfde dag als Christus’, staat op een van de grafschriften die bewaard zijn gebleven in de Vaticaanse archieven. ‘Hij was de God van de natuur; jij was de God van de kunst.’ Deze reputatie van ‘God van de kunst’ werd mede geconsolideerd door De transfiguratie

Andere laatste werken zijn meer profetisch. Een voorbeeld daarvan is Vincent van Goghs Korenveld met kraaien. Een panoramisch landschap met gele korenvelden onder een blauwe lucht gevuld met rondcirkelende zwarte vogels. Het is een onstuimig geschilderd, hallucinant aandoend schilderij, dat in de populaire Van Gogh-receptie wordt voorgesteld als een onheilstijding: Vincents zelfmoordpoging zou erin worden aangekondigd. Die betekenis kreeg het al snel na Van Goghs dood. Schrijver Frederik van Eeden, die het bij broer Theo van Gogh thuis in Parijs zag, noemde het ‘een uiting van extreme wanhoop’. En in Vincente Minnelli’s film Lust for Life mept Kirk Douglas als Van Gogh in op Korenveld voor hij tegen een boom ineenzijgt. Even daarvoor zagen we hoe Douglas zich een school kraaien van het lijf hield. Toen die vogels Van Goghs leven niet namen, zo lijkt de film te suggereren, deed de kunstenaar het zelf maar.

Vincent van Gogh, Korenveld met kraaien, 1890, olie op canvas, Van Gogh Museum, Amsterdam.
Beeld Van Gogh Museum, Amsterdam

Het verband tussen het schilderij en de zelfmoord berust op aannames. Van Gogh stopte geen symboliek in zijn werken zoals 17de-eeuwse vanitasschilders deden. Kraaien als metaforen zijn in deze context een anachronisme. Wie zegt trouwens dat die zwarte streepjes kraaien zijn? In vroegere catalogi heette het werk Korenveld met vogels. Om het een meer morbide karakter te geven werden die gevleugelde doodgravers de titel binnengesmokkeld. We zien wat we willen zien.

En we weten wat we willen weten, want Van Gogh-kenners hebben al lang aangetoond dat waarschijnlijk een ander schilderij Vincents allerlaatste is. Het heet Boomwortels, en maakt deel uit van het groepje half voltooide schilderijen dat Van Gogh tijdens zijn laatste dagen in Auvers maakte. Aan de status van Korenveld heeft dat weinig afgedaan. Begrijpelijk: een tragisch levenseinde wordt beter gesymboliseerd door een desolaat veld met vogels dan door een lapje bosgrond. Uit die stakerige boomwortels een bevredigend verhaal brouwen is geen eenvoudige klus. Het wachten is op de Van Gogh-kenner die een dwingend verband legt tussen het onaffe karakter van het werk en Vincents premature verscheiden. Of geraamtes ontwaart in de wortels zelf.

Carel Blotkamp: The End. Reaktion Books Ltd; 248 pagina’s; € 29.

In 2020 wordt Rafaël’s 500ste sterfjaar gevierd, onder meer met exposities in de National Gallery in Londen en de Scuderie del Quirinale in Rome.

MONDRIAANS LAATSTE

Ook Piet Mondriaan maakte een beroemd laatste werk: Victory Boogie Woogie (Kunstmuseum Den Haag). Hij begon eraan in mei 1942 en bij zijn dood in januari 1944 was het onvoltooid, een diamantvormig canvas, op sommige plekken zat de markeringstape er nog aan. Na Mondriaans dood stond het een tijdlang opgesteld aan de kopse kant van zijn New Yorkse appartement. Bezoekers (het appartement was korte tijd openbaar toegankelijk) zagen er een hoogaltaar van de moderne kunst in, wat het in zekere zin ook is. 

Bronvermelding

De interessantste films van 2019 met een wetenschappelijk tintje

Still uit de film Ad Astra.

Toen fysicus James Kakalios de filmmakers van superheldenfilm Watchmen (2009) van wetenschappelijk advies voorzag, nam hij voor zijn universiteit een video op waarin hij uitgebreid de wetenschap achter de film indook. Die video werd in korte tijd 1,7 miljoen keer bekeken. Kakalios: ‘Ik zeg weleens: pas wanneer ik zeventien eeuwen lang duizend studenten per jaar had lesgegeven, had ik net zoveel mensen bereikt.’

Het voorbeeld laat zien dat film zich de afgelopen jaren heeft ontpopt tot een handig vehikel om de wetenschap te verkopen. De Amerikaanse National Academy of Sciences richtte zelfs The Science & Entertainment Exchange op, een dienst die filmmakers koppelt aan wetenschappers. Het leidt ertoe dat filmproducties steeds nadrukkelijker vol zitten met wetenschap. Dit zijn de vier interessantste voorbeelden van 2019.

1. Apollo 11. Met je neus op de maanlanding

Hoe groot de magie van cinema kan zijn, bewees vorig jaar First Man, de innemende rolprent die Neil Armstrongs ‘one small step’ dramatiseerde voor het grote publiek. Dankzij medewerking van ruimtevaartorganisatie NASA werd die film bijzonder realistisch. Zelfs het geluid van de ritsen in de ruimtepakken was ‘echt’: het werd opgenomen met exemplaren uit het NASA-archief.

Dit jaar liet documentairemaker Todd Douglas Miller zien dat het nog altijd wat indrukwekkender kan. Voor zijn Apollo 11 kreeg hij een schat aan verloren gewaand archiefmateriaal in handen. Het gevolg: een documentaire ramvol haarscherpe beelden, die je het gevoel geven dat je live aanwezig bent bij de grootste ruimtevaartgebeurtenis van de afgelopen eeuw. Van de bulderende motoren van de Saturnus-V-raket, tot het buitelen van het ruimteschip boven het maanoppervlak, alles oogt indrukwekkend.

De Nederlandse astronaut André Kuipers vertelde eerder in deze krant dat hij onder meer onder de indruk was van het beeldmateriaal van de procedure boven de maan, wanneer de maanlander Eagle na vertrek van het oppervlak weer aan de commandomodule moet koppelen. ‘Ineens zie je in een hoekje van het beeld hoe een stipje zich aftekent tegen het maanoppervlak. En je realiseert je: dat is de terugkeermodule.’

Het geheel wordt nog indrukwekkender wanneer je weet dat de Apollo-missies nog altijd ongeëvenaard zijn. Landen op de maan blijkt keer op keer extreem moeilijk en risicovol. Dit jaar sloegen bijvoorbeeld twee onbemande maanlanders te pletter tegen het grijze gruis van de maan: de Israëlische maanlander Beresheet en de Indiase maanlander Vikram. Beide missies hadden van hun land het vierde moeten maken dat succesvol op onze kosmische metgezel landt. Eerder slaagden naast de Verenigde Staten alleen de Sovjet-Unie en China daarin.

2. Avengers: Endgame. Wetenschappelijk verantwoord tijdreizen

Wanneer je jezelf in een diep plotgat hebt geschreven – spoiler: aan het eind van voorloper Avengers: Infinity War sterft de helft van de bevolking van het heelal, inclusief een lading hoofdrolspelers – kun je als scenarioschrijver eigenlijk nog maar één kant op. Dan moet je bijna wel gaan tijdreizen, zodat je alles met terugwerkende kracht kunt herstellen.

Wie wil tijdreizen, doet er goed aan eerst eens aan te kloppen bij een theoretisch natuurkundige. Via The Science and Entertainment Exchange kwamen de filmmakers op die manier terecht bij Sean Carroll. Hij vertelde dat reizen naar de toekomst op papier mogelijk is. Reizen naar het verleden is, op z’n best, hoogst speculatief.

Wie het toch voor elkaar krijgt, stuit bovendien op problemen. Stel dat je in het verleden bijvoorbeeld je eigen ouders omver rijdt, zodat je niet geboren wordt. Wat dan? ‘Ik maak me altijd hard voor het idee dat het veel interessanter is als je het verleden níet kunt veranderen’, zei Carroll daar eerder over tegen de Amerikaanse nieuwswebsite Business Insider.

Groene spierkolos de Hulk is dat met Carroll eens, zo blijkt in de film. ‘Als je naar het verleden gaat, wordt dat verleden je toekomst en je voormalig heden wordt het verleden. Dat kan dan niet meer worden veranderd door je nieuwe toekomst’, zegt hij in de film in een bewust breinpijnigend stukje dialoog.

De vraag die collega-superheld Ant-Man vervolgens stelt – ‘dus Back to the Future is bullshit?’ – is volgens Carroll waarschijnlijk afkomstig uit zijn voorbereidende gesprek met de scriptschrijvers. ‘Dat klinkt absoluut als iets dat ik zou zeggen’, zegt hij tegen Business Insider

3. Alita: Battle Angel. Een wereld vol protheses 

Arm kwijt? Hang er een mechanische vervanger aan. Been doormidden? Even langs de reparateur en je hebt binnen de kortste keren een glimmend nieuw exemplaar. Zelfs als je alleen een los mensenbrein tot je beschikking hebt, is er geen probleem, blijkt in sciencefictionfilm Alita: Battle Angel. Hang dat brein in een robotpak en je kunt zelfs naar hartenlust op de vuist met andere mengvormen van mens en technologie. 

Hoewel de film de toekomst van met je hersenen bestuurde implantaten en protheses uitvergroot en versnelt, wortelen deze zogeheten cyborgs – samensmeltingen van mens met machine – wel degelijk in de wetenschappelijke realiteit.  Denk aan draagbare cyborgpakken die dwarslaesiepatiënten weer kunnen laten lopen, aan spraakcomputers die taal rechtstreeks uit het brein kunnen halen of aan een hersenchip waarmee mensen met ALS een tablet kunnen besturen

‘Sciencefiction heeft correct het waarom van cyborgs voorspeld. De wetenschap zet nu grote stappen om die voorspellingen werkelijkheid te maken’, schrijft robotexpert Robin Murphy, verbonden aan de Amerikaanse universiteit Texas A&M, in een opiniestuk met de titel ‘The real Alita: Battle Angel cyborgs’ in vakblad Science Robotics . ‘Verrassende, nuttige en inspirerende ideeën zetten nu de stap van laboratorium naar de lichamen van echte mensen.’

4. Ad Astra. Hoe zelfs wetenschappelijk adviseurs niet altijd garant staan voor wetenschappelijke correctheid

Visueel zit het wel snor met Ad Astra. Ruimtevaartorganisatie NASA hielp de filmmakers met prachtige, hogeresolutiebeelden van onder meer de maan, Mars en Jupiter. De filmmakers lieten bovendien twee ‘technical advisors’ meekijken: voormalig astronaut Garrett Reisman en oud-NASA medewerker Robert Yowell. 

Toch levert dat vanuit wetenschappelijk oogpunt geen hoogstandje op. Ad Astra is een trendbreuk met recente ruimtehits als Interstellar, The Martian en Gravity, die stuk voor stuk behoorlijk goed snapten hoe het eraan toegaat in de kosmos. Grootste pijnpunt is het gebrek aan gevoel voor afstanden in het zonnestelsel.

Zo schatten ruimtevaartkenners dat je voor een bemande ruimtevaartmissie naar Mars op dit moment een maand of zes, zeven nodig hebt. In Ad Astra vliegt men naar Neptunus – zo’n twintig maal verder weg – in drie maanden. Dat is ongeloofwaardig snel. Stel vervolgens dat een toekomsttechnologie dat tóch mogelijk maakt, dan moet je op z’n minst onderweg flink gas geven. Dat zou er vervolgens toe leiden dat de astronauten in hun stoel gedrukt worden (en dus een vorm van kunstmatige zwaartekracht ervaren). Daarvan was in de film geen sprake. 

‘Toegegeven: dat klinkt allemaal als klein bier’,  schrijft astronoom Adam Frank (University of Rochester), eerder onder meer wetenschappelijk adviseur voor superheldenfilm Doctor Strange, in een opiniestuk op de site van NBC News‘Maar een écht goede sciencefictionfilm over reizen in het zonnestelsel zou dat soort details op orde hebben. Sterker nog: zo’n film zou de beperkingen van de ruimte gebruiken om het verhaal spannender te maken, zodat de fysica van de verkenning van het zonnestelsel bijna een soort personage wordt. Precies zoals eerder wél gebeurde in bijvoorbeeld The Martian.’

Bronvermelding