Het is de dubbelheid die Mrs. Fletcher een van de sterkere series van dit jaar maakt ★★★★☆

Kathryn Hahn in Mrs. Fletcher

Sommige series duren lang en en hadden achteraf gezien bar weinig te bieden (we noemen geen namen), maar gelukkig zijn er ook series die kort, krachtig en rijk zijn. Mrs. Fletcher, dat net zo lang duurt als Martin Scorseses nieuwe film The Irishman, is er zo een.

In zeven afleveringen van een half uur laat bedenker en schrijver Tom Perrotta (The Leftovers, Little Children) zijn licht schijnen over de gescheiden Eve (Kathryn Hahn) en haar 18-jarige zoon Brendan (Jackson White). Aan hun standaardleventje – kleine stad buiten New York, moeder werkt en zorgt; zoon, type populairste jongetje van de klas, hangt postpuberend de nietsnut uit – komt in aflevering 1 een eind: Brendan gaat studeren en laat zijn moeder met een legenestsyndroompje achter. Maar niet dan nadat zij heeft gehoord hoe een vriendinnetje Brendan een opwindend afscheid heeft gegeven, waarbij de jongen laat blijken de dialoogzinnen van een pornoacteur goed te beheersen.

Het verbaasde vraagteken op het gezicht van Eve is in die scène bij wijze van spreken zichtbaar, zoals Kathryn Hahn zich in de serie sowieso een grootmeester betoont in het opzetten van sprekende gezichten – let goed op wanneer ze voor het eerst een pornosite bezoekt.

De door zijn moeder iets te veel vertroetelde Brendan krijgt het op de universiteit niet makkelijk, met studiegenoten die zichtbaar verder (geëmancipeerder) zijn in hun denken over mannen, vrouwen en de wereld. Eve intussen besluit haar vrijgekomen tijd in te vullen door een schrijfcursus te gaan volgen, waar ook zij in contact komt met andere mensen dan ze tot nu toe in haar werk als directeur van een bejaardendagopvang gewend was. En o ja, naar aanleiding van die pijpscène van haar zoon, waarvan ze onvrijwillig auditief getuige was, gaat ze zichzelf dus ook wat onderricht geven met hulp van internetporno.

Kort gezegd: terwijl zoon leert dat vandaag de dag de omgangsteugels wat strakker (gelijkwaardiger, respectvoller) moeten, leert zijn moeder het tegenovergestelde. Dat leidt tot veel voor de hand liggende geestige scènes: Eve, die kijkend naar haar laptop over de vloer kronkelt; Brendan die in elk gezelschap erin slaagt de verkeerde opmerking op het verkeerde moment te maken. Alles mondt ten slotte uit in een geweldige en door zijn montage hilarische slotscène, waarvan hier beter maar niets verklapt kan worden, maar die een fraaie spiegeling is van de cruciale scène uit aflevering 1.

Maar Perrotta en zijn regisseurs (met opzet allemaal vrouwen) slagen erin ook een diepere laag aan te boren. Want wat Jackson White als Brendan en vooral de geweldig spelende Kathryn Hahn als Eve voortdurend uitstralen is: kijk eens hoe dapper ik me door mijn nieuwe eenzaamheid heen sla. Want dat zijn beiden in één klap geworden: eenzaam. Dat zet die hele komische pornolaag in een ander daglicht. En eigenlijk alles. Want neem de glimlach op het gezicht van Eve, wanneer ze na een geslaagde date (en even geslaagde seks) weer op straat staat en overal om zich heen gelukkige, vrolijke en kussende mensen ontwaart. Is dat wel echt een gelukzalige glimlach? Het is die dubbelheid die Mrs. Fletcher een van de sterkere series van dit jaar maakt.

Mrs. Fletcher

★★★★☆

Komedie, 2019, 7×30 min. Bedacht en geschreven door Tom Perrotta (naar zijn eigen roman), met o.a. Kathryn Hahn, Jackson White en Owen Teague. Te zien bij HBO (via Ziggo).

Bronvermelding

Hoe zou koningin Elizabeth zich voelen over de val van haar zoon?

De rubriek Beeldvormers onderzoekt hoe een foto onze kijk op de werkelijkheid bepaalt. Deze week: Koningin Elizabeth en de val van haar zoon. 

Dit is de periode die de Britse geschiedenis zal ingaan als het post-Interviewtijdperk: de tijd na het door miljoenen bekeken vraaggesprek tussen BBC-journalist Emily Maitlis en prins Andrew over zijn vriendschap met  zedendelinquent Jeffrey Epstein. Andrew wilde zijn naam zuiveren, maar we weten allemaal hoe dat is gegaan; het gesprek staat inmiddels bekend als ‘treinramp’ en de prins is al zijn baantjes kwijt.

De keuze voor Maitlis was trouwens opmerkelijk, want behalve dat zij een zeer scherpe interviewer is, is zij ook de vrouw van De Oogrol. In maart van dit jaar sprak ze met Labour-politicus Barry Gardiner, die zich onbegrijpelijk uitliet over de Brexit-procedure. Maitlis keek de camera in en rolde geërgerd met haar ogen, een moment dat voor eeuwig zal voortleven als glorieus gifje. De prins stond bij aanvang van hun gesprek al met 2-0 achter.

Zelf was ik vooral benieuwd naar de moeder van Andrew, koningin Elizabeth. Hoe zou zij de dagen na de val van haar kind hebben beleefd? Wat zou ze gezegd hebben? En wat had ze gedaan om de aandacht een beetje te verleggen?

Het is niet zo dat ik, na het zien van het derde seizoen van The Crown, pretendeer de Britse vorstin te kennen. Maar de serie laat me wel op een andere manier naar haar kijken. Beeldbepalende momenten waren onder andere: haar zichtbare opluchting wanneer blijkt dat de nieuwe Labour-premier, Harold Wilson, geen Russische spion is, maar een man van feiten en cijfers, want ‘die kun je tenminste vertrouwen’. En de vrieskou waarmee ze haar oudste zoon Charles verwelkomt, nadat die in zijn jeugdige overmoed een iets te gloedvolle speech in Wales heeft gehouden. ‘Mammie, ik heb een stem’, zegt hij. Haar reactie: ‘Niemand wil hem horen.’

Koningin Elizabeth II overhandigt de Chatham House Prize 2019 aan Sir David Attenborough. Beeld Eddie Mulholland / Getty

In het licht van die gefictionaliseerde, maar toch ook door de realiteit gestutte fragmenten keek ik de afgelopen dagen naar foto’s van Queen Elizabeth. Ze deed veilige dingen met betrouwbare mannen – al lijkt wat dat betreft tegenwoordig niets meer vast te staan (nee, vergeet die opmerking).

Op 20 november, vier dagen na het interview, reikte de koningin de prestigieuze Chatham House Prize uit aan Sir David Attenborough, de 93-jarige beschermheilige van de natuur en alle dieren op aarde. Het is moeilijk om je daaraan een pr-buil te vallen en dat zie je op de foto’s. De koningin, gekleed in een zachtroze mantelpak met glimmertjes, lijkt op haar gemak. Ze overhandigt Attenborough zijn prijs met een lach die verraadt dat de twee elkaar al jaren kennen.

Voorts zijn er op de site van Getty 27 foto’s te vinden van haar recente bezoek aan het nieuwe onderkomen van de Royal Philatelic Society in Londen. Filatelie – dat klinkt Epstein-achtig verontrustend, maar het is gewoon een ander woord voor postzegels verzamelen, een ontzettende deughobby. De Britse koninklijke familie en de Philatelic Society zijn goede bekenden van elkaar (vandaar dat ‘Royal’) en de koningin is begunstiger van de club. Ook op deze foto’s, omringd door oude mannen die haar misschien wel herinnerden aan Harold Wilson, oogt ze ontspannen – maar ja, wat had ik dán verwacht? Dat de vrouw die zo goed is in het verbergen van haar gevoelsleven eens even lekker zou leeglopen op het postzegelhoofdkwartier?

Er dook nog een soort paparazzofoto op, waarop de vorstin en haar gevallen oogappel in de regen paardrijden bij Windsor Castle, vergezeld van het bericht dat Elizabeth het 60ste verjaardagsfeest van Andrew had afgelast. Verder niets.

Koningin Elizabeth en Prins Andrew op de begrafenis van gravin Mountbatten van Birma. Beeld Max Mumby/Indigo / Getty

Per ongeluk klikte ik op de website van tabloid The Mirror, bekend om zijn creatieve fotografische aanpak. Een fotoredacteur had kennelijk besloten de boel wat op te schudden door bij de berichtgeving over Andrew een ongedateerde foto te plaatsen, waarop de prins achter zijn moeder aan loopt met wat lijkt op een blauw oog. In mijn hoofd begon de camera te snorren.

‘Minderjarige meisjes, hoe kón je?’

‘Maar mammie, ik heb een –’ (ik schrijf het niet op).

En dan het ijzige antwoord: ‘Niemand wil hem zien’, gevolgd door een pets met haar handtas.

Het bleek een foto uit 2017, gemaakt tijdens de uitvaart van gravin Mountbatten van Birma. Slimme beeldvorming, maar net iets te uitgekookt. Buckingham Palace houdt als vanouds de poort gesloten en naar de emoties van Queen Elizabeth is het gissen. Ik zal nog een paar seizoenen van The Crown moeten wachten voor ik weet hoe zij zich voelt.

Bronvermelding

Anoek Nuyens maakte een voorstelling over haar gesprekken met Jan Pronk: ‘Waren zijn dromen uitgekomen, wilde ik weten’

Theatermaker Anoek Nuyens is soms ‘in de war over de wereld’. Soelaas kwam uit een onverwachte hoek: oud-politicus Jan Pronk. Over de diepgaande gesprekken die de twee voerden, maakte ze een voorstelling.

Haar vrienden en collega-theatermakers begrijpen er niets van. Wat moet jij met zo’n oude witte man? Waarom zou je in hemelsnaam over hem een voorstelling willen maken? De pr-afdeling van het theater maakt zich zorgen: hoe krijg je jong publiek in de zaal als het over Jan Pronk gaat?

Terwijl haar generatiegenoten bezig zijn met voorstellingen over identiteitsvragen, over gender en seksualiteit, zocht Anoek Nuyens Jan Pronk op. Niet één keer, maar zowat eens per maand, en dat al zeven jaar lang, lang voordat ze wist dat hij een voorstelling zou worden. Steeds brengt het haar iets, zegt ze. ‘Ik ben soms in de war over de wereld. Hij geeft me het gevoel dat het wel goed zal komen, door alles in een groter verband te plaatsen. Dat hij mij onder zijn hoede heeft genomen, is een groot cadeau.’

Anoek Nuyens maakt zogeheten documentair theater, literaire non-fictie, maar dan op de planken. Ze vertrekt ­vanuit haar eigen vragen over klimaat, ontwikkelingssamenwerking, politiek, doet onderzoek en maakt een voorstelling. Pronk is een solo, waarin ze op zoek gaat naar wat sociaal-democratie nog ­betekent, naar de bruikbaarheid van ­politiek, naar een links verhaal ook.

Of ze bevriend zijn geraakt? Ze weet niet of ze het zo moet noemen. Vrienden noemen hem haar guilty pleasure. Zelf spreekt ze van therapeutische sessies. Het zorgvuldige nadenken, dat is wat ze in hem bewondert. Soms mailt ze van­tevoren dat ze iets specifieks wil weten, over burgerschap of identiteitspolitiek. Maar liever wil ze een open horizon.

Jan Pronk, dat is toch die van onder borstelige wenkbrauwen vaak een beetje boos de wereld in kijkende hoeder van de sociaal-democratie? Zo recht in de leer dat hij een jaar of zes geleden met veel bombarie de PvdA de rug toekeerde. De partij waarvoor hij Kamerlid en zeventien jaar minister was, die hem in zijn leven heel veel had gebracht. Een man met de wijsheid in pacht, altijd overtuigd van het eigen gelijk. Die als de politiek van rechts tot links een rem op asielzoekers wil, betoogt dat we ruimhartiger mensen uit het Midden-Oosten en Afrika moeten toelaten. Hoe zou zo ­iemand een nieuwe generatie kunnen inspireren, die zo anders naar de wereld kijkt, en daar zulke andere middelen voor gebruikt? Hoe kom je op het idee een voorstelling over Jan Pronk te ­maken?

Als Anoek Nuyens erover vertelt, ga je toch anders denken. Wacht eens, is Pronk wel zoveel anders dan Bernie Sanders, die bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen juist de jonge Democratische kiezer bleek aan te spreken? Of dan Jeremy Corbyn, die Labour een verjongingskuur gaf? Beiden zijn mannen op leeftijd die vasthouden aan het verhaal dat ze hun leven lang hebben verteld. Is hij, om in eigen land te blijven, zoveel anders dan de weliswaar aaibaardere Jan Terlouw, die aan één keer DWDD genoeg had om een nieuwe generatie te vervullen van heimwee naar een tijd met touwtjes uit de brievenbus?

Bij hun volgende afspraak mogen we mee naar Pronks huis, niet ver van het Vredespaleis. Mevrouw Pronk doet open, Jan Pronk meldt zich al snel. Hij ziet er patent uit, niets duidt erop dat hij twee jaar geleden een hartaanval kreeg en bijna dood was.

Hun afspraken maakten ze eerst op het Institute of Social Studies, even verderop, waar Pronk als emeritus hoogleraar een studiekamer had. Later troffen ze elkaar hier: in de woonkamer of in de kamer waar hij zijn archief bewaart, 22 duizend velletjes in mappen, minutieus geordend. ‘Tussen 1971 en 2017 maakte ik aantekeningen van alle politieke gesprekken die ik voerde’, vertelt Pronk. ‘Omdat mijn vrouw mopperde over alles wat ik binnenbracht, ben ik gaan meten. Het bleek om 210 meter boeken te gaan en 70 meter ordners en mappen. Daar schrok ik van.’

We schuiven aan in het kamertje links naast de voordeur. Een wasbak herinnert aan de tijd dat mevrouw Pronk als schoonheidsspecialist salon aan huis had.

Beeld Renate Beense

Aan het begin van hun contact blijken ze verschillende herinneringen te hebben. Anoek vertelt dat ze Pronk mailde vanwege een voorstelling over Desi ­Bouterse en de Surinaamse onafhankelijkheid, een proces dat Pronk als minister van Ontwikkelingssamenwerking van nabij meemaakte. Kom maar langs, ik heb wel een half uurtje, had hij gezegd. ‘Dat werd meteen een lang gesprek, zoals sindsdien altijd. Hij was in Paramaribo toen de onafhankelijkheid werd uitgesproken. Waren zijn dromen uitgekomen, wilde ik weten. Jan antwoordde dat je pas na vier generaties zou kunnen zeggen of het een succes was geworden. Toen ik wegging zei hij: graag gedaan en je bent altijd welkom. Daar heb ik gebruik van gemaakt.’

Pronk: ‘Mijn indruk is dat je eerste stuk over ontwikkelingshulp ging.’ ­Aarzelend: ‘Maar ik kan me vergissen.’

Nuyens: ‘Nee, Bouta was in 2012, Hulp kwam in 2015. Ook daarbij heb ik veel aan Jan gehad. Ik vertelde hem dat ik een kleine goededoelenstichting had geërfd van een oudtante. Jan zei: Klein? Dat mag je nooit zeggen.’

Waarom mocht je niet klein zeggen?

Nuyens: ‘Daarmee zeg je dat het eigenlijk niks betekent. Zoiets onthield ik. Na zo’n gesprek maakte ik een boodschappenlijst: die petitie tekenen, dat lezen. Er zijn dingen die niet kloppen en je kunt er wat aan doen – met die gedachte ­vertrok ik.’

Pronk: ‘Ik heb je niet tot activisme aangezet, hè. Bij mij kwam je voor ­reflectie.’

Nuyens. ‘Je gaf me context.’

Anoek Nuyens is van 1984, ze vertelt dat ze eind jaren negentig de politiek ging volgen. ‘Als ik dan Jan Pronk op tv zag, dacht ik: hier gebeurt iets.

Pronk: ‘Dat was in de tijd dat ik minister van VROM was, volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer. Tussen ons ging het meer over ontwikkelingshulp. Later kwam klimaat daarbij.’

Nuyens: ‘Mijn generatiegenoten ­kijken voor oplossingen van de klimaatcrisis niet naar de politiek. Die denken aan minder vlees eten, minder vliegen – een consumentenrevolutie. De macht van de politiek is uitgespeeld, vinden ze. Vaak stemmen ze niet eens.’

Klimaatmaatregelen worden toch sterk politiek gestuurd?

Nuyens: ‘Mijn vrienden geloven daar niet in. Van Jan heb ik geleerd dat je juist via politiek veel in beweging kunt ­zetten. Nadat ik een voorstelling over ­klimaatverandering had gemaakt zei Jan: ‘Je bent de politiek en de macht ­vergeten.’ Hij had gelijk. De nieuwe voorstelling is een alibi om uit te zoeken of je bij de politiek moet zijn voor verandering. Democratie is ook traagheid. De ­oplossing van de klimaatcrisis zit misschien juist in een liefdesverklaring aan de parlementaire democratie, die je leert redelijk te zijn.’

Meneer Pronk, denkt u nog steeds dat je bij de politiek moet zijn?

Pronk: ‘Ik probeer haar niet in een ­bepaalde richting te krijgen. De jongere generatie wil het goede verwezenlijken door zelf goed te doen. Dat is eigenlijk beter dan wat ik heb meegemaakt in mijn eigen generatie. In de jaren zestig was de jeugd actiegericht, maar maakte het niet persoonlijk. Dat doet men nu wel, met hulp aan vluchtelingen, protest tegen klimaatverandering. Mijn vrees is dat die goede daden door de macht­hebbers worden gedoogd. Dat is de ­repressieve tolerantie waarover de filosoof Herbert Marcuse schreef. Met die goede daden legitimeer je het gebrek aan actie van hogerhand.

‘De afstand tot de machthebbers is daardoor nog groter geworden. Daarom zeg ik: doe het goede, maar politiseer het ook. Anders blijft het heel klein, terwijl de macht heel groot is. Politiek is de macht beïnvloeden in de door jou gewenste richting. Negeer je dat, dan verandert er alleen iets op microniveau.’

Mevrouw Nuyens, u vertelde dat u van de weeromstuit lid bent geworden van drie partijen: PvdA, GroenLinks en D66.

Nuyens: ‘Dat was niet op advies van Jan. Ik miste dat politiseren, dat groter maken. Ik ga naar congressen soms, al krijg ik meer helderheid door gesprekken met Jan. Hij maakt het nooit simpeler dan het is, eerder complexer. Omdat hij laat zien dat alles met alles verbonden is. Deze voorstelling gaat ook over de sociaaldemocratie. En dan doel ik niet op de PvdA, niet op partijpolitiek.’

Want partijpolitiek, dat willen jullie vermijden?

Pronk: ‘Ik ben daar ook weg, dat weet u.’

Nuyens: ‘Veel mensen gaan de politiek in omdat ze een carrière als politicus willen. Jan rolde de politiek in omdat hij een verhaal had. Ik heb heimwee naar de politiek van vroeger. Dat ze met verhalen kwamen en gekke bloempotkapsels ­hadden omdat er geen stylist was of lifecoach. Ze spraken niet in oneliners maar in lange saaie zinnen. Die saaie zinnen hoef ik niet terug, maar ik mis het gevoel dat wat ze zeggen over mij gaat.’

De politici van nu roepen dat gevoel niet op?

Nuyens: ‘Dan heb ik meer het gevoel van reframen, van tegenstanders uitspelen.’

De mensen die nu de dienst uitmaken in Den Haag – Jetten, Klaver, Dijkhoff, ­Asscher – laten die u ­onverschillig?

Pronk komt tussenbeide: ‘Ik wil er toch voor waarschuwen dit niet te zeer te ­koppelen aan individuele personen. Dat is zo gemakkelijk.’

Dat gebeurt toch ook door de voorstelling Pronk te noemen?

Nuyens: ‘Jan zei meteen: prima als je een voorstelling over me maakt, maar het mag niet over mij gaan. En: ik kom kijken, maar ik wil niet weten wat je gaat doen. Pronk gaat over de wereld en alles wat erbij hoort.’

Pronk: ‘Het gaat in de politiek om de combinatie van visie, kennis en inzet, en niet om personen. Er zijn nu ook mensen die echt voor de zaak staan. Het kan zijn dat mensen van Anoeks leeftijd een vorige generatie idealiseren, die wist waar ze voor stond en dat ook naar ­politiek vertaalde.’

Maar dat zij niet begeesterd raakt door Rutte, Kaag, Hoekstra of om het even wie, vermindert toch de kans op politieke betrokkenheid?

Pronk: ‘Misschien ben je nu te pessimistisch. Er is een partij die echt een langetermijnvisie heeft, de Partij voor de Dieren. Veel jongeren voelen zich daardoor aangesproken. Marianne Thieme heeft een brede visie neergezet, ze heeft kennis van zaken en was begeesterd. Anoek, we hebben hier ook wel eens over Greta Thunberg gesproken en zo zijn er meer. Maar die hebben de macht niet.’

Is het niet eerder een kwestie van: die willen de macht niet?

Pronk: ‘Dat is een belangrijk discussiepunt. Zij willen macht door te contesteren. Dat is een andere strategie, je moet daar respect voor hebben. Ik ben ervan overtuigd dat je compromissen moet sluiten, en het ook over andere onderwerpen dan klimaat en dieren moet ­hebben.’

Beeld Renate Beense

Mevrouw Nuyens, is uw engagement ontstaan in de tijd dat u Pronk op tv zag?

Nuyens: ‘Als scholier ging ik soms met vriendinnen naar de Tweede Kamer. Dan gingen we eerst shoppen bij de H&M en de CoolCat, en dan naar de Tweede Kamer, waar al die tassen in een kluisje gingen. Daar zaten we wel drie uur. Als kind wilde ik graag gedoopt worden, ik dacht dat gelovigen het gemakkelijker hadden: ze hoorden ergens bij. Politiek was een alternatieve kerk denk ik.’

Pronk: ‘Dit hoor ik voor het eerst.’

Nuyens: ‘Ik zoek iets dat groter is dan ikzelf. Dat heeft ook te maken met het linkse milieu waarin ik ben opgegroeid: je moet er voor je medemens zijn. Als ik nu vertel dat Auxidium, zoals mijn stichting heet, projecten in Afrika doet – steun aan ziekenhuizen in Kenia en ­Burkina Faso bijvoorbeeld – word ik soms weggezet als white saviour. Mensen vinden dat afschuwelijk: wat moet jij in Afrika met je witte huid en het geld van je oudtante.’

Dat het ledental van politieke partijen groeit, komt door het succes van Forum voor Democratie. Is het engagement van kamp gewisseld?

Nuyens: ‘Alles is opgeschoven, wat vroeger rechts was, is nu midden. Op partijcongressen is het wikken en wegen in de marge. Terwijl, als ik Jan Pronk hoor… ik verlang er gewoon naar dat links het grote verhaal gaat vertellen.’

Er valt een stilte, voor het eerst. ‘Ik spring er niet in’, zegt Pronk.

Nuyens: ‘Ik heb niet de ambitie om ­politicus te worden, maar wel om een heel goede burger te zijn. Sociaaldemocratie zoekt een oplossing in de samenhang van mensen. Hoe kan zoiets nou uit de mode raken? De voorstelling is leuker voor mensen van mijn generatie dan voor die van Jan Pronk. Die denken: dat weet ik nu wel.’

Of die denken: dat heb ik lang niet ­gehoord.

Pronk: ‘Onderwerpen als klimaat, milieu of vluchtelingen probeer ik continu in de context van dat grote, samenhangende verhaal te plaatsen. Omdat men dan die deelonderwerpen eerder zal omarmen. Maar inderdaad, ik word niet zo vaak meer gehoord.’

Nuyens: ‘Het gaat over een wereldbeeld, terwijl we zo bezig zijn met ons zelfbeeld. We slaan door in identiteits­politiek. Partijen die voor één identiteit opkomen, zoals 50Plus. Grrrr.’

Zit er wederkerigheid in jullie ­gesprekken?

Nuyens: ‘Ik dacht: Jan doet het uit sociale dienstplicht.’

Pronk: ‘Ik ben, vind ik, wel in staat om te luisteren. Ik kan vertellen zonder te preken.’

Klopt dat?

Nuyens lacht.

Pronk: ‘Dat is tenminste mijn intentie, je slaagt niet altijd helemaal. Van mensen als Tinbergen en Den Uyl heb ik geleerd dat je je bescheiden en kwetsbaar moet opstellen.’

Nuyens: ‘Ik ben onlangs moeder geworden. Daardoor wordt je toekomst uitgerekt, wat me nog meer in de war heeft gebracht over hoe het verder moet. Er wordt zo aan de politiek getwijfeld, terwijl ik vertrouwen zoek dat het wel goed zal komen. Als jonge moeder ben je bezig met huiselijke dingen. Maar mijn engagement was nog nooit zo groot. Bij Jan vang ik een glimp op van een groter verhaal. Dan loop ik terug naar het station en denk: ik kan het weer aan.’

Terwijl u vooraf vertelde dat hij veel somberder is dan u.

Nuyens: ‘Er is een periode geweest, na zijn hartaanval, dat Jan zei: ik ben nu wel heel pessimistisch.’

Pronk: ‘Des te meer reden om er hard tegenaan te gaan. Maar inderdaad, ik ben pessimistisch. Ik geloof dat het de verkeerde kant op gaat. Biodiversiteit, klimaat, gewelddadige conflicten, ongelijkheid – het een voedt het ander. Dan is er alle reden – dat is politiek – om dat te veranderen. Het zal heel slecht gaan…’

Nuyens lacht zenuwachtig.

Pronk: ‘…maar je kunt proberen dat uit te stellen. Je kunt het einde van de ­wereld niet afwenden, wel uitstellen…’

Nuyens: ‘Dat vind ik dus heel heftig…’

Pronk: ‘…Kijk naar het klimaat, naar massavernietigingswapens, naar muren die worden opgetrokken. Maar uitstel is altijd mogelijk, dat is het voordeel. Daar kun je anderen voor mobiliseren door politiek te bedrijven. Permanent uitstel is een vorm van afstel. Hoop is maakbaar.’

Mevrouw Nuyens, stapt u na zo’n ­gesprek ook ­herboren in de trein?

Nuyens: ‘Omdat ik zo’n klein kindje in m’n armen heb, kan ik het me niet ­permitteren om niet hoopvol te zijn. Jan begon tijdens een van onze gesprekken over een kerk waar hij de nacht ervoor had gezeten. Dat raakt me dan zo.’

Die kerk, dat is de Haagse Bethelkapel, waar in januari permanente diensten werden gehouden om te voorkomen dat het Armeense gezin Tamrazyan zou worden uitgezet. Pronk deed deurdienst, zijn vrouw zorgde voor de opvang.

Nuyens: ‘Jan zei: ik kan je naar die kerk brengen. Er ging een luikje open, ik kon naar die kerk waar ik zo lang van gedroomd had. Het was etenstijd toen ik kwam, ik rook boerenkool. Je hoorde dat de tafel werd gedekt. Ik dacht: doordat ik hier zit, kan een familie eten.’

Pronk: ‘Ik ben kerks van origine. Voor mij was de asielkerk een lichtstraal. We gingen er veel naartoe, ook ’s nachts als er amper iemand was. Een kerkdienst die nooit ophoudt, dat was krachtig ­verzet tegen de overheid.’

Nuyens: ‘Ik ben een kind van deze tijd. Ik heb ook een iPhone, Instagram, ­Facebook en Snapchat. Mijn generatie kiest voor etalages en zichtbaarheid. Die kerk was een plek waar je geen selfie kunt maken. Daar besefte ik dat het niet gaat om visionaire nieuwe verhalen, maar om visionair luisteren. Kiezen wat je wilt horen.’

Beeld Renate Beense

Jan Pronk

1940 Geboren in Scheveningen

1965 Wetenschappelijk medewerker Nederlands Economisch Instituut

1971 Lid Tweede Kamer, PvdA

1973 Minister ontwikkelingssamenwerking (Kabinet Den Uyl)

1978 Kamerlid

1980 Secretaris-generaal Unctad

1986 Kamerlid

1989 -1998 Minister ontwikkelingssamenwerking (Lubbers III en Kok I)

1998 minister Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Kok II)

2004 Speciale vertegenwoordiger VN in Soedan

2006 – 2018 Buitengewoon hoogleraar Institute Social Studies

2018 Strijd rond de grote meren, over Rwanda

In januari verschijnt zijn boek over Suriname, daarna volgt Soedan.

Pronk is getrouwd en heeft een zoon en een dochter

Anoek Nuyens

1984 Geboren in Amsterdam

2006 -2010 Studie theater- film en televisiewetenschap in Utrecht, Berlijn en Brussel.

2012 Voorstelling Bouta, over het leven van Desi Bouterse

2015 Voorstelling Hulp

2017 Voorstelling Tenzij je een beter plan hebt.

2019 Pronk gaat 6 december in première in Frascati, Amsterdam, daarna op tournee. Het is een Frascati Productie.

In 2020: voorstelling De zaak Shell en een debuutroman die verschijnt bij Das Mag.

Nuyens schrijft voor de Correspondent over cultuur en politiek.

Nuyens heeft een zoon van negen maanden.

Bronvermelding

Liam Gallagher eerste naam Reading / Leeds Festival

Het Britse dubbelfestival Reading en Leeds hebben de eerste naam voor de komende editie bekend gemaakt.

Liam Gallagher, de helft van de Gallagher-broers is de eerste headliner voor beide festivals. Liam vormde in de jaren ’90 samen met zijn broer Noel de band Oasis, waarmee ze met Wonderwall (inmiddels een klassieker) en Don’t look back in anger grote hits te pakken hadden. Na constante ruzie tussen de broers viel Oasis uit elkaar, waarna ze beide hun eigen weg op gingen. Noel richtte zijn High Flying Birds op, Liam kwam met Beady Eye die in 2014 weer ontbonden werd. Sindsdien speelt Liam solo, waarmee hij tussen 28 en 30 augustus dus op het Reading / Leeds Festival staat.

Reading Festival wordt gehouden op Little John’s Farm, Richfield Avenue, Leeds Festival vindt plaats op Bramham Park. Tickets voor beide festivals zijn al te verkrijgen. Een weekend ticket voor het dubbelfestival kost je 221,40 Britse Pond (omgerekend ongeveer 260 euro).

Bronvermelding

The Killers toegevoegd aan TW Classic

Het Belgische TW Classic is zoals Rock Werchter tot 1994 was: een festivalterrein met één podium en een selecte groep van artiesten. In het verleden hebben bands en artiesten als The Rolling Stones, The Police, Bryan Adams, Sting, Phil Collins, Elton John, Bruce Springsteen & The E Street Band, Guns N’ Roses, Kraftwerk, Bon Jovi, Robbie Williams, Depeche Mode, Editors en Black Eyed Peas al eens op het podium gestaan.

Voor de komende editie was Paul McCartney al bekend gemaakt, vandaag zijn ook The Killers bevestigd! The Killers waren voor het laatst in Werchter te bewonderen in 2018, toen stond de Amerikaanse band op Rock Werchter. Sindsdien is de band niet meer in België of Nederland geweest.

Het eendagsfestival vindt plaats op 21 juni, in de gelijknamige plaats in België. Tickets voor TW Classic zijn al te verkrijgen, een kaartje kost je 96 euro (inclusief servicekosten).

Bronvermelding

MeToo op de boekenplank: Is er hoop na Harvey?

Beeld Deborah van der Schaaf

‘Uiteindelijk is mijn boek over het onderzoek naar Harvey Weinstein best een optimistisch verhaal’, zei Ronan Farrow onlangs tegen de Volkskrant. Onderzoeksjournalist Jodi Kantor had woorden van gelijke strekking. Het boek dat zij met Megan Twohey schreef over het seksuele machtsmisbruik van de filmmagnaat is, zo zei zij in een interview, in de basis een hoopvol boek. En zelfs Chanel Miller, die op 21-jarige leeftijd werd aangerand terwijl ze bewusteloos was en een boek schreef over de nasleep, ziet lichtpuntjes.

Dit jaar was het jaar van MeToo op de boekenplank. Er kwamen drie essentiële boeken uit over het onderwerp. Kantor en Twohey schreven twee jaar geleden in The New York Times als eerste over de seksuele terreur van Weinstein en diens systematische intimidatie om dat te verbergen. In She Said ontrafelen ze hoe hun onthulling tot stand kwam.

Farrow publiceerde zijn verhaal over Weinstein vijf dagen later, in het weekblad The New Yorker (hij had ook vrouwen gesproken die zeiden door de filmmagnaat te zijn verkracht). Zijn Catch and Kill is eveneens een reconstructie, niet alleen van zijn journalistieke zoektocht, maar ook van hoe hij daarbij werd dwarsgezeten: door geheim agenten en zijn eigen opdrachtgever.

Chanel Miller: Know My Name – A Memoir. ★★★☆☆ Viking; € 19,99.

Ronan Farrow: Catch and Kill – Lies, Spies and a Conspiracy to Protect Predators. ★★★★☆ Fleet; € 17,99.

Jodi Kantor, Megan Twohey: She Said – Breaking the Sexual Harassment Story that Helped Ignite a Movement. ★★★★★ Penguin Press; € 24,00.

Zowel Kantor en Twohey als Farrow, die met hun onvoorstelbare onthullingen de MeToo-beweging in gang zetten, kregen daarvoor een Pulitzer Prize.

En dan is er nog Miller, die in 2015 werd aangerand door Brock Turner, student aan de elite-universiteit Stanford. De topzwemmer die aan de Olympische Spelen hoopte deel te nemen werd door de rechter weliswaar schuldig bevonden, maar kreeg slechts zes maanden gevangenisstraf. Miller, die toen nog anoniem wenste te blijven, richtte zich in de rechtszaal tot haar aanvaller met een indrukwekkende slachtofferverklaring, die over de hele wereld tientallen miljoenen keren werd gelezen – en zo de weg vrijmaakte voor de historische MeToo-beweging.

Beeld Penguis Press

Nu heeft ze onder haar eigen naam Know My Name geschreven, over de verwoestende uitwerking van de aanranding en de rechtsgang op haar leven.

Maar er is dus hoop, ergens, aldus de auteurs. Niet alleen die vrouwen waren zo moedig zich publiekelijk uit te spreken, ondanks de repercussies die dat zou kunnen hebben. Andere mensen waren eveneens bereid tegen de stroom in te getuigen – ook mannen. De deep throat in Kantors en Twoheys onderzoek is een man: Irwin Reiter, de accountant die jarenlang voor The Weinstein Company werkte. De geheim agent die uiteindelijk naar Farrows kant overstapt, is een man. De twee getuigen die Brock Turner van de bewegingloze Chanel Miller aftrokken, waren twee jongemannen.

‘Er zijn’, vatte Farrow in de Volkskrant samen, ‘mensen die principes boven hun eigenbelang stellen.’

Dat is bemoedigend. Maar is het genoeg? Is er hoop na Harvey? Wie bovengenoemde boeken achter elkaar leest (moet je ook niet doen, natuurlijk; my bad) zakt de moed eerder in de schoenen. Alle drie de boeken, en dat maakt ze ook zo sterk, wijzen niet alleen naar de dader, maar ook naar de grote groep medeplichtigen die er – doelbewust – voor zorgden dat seksueel misbruik, geweld en machtsmisbruik konden blijven voortduren. En naar instituties die, na de ontmaskering, het slachtoffer tegenwerken.

Langdurig seksueel geweld is, zoals She Said – het beste boek van de drie – terecht stelt, bijna altijd teamwerk.

Beeld Viking

Hoezeer je als slachtoffer in de steek kan worden gelaten, beschrijft Chanel Miller pijnlijk nauwkeurig. Opnieuw bewijst ze in Know My Name dat ze kan schrijven: glashelder, chirurgisch precies en met zwarte humor. Het boek is een uitgebreide variant op haar slachtofferverklaring, maar stijgt daarboven uit op de momenten dat Miller inzoomt op het falende systeem. Op de klassenjustitie die ze ondervindt, als half-Chinees middenklassemeisje tegenover een veelbelovende Stanford-corpsstudent. En op de trage rechtsgang – hoe vaak kan een getraumatiseerd slachtoffer dat haar privacy wil beschermen tegenover haar werkgever liegen dat ze naar de tandarts moet, als de rechtszittingen steeds op het laatste moment worden uitgesteld? Miller moet uiteindelijk haar baan opzeggen.

Het meest schrijnend is de houding van de universiteit Stanford, die ruim twee jaar na de aanranding op de campus pas contact opneemt met Miller – niet toevallig nadat haar verklaring viral is gegaan.

‘Institutional betrayal’, noemt de Amerikaanse hoogleraar psychologie Jennifer J. Freyd dergelijke praktijken. Institutioneel verraad: wanneer je als individu onheus wordt behandeld door een instelling waarvan je afhankelijk bent, en die je vertrouwt. Het blijkt een rode draad te zijn in de MeToo-boeken.

The Weinstein Company was een goed geoliede meewerkmachine, waarbij een deel van het personeel als voornaamste taak had het faciliteren van Harveys perverse verlangens. De slachtoffers van Weinstein die de moed hadden zijn gedrag bij het bedrijf aan te kaarten, werden geïntimideerd, monddood gemaakt (met geheimhoudingscontracten), of als onbetrouwbaar weggezet. De bedrijfstop koos er lange tijd voor de boel te bagatelliseren – uit angst voor reputatieschade. En ging zich pas op het eind zorgen maken – uit angst voor reputatieschade.

Maar ook andere instituties plegen verraad. ‘Leugens, spionnen en het complot om seksueel misbruik te verzwijgen’ is de ondertitel van Farrows boek, en niet voor niks. In zijn als een spannende thriller geschreven Catch and Kill ontmaskert Ronan Farrow niet alleen Weinstein, maar ook (een deel van) de Amerikaanse journalistiek. Hij maakt aannemelijk dat het roddelblad National Enquirer niet alleen lasterlijke artikelen schreef over mensen die Weinstein beschuldigden, maar ook negatieve artikelen (over Weinstein, maar bijvoorbeeld ook over Donald Trump) opkocht om ze vervolgens in de doofpot te stoppen (catch and kill).

Schokkender nog is Farrows beschuldiging dat de omroepbazen bij tv-zender NBC hem maandenlang tegenwerkten, en hem uiteindelijk zelfs verboden door te gaan – ondanks getuigenissen van vijf slachtoffers van Weinstein en een geluidsopname die een van die slachtoffers voor de politie had opgenomen – omdat ze lijntjes zouden hebben met Weinstein of omdat ze zelf nogal wat seksuele misstanden te verbergen hadden. Farrow publiceert zijn prijswinnende verhaal uiteindelijk bij weekblad The New Yorker.

Farrow dwingt respect af, met zijn doorzettingsvermogen (ondanks onwillige bazen en door Weinstein ingehuurde spionnen, nepjournalisten en advocaten toch zo’n onvoorstelbaar verhaal afleveren, daar waar Kantor en Twohey een heel krantenteam om zich heen hadden) en zijn geestige zelfspot (Farrow, zoon van Mia Farrow en Woody Allen of Frank Sinatra, schrijft geregeld ironisch over zijn afkomst en zijn manier van handelen).

Beeld Fleet

Farrows boek lijkt op de korte termijn de meeste impact te hebben in Amerika. Toch zijn het Kantor en Twohey die met She Said de onbetwiste klassieker hebben afgeleverd, een grandioos handboek journalistiek waar je over tien jaar nog naar teruggrijpt. She Said is helderder, zorgvuldiger, analytischer, zakelijker, en net wat spannender ook.

Kantor en Twohey nemen ons mee op hun speurtocht die Weinstein ten val zou brengen: we zitten met hen aan de telefoon, kloppen onaangekondigd aan bij mogelijke bronnen, luisteren mee terwijl ze nadenken over formuleringen en strategieën om slachtoffers on the record aan het praten te krijgen. Gedetailleerd lezen we van wie en wanneer ze doorslaggevende informatie krijgen. Ook zij zijn achtervolgd door de spionnen en nepagenten van Weinstein, maar daar maken ze niet te veel woorden aan vuil.

Wel gaat She Said diep in op de mechanismen die seksueel misbruik stutten. Op de in Amerika wijdverbreide praktijk van geheimhoudingscontracten, die – hoe begrijpelijk ook dat ze door vrouwen ondertekend worden – precies het voortbestaan van seksueel geweld garanderen. Op de medeplichtigheid van de werkvloer: accountant Irwin Reiter krijgt alle eer die hem toekomt voor zijn aandeel in de val van Weinstein, maar moet ook uitleggen waarom hij jarenlang niks deed. Op de aantrekkingskracht van macht en fortuin; ondanks de jarenlange hardnekkige geruchten over Weinstein bleef bijvoorbeeld Hillary Clinton om hem heen cirkelen.

Daarbij werpt het boek een fel licht op het perverse opportunisme van hen die seksuele intimidatie, geweld en machtsmisbruik doelbewust in stand hielden, puur uit eigen gewin. Op advocaten als Gloria Allred, haar dochter Lisa Bloom of David Boies – die voor de buitenwereld lijken te strijden voor goede zaken als rechten voor vrouwen en homo’s, maar zich binnenskamers voor het karretje van Weinstein laten spannen, in ruil voor geld of zicht op een filmrolletje.

Daar hadden Kantor en Twohey het bij kunnen laten. Dan was She Said ook al een indrukwekkend boek geweest. Maar in het laatste deel van hun boek vragen ze zich af wat de MeToo-beweging, die hun artikel mede heeft aangewakkerd nu eigenlijk heeft opgeleverd. Worden mannen te makkelijk publiek veroordeeld? Worden vrouwen te weinig geloofd? Aan de hand van de zaak van Blasey Ford, de hoogleraar die opperrechter-in-spe Brett Kavanaugh betichtte van aanranding, analyseren Kantor en Twohey wat er in de regel bij dit soort zaken fout gaat, en welke vragen de maatschappij – burgers, werkgevers, wetgevers – zich moet stellen.

Als wij lezers antwoorden gaan eisen van hen die institutioneel verraad plegen, dan is er misschien nog hoop.

Bronvermelding

Zwarte schuur van Oek de Jong heeft alles in zich een klassieker te worden ★★★★☆

Beeld Deborah van der Schaaf

In een vervallen schuur op La Gomera, waar hij is om zijn bijna failliete huwelijk te redden, vindt Maris Coppoolse een oud stuk gereedschap. De houten steel vertoont donkere plekken van het zweet van vroegere gebruikers dat erin is getrokken. Onbewust kijkt hij in een spiegel: ook hij is getekend door wat er in een ver verleden met hem is gebeurd.

Maris is de protagonist in Zwarte schuur, de roman van Oek de Jong. Als een beschadigde en gekwelde figuur wankelt hij door dit boek, vechtend tegen sporen die één middag in hem achterlieten. 14 was hij en het noodlot voltrok zich op een schuurzolder op het Zeeuwse eiland waar hij opgroeide. Hij was er met het meisje Matty, dat hem tegen zijn zin uitdaagde en hem, toen hij niet op haar avances inging, vernederde met woorden. In drift, een impuls, gaf hij haar een duw, waardoor ze van de zolder viel en op de schuurvloer haar nek brak. Een dodelijke val, die Maris’ leven fundamenteel ontwricht. ‘De herinneringen vervagen niet. Ze zijn er altijd’, zegt hij decennia later. Ze blokkeren hem in relaties, in geluk, in ‘leven’. Hij ervaart wat Henrik Ibsen ooit schreef: ‘Ieder mens heeft een lijk aan boord: zijn verleden.’ Het verleden is als een druppelende lange ijspegel aan een dakgoot, irritant tikkend.

Maris Coppoolse herinnert aan getormenteerde personages uit de naturalistische/psychologisch-realistische romans van rond 1900. Ook hij heeft geen mentale bewegingsvrijheid, is gedetermineerd door aanleg, afkomst en ervaringen, en vecht tegen aard en verleden. Maar anders dan in die vroegere romans gaat Maris niet ten onder. Hij komt, als in een klassiek drama – vijf delen telt de roman –, tot een katharsis. Meer dan veertig jaar heeft hij in een mentale gevangenis geleefd, maar uiteindelijk wenkt de oneindigheid van het bestaan. Dat geldt ook voor zijn eveneens beschadigde vrouw Fran.

Zwarte schuur is doordesemd van de doem van het verleden. Met subtiele, bijna onopvallende details herinnert Oek de Jong aan de kwelling van herinneringen en het gevecht daartegen. Als Maris aan de kust de golven met doffe dreunen hoort breken, vraagt hij in zijn hotel om oordopjes, ‘maar die hadden ze niet’. De golven blijven beuken.

Oek de Jong rekent in zijn roman af met de modieuze opvatting dat het leven overwegend maakbaar zou zijn. Kijk naar Maris Coppoolse, zegt hij impliciet, hoe aanleg en omstandigheden hem kneedden en beschadigden. Het enige wat wij kunnen doen is daarmee leven, en met een dosis wilskracht, liefde en moed – Maris gaat de confrontatie met de giftige broers van het dode meisje succesvol aan – is het mogelijk ons tot op zekere hoogte van onszelf te bevrijden. Niets van wat ooit is gebeurd, kunnen wij volledig uitgummen, hanteerbaar maken om door te leven kan wel. Maakbaarheid met littekens.

Zwarte schuur heeft nog veel meer te zeggen. Het is een roman over schuld en boete, de onkenbaarheid van de mens, dood, existentiële eenzaamheid, noodlot, vergankelijkheid, seks als genot en troost, de liefde als mysterie, loutering, de kracht en zwakte van herinnering. Grote klassieke thema’s, zeker. Ik geneer me niet ze te noemen. Oek de Jong heeft ze in deze roman opnieuw inhoud en glans gegeven. Hij is niet altijd een groot stilist, maar wél een begenadigde plastische verteller met inzicht in de menselijke psyche en oog voor sublieme details. Die verrassen, ontroeren, zetten aan het denken – en dwingen bewondering af. Zwarte schuur heeft alles in zich een klassieker te worden. De Nederlandse literatuur is verrijkt met een gepijnigd én gelouterd personage: Maris Coppoolse.

Oek de Jong; Zwarte Schuur. Fictie ★★★★☆ Atlas Contact; 496 pagina’s; €24,90. 

Beeld Atlas Contact

Bronvermelding

‘Moordenaar Ferdi E. was bijzonder. Niet alleen maar een slecht mens, maar ook een mens als ik’

Tim Krabbé raakte gefascineerd door Ferdi E., de moordenaar van Gerrit Jan Heijn. Hij zocht hem vaak op in de gevangenis en raakte ook bevriend met Ferdi’s vrouw. Waarom liet het boek over de zaak dan dertig jaar op zich wachten?

Zijn fascinatie voor een moordenaar kwam hem duur te staan. Na de onlangs vertoonde documentaire van Twan Huys over Tim Krabbé en zijn vriendschap met Ferdi E., regende het verbijsterde reacties. Krabbé zou te bewonderend over de ontvoerder en moordenaar van Ahold-topman Gerrit Jan Heijn hebben gesproken en te weinig afstand hebben bewaard. De auteur heeft de ‘zogenaamde documentaire’ niet gezien, en wil niet reageren op de verontwaardiging, die hij naar eigen zeggen ook niet heeft gevolgd.

Enkele weken voor de rechtszitting, in 1988, stuurde schrijver Tim Krabbé Ferdi E. een briefje. ‘Uw zaak verdient een goed boek’, schreef Krabbé. Het boek liet zo’n dertig jaar op zich wachten, maar nu is het er: een meer dan 800 pagina’s dik dagboek van een ‘vriendschap’ met E. en – meer nog – diens gezin.

De ontvoering leek de perfecte misdaad. Velen moesten al snel aan uw boek Het gouden ei denken.

‘Ik dacht daar natuurlijk ook aan toen die zaak speelde. Maar het idee achter Het gouden ei was niet zozeer ‘de perfecte misdaad’, maar de filosofische misdaad, tot in de puntjes uitgedacht en voorbereid. Mijn hoofdpersonage Lemorne wilde onderzoeken hoe slecht hij kon zijn, Ferdi beweerde onder meer dat het hem ging om geld waarmee hij wraak wilde nemen op oud-collega’s. Dat is een groot verschil. Wel zag ik in E.’s minutieuze voorbereiding een gelijkenis met mijn boek. Beide hoofdpersonen waren ook mensen uit mijn wereld: een beetje academisch gevormd, bezig met zaken van de geest, ze waren lezers.’

U schreef brieven, eerst aan E., daarna aan zijn vrouw Els Hupkes. Daarin viel al snel de titel van een andere klassieker: In Cold Blood van Truman Capote. Was een Nederlandse In Cold Blood uw ambitie?

‘De droom van literaire crime non-fictie hadden meer schrijvers in die jaren. Direct bij het contact met E.’s vrouw Els Hupkes heb ik Capote herlezen. Een meesterlijk boek, maar het was geen voorbeeld voor me. Er stond mij in het begin niets specifieks voor ogen. Eerst wilde ik contact met E.

‘Er is ook een belangrijk verschil met Capote: ik ben zelf aanwezig in mijn boek. Capote deed dat niet. Een overeenkomst is dat het totaal anders werd dan we zelf verwachtten. Capote maakte van een piepklein krantenberichtje een boek over de reacties van een stadje op een viervoudige roofmoord. Het werd anders door de figuur Perry Smith, op wie hij ook nog heimelijk verliefd werd. Hij heeft een kleine zaak groot gemaakt, ik heb een grote zaak teruggebracht tot het gewone leven. Mijn boek werd een dagboek, een kroniek van een gezin dat dit overkomt.’

Uw contact met Els kreeg al snel amoureuze trekjes – terwijl haar man in de gevangenis zat, deelde u het bed met haar. Kun je dan nog onbevangen schrijven?

‘We vonden elkaar snel leuk. We werden een beetje verliefd, maar seks was niet wat ons bond. Dat moest alleen even uitgezocht worden. Het klinkt misschien hard: het leek alsof een formaliteit moest worden vervuld, als een stempeltje in je paspoort om het land in te mogen. Els formuleerde het later zo: het moest, en het heeft geen sporen nagelaten. Zo was het. Daarna konden we elkaars belangrijkste vriend worden.’

Beeld Hilde Harshagen

Belemmerde dat het contact met Ferdi niet?

‘We hebben het lang verzwegen. Els heeft het hem kort nadat hij vrijkwam verteld. Hij heeft er tegen mij nooit iets over gezegd. Hij zal het diep van binnen vermoed hebben, en het niet zo’n punt hebben gevonden, denk ik. Els was vóór de ontvoering ziekelijk verliefd op een ander, dat slorpte haar op. Het maakte haar totaal afwezig. Tot het eind noemde Ferdi dat een drijfveer voor zijn daad: een daad stellen omdat Els er niet voor hem was.’

Nog een belemmering: Ferdi wilde geld voor zijn medewerking.

‘Dat heb ik geweigerd. Ik wilde geen boek schrijven waarmee ik de weduwe van Gerrit Jan, Hank Heijn, niet onder ogen zou durven komen. Dat zou niet kunnen wanneer Ferdi had verdiend aan mijn boek. Omdat hij volhardde, heb ik het project na jaren in de kast gezet, om aan andere boeken te werken. Zoals aan Wij zijn, maar wij zijn niet geschift, over de schietpartij in Columbine. Dat was een soort compensatie, vanuit dezelfde fascinatie: twee goed opgeleide jongens die in Littleton, Colorado, een leraar, twaalf leerlingen en zichzelf doodschoten.

‘Ik hield intussen wel nauw contact met Ferdi en het gezin. Ze hebben me altijd beschouwd als een soort familielid. Omdat ik behept ben met volledigheidsdrang, heb ik altijd alles genoteerd, na elk bezoek maakte ik aantekeningen. Dat ben ik blijven doen, maar vele jaren niet meer met het idee van een boek.’

Beeld Hilde Harshagen

Waarom begon u er in 2015 alsnog aan?

‘In mijn wielrenkamertje stond een kast vol mappen met brieven van Els en ander materiaal. Bakken vol schijfjes, nog van die harde floppies. Usb-sticks, cd’s. In 1992 was het al een dossier van 1,5 miljoen woorden. Dagelijks liep ik daaraan voorbij. Op zeker moment dacht ik: ik ga het tóch proberen. Het was iets irrationeels. Waarom word je in één oogopslag verliefd? Waarom ga je wielrennen? Je merkt ineens dat je begonnen bent. Het scheelde dat de zaak inmiddels lang geleden is. Zo kan me geen sensatiezucht meer verweten worden. Dat is het ook niet. Het gaat mij om het verslag van een gezin in bijzondere omstandigheden. Ik wilde het menselijke van een uniek exces schetsen.’

Zowel E. als zijn vrouw is dood. Baande dat ook de weg om te publiceren?

‘De dood van Ferdi wel. Niet alleen vanwege het geld, dat hij op het laatst niet eens meer eiste, maar omdat je geen biografie kunt schrijven over een levende. Dan kijkt iemand over je schouder mee. Maar ook na zijn dood, in 2009, ben ik niet meteen begonnen. Toen werkte ik nog aan mijn Columbine-boek.

‘Het overlijden van Els was voor mij geen overweging. Zij verlangde juist naar een boek van mij hierover. Zij en Ferdi waren onderwerp van veel praatjes en speculatie. Ik wist alles, een boek van mij zou hun verhaal neerzetten zoals het echt was. Dat heb ik ook gedaan. Ze wist dat ik het ging doen, maar ze overleed te vroeg om mee te lezen.’

Zij publiceerde in 2000 zelf een roman over de zaak, De kleine Britt. Hoe vond u dat?

‘Ik vond het geen goed boek. Vooraf had ik sommige passages gelezen, ik maakte wat opmerkingen. Maar ik heb haar niet helpen schrijven, dat was niet nodig. Els was een goede schrijver, alle brieven van haar in mijn boek zijn eerste versies. Maar het was niet sterk gecomponeerd. Het was moeilijk dat tegen haar te zeggen. Bij de presentatie op de uitgeverij heb ik een aardig woordje gesproken, later heb ik haar eerlijk verteld dat ik het niet zo goed vond. Daar heeft ze dagenlang last van gehad.’

Was u bang dat haar boek uw werk in de weg stond?

‘Nee. Ik had toen al afscheid genomen van een boek over deze zaak. Voor haar hoopte ik dat het goed was en een succes zou worden. Ik zag haar niet als concurrentie; ik zou het toch heel anders doen dan zij.’

Uw boek is 800 pagina’s dik geworden.

‘Ik heb niet gelet op de omvang, ik maakte wat het van mij moest worden. Het is een dagboekverslag over dertig jaar – logisch dat het niet dun is. Maar ik ben geen ouwehoer; ik sta bekend als auteur van dunne boekjes. Scholieren zullen dit niet snel op hun lijst zetten.’

Wat moest u weglaten?

‘Naast het vakmatige wieden uit de dossiers ben ik in eerste instantie zonder belemmering gaan schrijven. Later ging ik anonimiseren en schrappen, vanwege de privacy. Ik vermeld het niet in mijn boek, maar de voornamen van de kinderen heb ik gewijzigd. Hun algemeen bekende achternaam hou ik op ‘E*’. Om ze te beschermen tegen onwelkome publiciteit. Hun voornamen zijn niet zo makkelijk op internet te vinden. Ze hebben het gelezen, op hun verzoek heb ik een paar details geschrapt. Het is niet veel, en niet zo relevant.’

U koos ervoor soms zeer intieme zaken te openbaren. Over een beginnende erectie of over de vaginale afscheiding van Els bij haar arrestatie. Wilde u zo schaamteloos eerlijk zijn?

‘Dat is een raar overblijfsel uit preutse tijden – waarom zou dat er niet in mogen? Bij haar arrestatie, midden in de nacht, lag Els zonder onderbroek in bed. Ze voelde zich vies, werd recht uit bed getrokken en mocht niet eens een onderbroek aantrekken. Dat citeer ik uit een brief van haar. Normen op dit vlak interesseren me niet. Je praat met een leuke vrouw aan de telefoon, het gesprek gaat een bepaalde kant op, en dan komt er zo’n erectietje aan. Waarom zou je dat in godsnaam niet mogen beschrijven? We leven in 2019! Maar kritiek zal ik sowieso wel krijgen.’

Beeld Hilde Harshagen

Waar denkt u aan?

‘Er zal, ook na zoveel jaar, oneigenlijk op gereageerd worden, vooral door de lagere pers, zoals ik het maar noem. Ik weet wel hoe Privé en De Telegraaf reageren: niet erg intelligent, gericht op vunzige inzichten. Op het boek van Els werd destijds ook schandelijk gereageerd, ook door de Volkskrant en NRC; ze moest haar bek houden, was de teneur. Trouw noemde Els in een bespreking ‘een vaag soort kunstenares’. Laat dat nou over aan de Privé.’

Ontluisterend vond ik de zwarte grappen van het gezin van E. U en de familie gingen naar Bloemendaal, langs het huis van de familie Heijn. Hun hondje dreigde het erf op te rennen, waardoor de grap opkwam aan te bellen met de mededeling: ‘De hond van Ferdi E. zit in uw tuin.’ Met Sinterklaas kreeg Ferdi in de gevangenis een keer van een van zijn dochters zo’n opwindbare wandelende vinger, als surprise.

‘Als je zo lang geconfronteerd wordt met zoiets zwaars, moet je daar doorheen. Daar schreef Els in haar boek ook over. Wrange grappen zijn voorbehouden aan de slachtoffers, aan beide kanten. Zij mogen dat.’

De vraag is of je ze moet opschrijven in een boek.

‘Ik mag alles opschrijven wat waar gebeurd is. Sommige mensen verzwijgen vreselijke gebeurtenissen, anderen maken er wrange grappen over. Over de pink van Heijn, daar kun je haast niet géén grappen over maken, als je zo betrokken bent als zij. Er is niets schandelijks aan, maar zo wordt het wel gevonden.

Zegt u dat ook tegen de familie Heijn?

‘De familie heeft op mij altijd de indruk gemaakt van redelijke en slimme mensen, die dit op waarde kunnen schatten. Ze hebben contact met de familie gezocht en gehad: zoon Ronald Jan met Ferdi en de kinderen, weduwe Hank met Els. Ze toonden begrip voor hoe het aan ‘die andere kant’ moet zijn geweest. Ook toen Ferdi dood ging werd hij alom verafschuwd, maar de familie Heijn reageerde heel lief in kranten.’

Hebt u contact met de familie gehad voor dit boek?

‘Nee, waarom zou ik? Ondiplomatiek gesproken: de gevoelens van de familie Heijn zijn voor mij minder interessant. Als je dit in de kop zet, zijn de poppen aan het dansen, maar ik vind het wel. De gruwelijkheid van een verdwenen geliefde, dat is een ander onderwerp, waar Het gouden ei deels over gaat. Dit boek gaat daar niet over. Ik heb wel via de uitgeverij laten weten dat dit eraan kwam. Ze stelden de mededeling op prijs, heb ik begrepen. Het zou me verbazen wanneer ze niet zeer redelijk zouden reageren op dit boek. Er is niets waaraan ze aanstoot zouden kunnen nemen. Het zijn intelligente mensen die wel tegen een stootje kunnen.’

Beeld Hilde Harshagen

Is dit onderwerp nu afgesloten, of keert het thema nog eens terug in een roman?

‘Ik ben er nu wel klaar mee. Deze zaak was te interessant voor fictie. Daarin kan alles, maar juist dat dit geen fictie is, vind ik interessant. Het raadsel blijft hoe gewone mensen tot zoiets kunnen komen.’

Ferdi E. was behalve misdadiger ook een gewoon mens.

‘Enkele maanden na de moord solliciteerde hij bij Amnesty International. Els heeft hem later gevraagd of hij de afpersing zou hebben doorgezet als hij was aangenomen. Hij antwoordde: ‘Niet schrikken, maar ik denk van wel’. Vóór de moord heeft hij gesolliciteerd bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen. Toen had hij zijn geweer al in huis.’

Hebt u door dit boek inzicht gekregen in het ongewone deel van zijn persoon?

‘Ik denk van wel. De psychologie zal er wel een term voor hebben, ik benoem het zo: er ontbrak bij Ferdi een schakel tussen aandrift en daad. Ferdi begón gewoon. Hij wilde woest om zich heen slaan, weg van zijn gezin. Hij bedacht een plan, kocht een geweer, knoopte een valse snor, zocht een kaasplankje uit om die vinger op af te snijden. Allemaal ongevaarlijke stappen. ‘Pas toen ik met Heijn in de auto zat, wist ik dat ik het echt ging doen’, zei Ferdi later tegen me. Op zeker moment liep hij in het bos met Heijn, toen was het enkel nog de beweging van de trekker overhalen.

‘Ik vroeg hem wanneer hij wist dat hij Heijn zou doden. ‘Toen ik het deed’, antwoordde Ferdi. De rol van de wil moet je niet overschatten. Die is soms helemaal afwezig. Vergelijk het met opstaan. Je ligt in bed en denkt: ik moet opstaan. Op zeker moment bén je opgestaan. Het exacte moment waarop de wil daarin een rol speelt, is niet te betrappen. In De Renner schrijf ik daar ook over: wanneer exact besluit je te demarreren? Dat is niet aan te wijzen.’

Bent u als schrijver dichter bij Ferdi E. gekomen dan de psychologen?

‘Zeker! Ik heb alle vertrouwen in de psychologie verloren. De psychologen die Ferdi behandelden, waren de enigen die zijn achternaam verkeerd spelden. Kenmerkend voor de geringe mate van exactheid in die branche. Psychologen doen testjes en gebruiken een kant en klaar begrippenapparaat. Daar moet alles in passen. In de Van Mesdag-kliniek werd hij genezen verklaard op grond van wekelijkse gesprekken van drie kwartier – hou toch op. De inschatting vooraf was dat zijn behandeling negen jaar zou duren. Bleek in drie jaar te kunnen. Dat is toch gek? Ik heb Ferdi 272 keer opgezocht in de gevangenis, meer dan twintig jaar lang met hem gesproken;  natuurlijk kom je dan dichterbij dan een psycholoog.’

‘Ik vroeg hem wanneer hij wist dat hij Heijn zou doden.’ Beeld Hilde Harshagen

Het boek heet Vrienden. Waren jullie dat?

‘Niet in de zware betekenis die Ferdi eraan gaf. Wel in de lichte betekenis die ik eraan geef. Een vriend is voor mij iemand die je regelmatig ziet en met wie je het meestal wel kunt vinden. Ferdi was bijzonder, een niet-criminele crimineel. Hij was niet alleen maar een slecht mens, maar ook een mens als ik. Een heel warm contact was het niet, maar wel een soort vriendschappelijkheid. Hij gaf me volledig toegang tot zichzelf. Voor Ferdi betekende vriendschap dat je achter je vriend blijft staan, tegen je eigen moraal in. Dat gold voor mij niet.’

Zijn huidige misdadigers als Willem Holleeder of Ridouan T. interessant voor een schrijver als u?

‘Totaal niet. Ik hou niet van penose, drugscriminelen interesseren me niet. Ik wil het menselijke zien in een mens. Dat zou me bij Holleeder niet lukken. Ik ben eens in een café terechtgekomen in een gezelschap van dit soort types. Ze boezemen mij alleen maar afkeer in.’

Tim Krabbé: VriendenPrometheus, 800 blz, € 24,99

De zaak Gerrit-Jan Heijn

In september 1987 werd Ahold-topman Gerrit Jan Heijn ontvoerd. De zaak hield Nederland maanden in de greep, de politie communiceerde via krantenadvertenties met wat toen nog een bende van vijf ontvoerders leek. Na een geruchtmakende losgeldtransactie bleek de ontvoering het werk van een eenling: de werkloze ingenieur Ferdi E, die in zijn woonplaats Landsmeer tegen de lamp liep nadat hij in een winkel had afgerekend met het (genummerde) losgeld. Hij had Heijn op de dag van de ontvoering al vermoord, zijn pink afgesneden (en later opgestuurd naar de familie) en hem begraven in de bossen bij Doorwerth (Gelderland). E. werd veroordeeld tot 20 jaar cel en tbs. In 2001 kwam E. vrij, in 2009 verongelukte hij bij een verkeersongeval.

Bronvermelding

Weg met de vaste voornaam! Nooit meer misverstanden en pijnlijke versprekingen

Deze week heeft Peter Pannekoek een goed plan, want we hoeven niet alle moderne verschijnselen goed te keuren. Er zijn zaken waar we ons tegen kunnen, nee móéten verzetten. 

Het schijnt dat je, wanneer jij je aan iemand voorstelt, je meer bezig bent met hoe jij jouw eigen naam uitspreekt, dan te luisteren hoe de ander heet. Dat zou de reden zijn waarom we iemands naam vaak niet onthouden. Nu ben ik geen socioloog, maar ik zou graag een veel simpelere verklaring willen geven: je vergeet elkaars voornaam zo makkelijk, omdat die naam niks met diegene te maken heeft. Iedereen kent wel tien totaal verschillende Anne’s, die niks met elkaar gemeen hebben. Ik heb in de contactenlijst van mijn telefoon een eigen systeem om misverstanden te voorkomen: ‘Anne, blond haar, Lowlands, beetje leip’. Want mensen nemen het je wel kwalijk, als je niet meer weet hoe ze heten. Dat noemen ze ‘ongeïnteresseerd’; ik noem het ‘niet logisch’. Als iemand Lente, Storm of Peter Pannekoek heet, zegt dat meer over de ouders, dan over de persoon zelf.

Daarom wil ik ons oude systeem afschaffen en een nieuwe manier van naamgeving introduceren: elk soort gezicht krijgt een eigen naam. Denk aan het bekende bordspel ‘Wie is het?’. Als ik ‘Bill’ zeg, denkt u aan een dikke man met een kalende kop en een rood baardje. Zo krijgt elk gezicht zijn eigen voornaam. Op de basisschool zul je de meeste namen al uit je hoofd leren en in de rest van je leven pik je de andere op. Nooit meer misverstanden en pijnlijke versprekingen. Universele duidelijkheid. Sterker nog, het geeft je ook een indicatie van hoe mensen naar je kijken. Of je wel een reëel zelfbeeld hebt. Misschien denk je een ‘Arie’ te zijn, maar als mensen ‘Billie’ roepen, moet je toch echt vaker naar de sportschool. En als je voor de vakantie door collega’s ‘Henk’ werd genoemd, maar bij terugkomst wordt aangesproken met ‘Mohammed’, heb je misschien iets te lang in de zon gelegen. En als iemand je begroet met ‘Candice’ is dat een teken dat je minder make-up moet gebruiken.

Wat deze nieuwe aanpak ook zo leuk maakt: je gaat in jouw leven door meerdere namen heen. Je zult opgroeien als een ‘Julia’, puberen als ‘Famke’, afstuderen met ‘Kim’, een moeder worden die de kinderen kennen als ‘Mies’, scheiden als ‘Sylvie’ en met de hulp van plastisch chirurgie wordt je een oude vrouw genaamd ‘Marijke’.

En ruzies tussen aanstaande ouders zullen verleden tijd zijn. Ik ken stellen die op voet van oorlog leven over de te kiezen naam. Die hun heil zoeken bij namen-apps als Kinder, want hij wil Lionel, omdat hij idolaat is van Lionel Messi, terwijl zij dat een heel rare naam vindt voor een meisje.

In ons huidige systeem heb je niks te zeggen over je naam, terwijl die wel bepalend kan zijn voor je toekomst. Probeer maar eens géén kakker te worden als je Constantijn heet. Het schijnt dat voetbalclubs je dan niet eens toelaten. In mijn opzet word je pas een Willem-Jan als je een matje in de nek hebt. Dus als je zelf heb besloten om makelaar te worden.

Nu vraagt u zich natuurlijk af: ‘Maar wat doen we met de achternaam?’ Die blijft bestaan. Om de familiebanden duidelijk te maken. En dat zegt deze Pannekoek met pijn in zijn hart.

Bronvermelding

Hoe reageer je op een onwelgevallig boek van een politieke opponent? En vooral: hoe doe je het niet?

Donald Trump jr., de zoon van, staat misschien niet alom bekend om zijn intelligentie, maar één ding moet je hem nageven: de man heeft voorspellende gaven. Al voor zijn boek Triggered – How the Left Thrives on Hate and Wants to Silence Us uitkwam, pookte hij potentiële kopers op met de boerenslimme vraag: ‘Wat zou Democraten meer kunnen ergeren dan dat dit boek een bestseller wordt?’

Nou inderdaad: weinig dus. Triggered belandde op nummer 1 van de New York Times Bestseller List, en (linksige) media zaten in de hoogste boom. Reden: naast de notering stond het symbooltje van een dolk, dat duidt op bulk-verkoop. Iemand had het boek in groten getale afgenomen, en was dat niet gebeurd, wisten Business Insider tot Jezebel, dan was die hoge positie nooit behaald.

The New York Times kwam deze week met diepgravender onderzoek: de Republikeinse partij kocht voor 100 duizend dollar boeken en biedt gesigneerde exemplaren voor 50 dollar per stuk aan (bij Amazon kost het boek 17,98 dollar) als crowdfunding voor de partijkas. De partij ontkende dat eerst, en doet dat, nadat de krant bewijs overlegde, nog steeds.

Dat de partij geld uitgeeft om de zoon van de leider te spekken, is misschien niet netjes, maar niet illegaal. Boeken groot inslaan en een topnotering behalen is niet chic, maar niet verboden. En dat Donald jr. zonder bulkinkoop de hoogste plek nooit had gehaald is onjuist – het aantal door de Republikeinen gekochte boeken is veel kleiner dan het verschil tussen nummer 1 en 2.

Media die daarover zeuren, spelen Donald jr. alleen maar in de kaart; zijn zij niet het schoolvoorbeeld van ‘links dat rechts de mond probeert te snoeren’? En dat terwijl Donald jr. geen hulp bij slechte publiciteit nodig heeft: tijdens zijn boekpromotie werd hij door nota bene rechtse bezoekers uitgejouwd omdat hij weigerde vragen te beantwoorden.

Hoe reageer je op een onwelgevallig boek van een politieke opponent? En vooral: hoe doe je het niet? Afgelopen weken bood de realiteit zomaar een gratis masterclass.

In een bibliotheek in Idaho, werd onlangs bekend, verstopt iemand al maanden boeken die hem of haar niet bevallen: kritische boeken over Trump, feministische literatuur, manifesten over anti-wapenbezit. De biebmedewerkers vinden ze af en toe op de gekste plekken: bij de jeugdliteratuur, verstopt achter een rij boeken, met de rug naar achteren.

Ook hier werkt het averechts: de bieb zag zich genoodzaakt onvindbare boeken opnieuw aan te schaffen. En de schrijver van het verstopte Commander in Cheat (over Trumps neiging vals te spelen tijdens het golfen), bood aan tien exemplaren op de planken te verstoppen voor gelukkige vinders.

Het goede nieuws: de macht van het woord wordt kennelijk nog altijd hoog ingeschat. Alle ontlezing ten spijt,  zijn boeken nog steeds gevaarlijk.

Bronvermelding