Waar is het goeie ouwe onderscheid tussen een schrijver en zijn werk gebleven?

Dus nu is Enid Blyton ook al fout, Enid Blyton! (‘Blieton’ zeiden we), schrijfster van honderden Britse meisjesboeken (De vijf, De dolle tweeling) waarvan vooral de avonturen van Pitty me aangrepen. Het eerste heette Pitty naar kostschool, daarna kwamen Pitty’s tweede kostschooljaar, Pitty in de derde, Pitty als vierdeklasser, Pitty’s vijfde kostschooljaar en Pitty’s laatste kostschooljaar – superoverzichtelijk allemaal. Dat de boekjes toen al oud waren en zich afspeelden in een wereld die me volledig vreemd was, maakte ze alleen maar leuker. Er was een ‘matrone’, er was een ‘mam’zelle’ die de hele tijd tiens zei, er waren slaapzalen waar toast met ansjovisboter werd gegeten; allemaal dingen waarvan ik nog nooit had gehoord. Door Enid Blyton (1897-1968) ben ik een boekenlezer geworden, zoals talloze twintigers en dertigers dat werden door J.K. Rowling. 

Brave boekjes schreef Blyton, maar kennelijk toch niet zó braaf. Deze week maakte de Daily Mail bekend dat de Britse Koninklijke Munt in 2016 terugkwam van het voornemen Enid Blytons 50ste sterfdag te herdenken met een muntje van 50 pence. Leden van de adviescommissie vonden Blyton ‘racistisch, seksistisch en homofoob’, kritiek die overigens een paar decennia geleden ook al klonk. In Groot-Brittannië ging de discussie vervolgens vooral over de vraag of Blyton dat inderdaad allemaal wás. In De vijf is de glansrol immers voor het meisje Georgina dat een jongen wil zijn en zich George laat noemen, en volgens een recente biografie had Blyton naast hetero-  ook homoseksuele relaties; dus wat nou homofoob? Het leek een herhaling van de commotie van vorig jaar, toen de Koninklijke Munt afzag van een speciale herdenkingsmunt voor Roald Dahl vanwege diens antisemitisme. Ook toen ging het vooral over hoe fout Dahl precies was geweest, niet als schrijver maar als mens. 

Glibberige discussies zijn dat, want de mens mag van nature misschien best goed zijn, hij is van nature ook best slecht; en welke kant de boventoon voert is vooral een kwestie van tijd en plaats. Interessanter is de vraag hoe relevant de morele deugdzaamheid van een schrijver is als het om muntjes of andere eerbetonen gaat. Waar is het goeie ouwe onderscheid tussen een schrijver en zijn werk gebleven? In Nederland slaan we geen beeltenissen van schrijvers op munten maar we vernoemen wel prijzen naar ze: naar Jan Wolkers (seksistisch), naar Adriaan Roland Holst (seksistisch en antisemitisch), naar E. du Perron (seksistisch, racistisch én homofoob); en niemand die erover zeurt. Houden zo. 

Dooie schrijvers die deugden zijn nu eenmaal zeldzaam

Auteurs die bij leven géén enigszins racistische, seksistische dan wel homofobe opvattingen koesterden? Je moet ze met een lantaarntje zoeken. Schrijvers zijn per slot net mensen, schrijft Elma Drayer in haar column.

Bronvermelding

Een middelmatig dichter kán niet beter, maar het scheelt veel als hij dat zelf beseft

Beeld Getty, bewerking Studio V

Schrijver tweede klasse, dat was de functie die Niek Verhaagen (1915-1948) lange tijd had, op het registratiekantoor van de belasting in Delft. In de titel van zijn enige roman Zonruiter, schrijver tweede klasse (1945) zitten de hoop en de realiteit al vervat. Verhaagen wilde zich losmaken van de christelijke letteren, zo laat Lo van Driel zien in zijn biografie ‘De ziel bloeit slechts één zomer’ (lovandriel@zeelandnet.nl; € 19,90), over het korte leven van Niek Verhaagen. Die wist zelf wat zijn statuur was, getuige ook zijn bundel De middelmaat (1942) met daarin een vers waarin hij eerst uitlegt dat een dichter net zo slaapt als ieder ander; namelijk met een borstkas die op en neder gaat, onder het in- en uitademen:

‘Wie er aan twijfelt of hij dichten kan,
die fluistre in zijn oor een regel van
de dichter Tollens, Staring of Verhaagen.

Ontroerd voleindigt hij de strofe dan
als hij een dichter is  een burgerman
zal U wellicht naar Uw gezondheid vragen.’

Dat is niet geweldig, maar wel sympathiek. Een middelmatig dichter kán niet beter, maar het scheelt veel als hij dat zelf beseft. In De minderweter laat Pieter de Bruijn Kops zien dat hij aan dat inzicht nog niet toe is (Nieuw Amsterdam; € 20,-). In zijn bundel verkent hij ‘het grensgebied tussen ernst en luim’.

Even luisteren:

‘Kijk het donker is nog licht
god wat is dat mooi gezegd
ja maar ’t is ook een gedicht

kijk het donker is nog licht
wat een schitterend gezicht

ja o ja dat is het echt
kijk het donker is nog licht
god wat is dat mooi gezegd’

De tevredenheid van De Bruijn Kops over zijn openingsregel is zo groot dat hij de scherpe grens tussen luim en zelfingenomenheid, of tussen eerste en tweede klasse, ruimschoots passeert. Ook dacht ik aan wat Gerard Reve in 2001 tegen me zei, met donkere stem en ernstige blik: ‘Vrolijke mensen zijn eng.’

Bronvermelding

Ik bewonder die tiny house-bewoners, maar heb ook medelijden

Lang voordat Marie Kondo mensen hielp hun overbodige huisraad weg te flikkeren, in een tijd waarin het eerste nummer van het tijdschrift Flow nog moest verschijnen en er in geen velden of wegen – laat staan in buurthuizen – een cursus mindfulness kon worden gevolgd, bouwde Henry David Thoreau zijn eigen tiny house naast de Walden-vijver in de bossen van Massachusetts. De filosoof leefde er van 1845 tot 1846 met alleen de hoognodige bezittingen, zonder overbodige luxe. Het doel was, kort gezegd, zo puur en aandachtig mogelijk te leven. Mindful, zouden we het nu noemen. En daarover schreef hij Walden.

Het boek schijnt de bijbel te zijn van de hedendaagse tiny house-bewoners, een bevolkingsgroep die ik gadesla met een mengeling van bewondering, verbazing, medelijden en leedvermaak. Want consuminderen is natuurlijk lovenswaardig en nodig, en een overzichtelijk huis werkt vast kalmerend, maar dat de prullaria uit het verleden, volgepropte boekenkasten en alles wat altijd handig is voor je weet maar nooit moeten worden verruild voor één zilverkleurig ultraplat laptopje vind ik zo armetierig. Ik vind het heerlijk dat ik nu en dan in mijn schoolagenda van havo 3 kan bladeren. Wat de een overbodige ballast noemt, is voor de ander een herinneringenopwekker. Afijn. Thoreau was niet in het bezit van een laptop, en al helemaal niet van een schoolagenda uit havo 3, maar wel van een visie en het lef die in de praktijk te brengen.

Zijn ideeën zijn wonderlijk eigentijds. Thoreau ageert tegen mensen die werken om steeds maar meer onnodige troep te kopen, iets wat blijkbaar in 1852 ook al op grote schaal gebeurde. Verder heeft hij het over moderne onnodigheden – in zijn geval stoomtrein en telegraafpaal – die ons afleiden van persoonlijke ontwikkeling, verdieping en werkelijke aandacht. Hij veegt kordaat de vloer aan met de waan van de dag, en pleit voor matigheid en vooral autonomie. Ondertussen beschrijft hij hoe hij zijn huisje bouwt en zijn bonen zaait en onderhoudt, hoe hij vist en verzamelt in het woud dat hem omringt, hoe hij vrienden ontvangt in zijn huisje en hoe de seizoenen verstrijken. Als er eens een dier aan zijn bonen heeft geknabbeld, incasseert Thoreau dat en accepteert het, en zo is hij ontiegelijk tevreden met zijn eenvoudige leven.

Walden laat zien dat de idealisten van 1852 met dezelfde problemen bezig waren als die van nu en ze óók zagen als typische nare bijverschijnselen van hun moderne tijd. Zeker zijn vlammende slotpleidooi, voor het kiezen van een eigen richting is geestig, inspirerend en nog altijd fris en bruikbaar. Maar laat hem geen luchtbel in het water van de Walden-vijver ontdekken, want dan volgt een oeverloos en oervervelend betoog over allerlei soorten bellen die hij in verschillende hoedanigheden van water zag, in diverse seizoenen, en de associaties die die bellen opriepen. En dat pagina’s lang. Het is een lezenswaardig boek, maar wat die uitweidingen betreft was een redacteur geen overbodige luxe geweest. Thoreau vond dus van wel.

Bronvermelding

Hoe apathische artsen de tabakslobby vrij spel geven ★★★★☆

Op een dag stonden bij Monique de Beer collectanten aan de deur voor KWF Kankerbestrijding. ‘Ze vroegen of ik donateur wilde worden.’ Dan ben je bij De Beer aan het verkeerde adres. Jarenlang was ze projectleider bij Stivoro, de Stichting Volksgezondheid en Roken. Totdat deze in 2012 de nek werd omgedraaid – mede door KWF Kankerbestrijding. Sindsdien heeft ze geen goed woord meer over voor het KWF: ‘Bij die clubs draait het alleen maar om geld.’

Stivoro werd in 1974 opgericht door het Longfonds, de Hartstichting en KWF Kankerbestrijding, samen met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Stivoro moest het roken gaan ontmoedigen, maar lag vanaf het begin aan de beademing. Het kreeg ‘net genoeg om te kunnen voortbestaan, te weinig om een daadkrachtige organisatie op te zetten’, aldus onderzoeksjournalist Joop Bouma in De sjoemelsigaret. En dat was volgens Bouma ook de bedoeling. De maatschappelijke onrust omtrent roken nam in die jaren steeds verder toe. Het was volkomen duidelijk dat roken zeer schadelijk was voor de gezondheid – dat wisten ze bij het Longfonds, de Hartstichting en KWF Kankerbestrijding heel goed. Er móést dus iets gebeuren. 

Maar niemand had zin om zich écht in te spannen. Op het ministerie stonden de deuren wijd open voor de tabakslobby, die strenge maatregelen jarenlang wist te voorkomen door in te zetten op de eigen verantwoordelijkheid van de burger (‘roken moet mogen’). De enige die aanstuurde op harde maatregelen was Els Borst. Maar ook zij kreeg niets gedaan, door tegenwerking van Economische Zaken (in de persoon van Annemarie Jorritsma) én door de apathische houding van de medische stand. En wat die drie clubs betreft: die waren doodsbang dat als ze hun naam al te direct verbonden aan harde anti-rookmaatregelen, ze een groot deel van hun donateurs zouden verliezen. Stivoro was een schaamlap. Toen het Stivoro-bestuur te activistisch dreigde te worden, werd de geldkraan dichtgedraaid. De Beer had gelijk: alles draaide om geld.

De sjoemelsigaret gaat uitgebreid in op de recente rechtszaken tegen de tabaksindustrie, aangespannen door longartsen Pauline Dekker en Wanda de Kanter, VPRO’s Zomergast van vorige week zondag. Met hun boek Nederland stopt! Met roken, de site Tabaknee! en hun juridische acties hebben zij de discussie een nieuwe impuls gegeven. Daarnaast beschrijft Joop Bouma de rechtszaken die zijn aangespannen door advocaat Bénédicte Ficq. Bouma komt ook uitgebreid terug op hoe de tabaksreuzen de consument dertig jaar geleden misleidden met de ‘light’-sigaret, een product dat de pseudowetenschappelijke EU-keuring met vlag en wimpel doorstond, maar in de praktijk net zo schadelijk was als de echte sigaret. 

De prangende vraag in het boek: waarom waren en zijn Nederlandse artsen en hun organisaties nauwelijks te porren voor harde acties? Diverse antwoorden passeren de revue. Veel artsen zijn zélf verstokte rokers. Of: artsen zijn traditioneel niet geïnteresseerd in preventie. KWF Kankerbestrijding, verreweg de grootste van de drie, had een leidende rol kunnen spelen, maar vreesde dus voor zijn inkomsten. Het fonds heeft elk jaar rond de 150 miljoen euro te verdelen. Dat geld gaat vooral naar fundamenteel onderzoek en de betreffende onderzoekers zijn van grote invloed binnen het fonds. Het was een old boys network dat de poet verdeelde, zo ontdekte Johan van der Waal van Alpe D’Huzes tot zijn verbazing toen hij zo’n tien jaar geleden bij het KWF aanklopte. En de boys waren niet van plan om in te leveren. Oud-Stivoro-directeur Trudy Prins omschrijft hen als ‘laffe jongens, zonder visie’. Álle clubs hebben boter op het hoofd. Ze hadden hun eigen belang en ‘dat had niks met de beperking van tabaksgebruik te maken’.

De sjoemelsigaret schetst een ontluisterend beeld. Niet zozeer van de tabaksindustrie; dat beeld kenden we al. Nee, vooral van de Nederlandse artsen en wetenschappers. Dankzij een nieuwe KWF-directeur en het huidige kabinet lijken andere tijden aan te breken, maar De Kanter en Dekker ondervinden dagelijks dat collega-longartsen nauwelijks te porren zijn voor hun activistische aanpak. En als artsen niets doen, wat kun je dan verwachten van de samenleving? De Kanter: ‘Kijk naar Albert Heijn, die de mond vol heeft over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Ze gaan rustig door met de verkoop van tabak.’

Joop Bouma: De sjoemelsigaret. Atlas Contact; 270 pagina’s;  € 21,99.

Bronvermelding

Kijk, een gezicht! Waarom we overal maar een hoofd in denken te zien

Beeld Collectie Centre Pompidou Parijs

Pierre Bettencourt, Papillons de Colombie1961.

Vlindervleugels geplakt op gedeeltelijk gelakte leisteen, achter glas

32,6 x 44,7 cm,  Centre Pompidou Parijs

In 1976 werd er een foto gemaakt op Mars door het ruimteschip Viking 1. Complottheorieën waren er natuurlijk toen al, net als eindeloze wensfantasieën over leven op Mars. En toen kwam De Foto: op een stukje Mars was een gigantisch menselijk gezicht te zien. Als een sereen koningsmasker. En het leek de aardbewoners recht aan te kijken. Leuk, dacht Nasa, dat melden we er even bij, want dat trekt vast kijkers. Nog decennia daarna woekerden de theorieën over het ‘menselijke’ gezicht op Mars, dat wel een bewijs móést zijn van een oude beschaving, zoals de beelden op Paaseiland een eeuwenoude cultuur aantonen.

In 2001 werd het ontkracht toen een satelliet een tien keer sterkere foto van dezelfde plek maakte en, tadaaaa, het gezicht gewoon een stuk glooiend landschap bleek te zijn van een paar kilometer breed.

Wat het vooral laat zien is dat we zó graag gezichten willen zien dat we ze overal in herkennen. Dat zei neurowetenschapper Floris de Lange van de Radboud Universiteit in Nijmegen in de lezing bij zijn aantreden als hoogleraar vorig jaar. Na de Marsfoto liet hij een rij foto’s zien van onder meer stekkers, koffieschuim, een wasmachine en een kraan die er exact uitzien als een gezicht – nou ja, een soort gezicht als de minions uit Verschrikkelijke Ikke. Die beelden tonen aan hoe sterk ons geheugen meewerkt als we kijken. Onze hersenen hebben een voorkeur voor gezichten, we kijken naar de wereld door een ‘gezicht-lens’, dat heeft vast een biologische noodzaak, en dus denken we een gezicht te zien zodra een vorm ook maar in de buurt komt met twee stippen en een streep.

In natuurdocumentaires heb ik een zwak voor foppende dieren. Inktvissen die het patroon van hun omgeving totaal kopiëren. Een gekko die lijkt op een boomstam of een rups met een volmaakte ‘bladnerf’ op zijn felgroene rug.

Sommige vlinders spelen met onze ‘gezichtslens’; loop in een vlindertuin en je kunt het gevoel krijgen aangestaard te worden. De uilvlinder, de dagpauwoog of de pauwoogpijlstaart, er zijn er genoeg met grote ogen op hun vleugels.

Pierre Bettencourt, schrijver, kunstenaar en entomoloog, draaide het om. Hij maneuvreert onze blik door een vlindervleugel zo te plaatsen dat je zeker weet dat het een glooiend jukbeen is. Twee vleugels maken een sombere mond, twee andere een paar minzaam kijkende ogen die doen vermoeden dat de man ze dichtknijpt. Na een minuut weet je zelfs zeker hoe hij zich voelt. De man (pofmouwen en broek van Morfovleugels) staat naast een vrouw die rokken draagt van vlinders die ik evenmin thuis kan brengen als de vleugels in dit detail. Papillons de Colombie heet het. Ik bleef erbij hangen, want vlinders in de kunst ken ik – die kwamen al bij de Egyptenaren voor – maar kunst van vlinders was nieuw. En tussen de abstracte kunstwerken in Parijs’ grootste museum van moderne kunst ook verrassend opgewekt. De veerachtige structuur van de turquoise vlinder op het voorhoofd, de lichtgroene strepen die van zijn kraag een soort tooi maakt en de feloranje neus. Je krijgt zin om meer van die de flinterdunne fladderende kunstwerkjes te zien, felgekleurde juweeltjes in de lucht. In Colombia zijn zijn er zo’n 3.300 soorten, online staan hele collecties. Kunstenaars kunnen illusies oproepen, maar het echte foppen doet de natuur zelf.  

Beeld Collectie Centre Pompidou Parijs

Bronvermelding

Waarom hebben boektitels die zinspelen op verlaten natuurlandschappen vaak geometrische omslagen?

Omslag van Marifoonberichten van Toine Heijmans. Beeld Uitgeverij Pluim

Niet vaak schiet je bij een omslag meteen een gedicht te binnen, maar bij Marifoonberichten van Toine Heijmans, verhalen ‘over de zee en de mensen die daar willen zijn’, gebeurt het. Kijk maar:

‘Zet het blauw
van de zee
tegen het
blauw van de
hemel veeg
er het wit
van een zeil
in en de
wind steekt op’

Een kleine klassieker van Willem Hussem (1900-1974), de beeldend kunstenaar die ook dichter was en die zich in zijn karige, geconcentreerde teksten en penseeltekeningen liet inspireren door Chinese kalligrafie en poëzie. Dezelfde eenvoud streefde Hussem in de jaren zestig na in zijn grafische omslagen voor de pocketreeks Meesters der vertelkunst: afgewogen constellaties van strepen, bogen en punten.

Hussem heeft geen school gemaakt met zijn ontwerpen voor uitgeverij Meulenhoff. Toch kun je stellen dat Marry van Baar het gereduceerde zeezicht op Marifoonberichten in de geest van zijn poëzie heeft ontworpen. Toepasselijk is het ook; het beknopte beeld past bij Heijmans’ tekst, die net zo weinig nodig heeft om spanning op te roepen.

Omslag van Leaving the Sea. Beeld Knopf
Omslag van Noord van Sien Volders. Beeld Hollands Diep

Van Baars ontwerp is bovendien een geestige echo van Op zee, Heijmans’ verfilmde en met de Prix Médicis étranger bekroonde romandebuut uit 2011. Op het gestileerde omslag danst een eenzaam wit zeilbootje over blauwe golven, een pentekening van de toen nog niet afgestudeerde ontwerper Jenna Arts die meteen werd gebruikt voor de buitenlandse vertalingen van Op zee.

‘The ocean solitudes are blest/ for there is purity’, schreef de romanticus Nathaniel Hawthorne in 1825 in zijn gedicht The Ocean. Zou die veronderstelde puurheid verklaren waarom boektitels die zinspelen op verlaten natuurlandschappen vaak zuiver geometrische omslagen krijgen? Recente voorbeelden: de deinende driehoeken op Leaving the Sea van Ben Marcus (2014, ontwerp Peter Mendelsund), de puntige woudtoppen op Noord van Sien Volders (2017, Moker Ontwerp).

Toine Heijmans: Marifoonberichten

Ontwerp Marry van Baar. Pluim; € 19,99.

Bronvermelding

Iedereen is mooi, zegt Gillette, als je je maar wel scheert

Alle imperfecte vrouwen van deze wereld werden deze zomer bemoedigend toegesproken door Gillette. De wereldmarktleider in scheermesjes wil met zijn nieuwe campagne ‘My Skin, My Way’ de stereotypen in reclame en op sociale media bestrijden door in plaats van topmodellen met roomzachte benen voortaan alleen ‘echte’ vrouwen met al hun huidvariaties in te zetten. ‘Er zijn dingen aan het veranderen bij @GilletteVenus’, twittert producent en multinational Procter & Gamble. ‘Geen retoucheren meer, geen regels meer.’

Zo leren we in een van de spotjes de Duitse influencer Marika – @marynevus – kennen, die een grote hoeveelheid moedervlekken heeft. ‘Ik ben zo geboren’, zegt ze terwijl ze haar armen scheert, ‘and I’m owning it’: ooit was er schaamte, nu is er trots. De Amerikaanse Kyisha is ook trots, en wel op haar keizersnede, laat ze de kijker weten terwijl ze een scheermesje over het litteken trekt. Ook sproeten, striae en de littekens van een dubbele borstamputatie passeren de revue.

De inclusiviteitsboodschap is helder: iedereen is uniek en iedereen is mooi. Verstop je niet (achter haar). Gillette schakelde vervolgens een legertje influencers in om Het Woord verder te verspreiden via sociale media: #myskinmyway.

‘Woke marketing’ is een trend in reclamewereld. Het is niet langer voldoende voor merken om simpelweg een product te verkopen. Ze moeten een doel hebben, ergens voor staan, anders haken consumenten af.

Lifestyle-platform Thrive Global – van de oprichter van de The Huffington Post – portretteert in opdracht van Gillette nog meer vrouwen met overwonnen onzekerheden. Het lijkt wel een invuloefening: men neme een transgender, een vitiligo-patiënt, een vrouw met brandwonden, een met een mummy tummy en een queer non-binary-persoon.

Voor de volledigheid wordt iemand met een academische graad erbij gehaald die de open deur mag intrappen dat vrouwen echt veel te lijden hebben onder het door de maatschappij opgelegde perfectionisme. Self care, zoals het opzeggen van positieve mantra’s, kan daarbij helpen, zegt ze. ‘Je kunt zelfs van alledaagse gewoonten zoals scheren (…) een ‘mantramoment’ maken.’

Aha, scheren is zelfs hélend. Zo hadden we het nog niet bekeken.

Gillette Venus is niet het eerste merk dat kwetsbaarheid aanvaardt en door middel van een hashtag vrouwen oproept gezellig met z’n allen imperfect te zijn. Maar van deze marketingtwist, waarmee allerlei afwijkingen de hemel worden ingeprezen zonder een van de dwingendste schoonheidsnormen – lichaamsbeharing bij vrouwen is lelijk – aan te kaarten, is toch wel vrij schaamteloos. Laat je niets aanpraten, hoor! Behalve dat je je natuurlijk wel moet scheren.

Op #myskinmyway kwam opvallend weinig kritiek, op een paar verbaasde ‘moeten vrouwen nu ook hun armen scheren?’-posts na. Zo evident is scheren onder vrouwen kennelijk, een gewoonte die nauwelijks wordt betwijfeld.

In 1915 bracht Gillette het eerste scheermes speciaal voor vrouwen op de markt, de Milady Decolletée. De slogan was: ‘Omdat onderarmen wit en glad behoren te zijn.’ Gillette gebruikte het product om een probleem te creëren én de oplossing te bieden – een geniale marketingstrategie die ruim honderd jaar later nog steeds uitstekend werkt.

Ook bij mij. Ik ben sinds mijn 14de een trouwe afnemer van Gillette. Ik ben van nature blond, maar dat zou je op basis van mijn lichaamsbeharing niet zeggen. Ik ‘moet’ mijn benen en oksels bijna elke dag scheren. Ik kijk met bewondering naar dames die onder #armpithairdontcare of #hairyfeminist al hun haren lekker laten waaien, maar zelf zit ik vast in wat als esthetisch wordt ervaren: glad, zacht en egaal. Dankzij Gillette dus, zou je kunnen stellen.

Maar misschien ben ik te cynisch en bedoelen ze het allemaal heel nobel bij de ontharingsmonopolist. In dat geval stel ik het volgende voor: pluk ook een influencer van Instagram die haar vitiligo én kruiend schaamhaar ‘ownt’. Misschien dat de volgende generatie dan echt iets aan het nieuwe rolmodel heeft waaraan vrouwen volgens Gillette zo toe zijn.

Angela Wals vervangt Lisa Bouyeure tijdens haar vakantie en werpt in deze rubriek een blik op onlinecultuur.

Bronvermelding

Actrices Elle en Dakota Fanning spelen van kinds af aan bijzondere rollen – wat is het geheim van de zussen?

Dakota en Elle Fanning door als acteurs voor een miljoenen­publiek, beiden met ongewoon volwassen rollen. Als tieners bleven ze al even opzienbarend, niet alleen omdat de mooie rollen maar bleven komen, maar ook omdat de voor kindsterren zo giftige cocktail van sterrendom en puberteit geen enkele grip op de zussen bleek te hebben. En nu, 25 en 21 jaar oud, zijn ze relevanter dan ooit.

Ga deze maand naar de bioscoop en de kans bestaat dat je ze beiden ziet, ieder in een nieuwe film van een regisseur van naam. Elle als onstuimig-naïeve aspirant-journalist in A Rainy Day in New York van Woody Allen, Dakota als allesbehalve naïeve volgeling van de moordsekte van Charles Manson in Once Upon a Time in… Hollywood van Quentin Tarantino.

Het geheim van hun succes? Het is lastig daar een vinger op te leggen, omdat ze er uitstekend in slagen de buitenwereld op afstand te houden. En als ze iets spontaans – of ogenschijnlijk spontaans – van zichzelf laten zien, dan is het om te illustreren dat de steracteurs eigenlijk heel gewone zussen zijn. Elle zette onlangs op Instagram een reeks gespeeld-overdreven poses in roze bikini, het hoofd achterover en de ogen gesloten: ‘Dit zijn de poses die je aanneemt als je je zusters badpak hebt gestolen en je weet dat je ermee bent weggekomen.’ Daaronder reageerde Dakota: ‘Het is oké. Ik heb er nog drie en je mag hem hebben.’

Elle in de rol van de jongste, tikje provocerend, Dakota ­bewust als de oudere en wijzere van de twee. Ook deze rollen spelen ze voor een gigantisch publiek (Elle heeft 3 miljoen volgers, Dakota 2,7 miljoen), maar in het onderonsje ligt ­ongetwijfeld iets van hun ­natuurlijke onderlinge dynamiek verscholen.

Uiteraard is er weinig gewoon aan de Fannings. Nooit geweest ook. Dakota was 8 jaar toen ze haar eerste prijzen binnensleepte voor haar rol als de dochter van een geestelijk ­gehandicapte (Sean Penn) in het drama I Am Sam (2001), een film waarin de gelouterde Penn zo geëxalteerd acteert dat je gerust kan stellen dat Dakota hem met haar ingetogen rol aan alle kanten voorbijspeelt. In een flashbackscène komt Elle even voorbij als de 2-jarige versie van Dakota’s personage.

Drie jaar later speelt de jongste Fanning haar eigen doorbraakrol in de John Irving-verfilming The Door in the Floor (2004), als de dochter van Marion (Kim Basinger) en Ted Cole (Jeff Bridges) die worstelen met de dood van hun zoons, waar ook nakomertje Elle onder lijdt. Bridges vertelde destijds in een achter-de-schermenfilmpje over de verontrustende overtuiging waarmee Elle een huilscène speelde, tot de scène was afgelopen en ze lachend de speelhoek opzocht. Ook in de woorden van regisseur Tod Williams klinkt bewondering door: ‘Ze kon haar emoties gewoon aan- en uitzetten.’

De zusjes Fanning in 2003. Beeld FilmMagic
Tijdens de première van ‘Miu Miu Women’s Tales #15′ in 2018. Beeld Dave Benett/Getty Images for Miu

Dakota speelde de afgelopen jaren onder meer in War of the Worlds van Steven Spielberg, ze was een bijrolvampier in de Twilight-saga en de tongloze wreker/moeder in Martin Koolhovens gewelddadige western Brimstone. Elle lijkt haar inmiddels haast te overvleugelen: zij speelde de dochter van een ­filmster in Sofia Coppola’s ­Somewhere (2010), werd gelanceerd tot wereldfaam als Disneyprinses in Maleficent (2014) en is sindsdien steeds vaker te zien in uitdagende ­rollen in tegendraadse films. Ronduit geweldig is ze als ­object van jaloezie, obsessie en begeerte in de excessieve modellen­horrorfilm The Neon Demon.

‘Ik probeer films uit te zoeken die mensen nog nooit hebben gezien’, zei Elle twee jaar geleden in de Volkskrant. ‘Sommige mensen hebben er een hekel aan, anderen zijn er dol op. Het belangrijkst vind ik dat het films zijn die de mensen bijblijven.’ 19 jaar was ze toen, en ze reeg de vlammende uitspraken aaneen. Over haar regieambitie, onder meer. Over haar ouders, gewezen sportprofs Steven Fanning (honkbal) en Heather Joy (tennis) die hoopten dat Dakota en Elle in hun voetsporen zouden treden, tot Dakota bevangen raakte door het acteren en Elle op sleeptouw nam. En over de begeleiding van haar managers en agenten. Ze werken met haar sinds ze jong is, zei ze, en helpen haar met het kiezen van rollen. Ze begrijpen haar. ‘Ik denk dat ze me zouden afremmen als ik een te veilige keuze maak’, zei Elle over haar rollen. ‘Je wilt niet steeds hetzelfde spelen, toch? Hetzelfde is saai.’

Hun opmerkelijk naadloze transitie van kindster naar volwassen steracteur is vermoedelijk grotendeels te danken aan die vertrouwde begeleiding. Vader en moeder ruzieden niet over de miljoenensalarissen van hun kroost. Met een professioneel ­soort ouderschap en dito ­carrièreadvies werd de kans op ontsporing in de tienerjaren – geen uitzondering in de geschiedenis van de vroeg volwassen geworden kindster – kundig geminimaliseerd.

De Fannings gaan overigens een stap verder. Beiden bemoeien zich geregeld actief met de inhoud van de films en series waarin ze spelen – of met de filmwereld in bredere zin. Afgelopen mei was Elle het jongste jurylid in de geschiedenis van het filmfestival van Cannes. De keuze voor de uitgesproken actrice was nauwelijks verrassend te noemen. En de scène in de historische thrillerserie The Alienist (te zien op Netflix), waarin Dakota’s personage zich laat ontdoen van haar korset en de camera gedetailleerd de diepe striemen op haar lijf laat zien? Idee van de actrice zelf tijdens een kledingpassessie voor de opnamen: het keurslijf waarin vrouwen zich aan het eind van de 19de eeuw dienden te persen mocht in al zijn akeligheid best wat meer benadrukt worden, vond ze.

‘Dakota is de makkelijkst te ­regisseren acteur met wie ik ooit heb gewerkt’, zegt film­maker Martin Koolhoven, die haar regisseerde in zijn Engelstalige western Brimstone. ‘Ze is vanaf heel jonge leeftijd opgegroeid met film en dat merk je aan alles. Ze begrijpt hoe filmtaal werkt, wist vaak al vóór ik iets zei wat ik ging zeggen. Veel aanwijzingen die je als regisseur aan acteurs geeft zijn een logisch gevolg van wat je aan het doen bent: ze moeten hun hoofd iets bijdraaien omdat de hoek van de camera is veranderd, bijvoorbeeld. Dat ziet ze meteen, daar hoefde ik geen woord aan vuil te maken. Ik heb toen tegen haar gezegd dat ze moest gaan regisseren. In ­interviews die ze vervolgens gaf, vertelde ze dat ze nadacht over een regiecarrière.’ Vorig jaar ­regisseerde Dakota in opdracht van modemerk Miu Miu de korte film Hello Apartment, een sfeervol portret van een appartement als getuige van het leven van een jonge vrouw.

Dakota in ‘I am Sam’ (2001).
Elle in ‘The Neon Demon’ (2016).

Koolhoven: ‘Dakota is zó technisch onderlegd, ze weet precies wat ze doet. Dat klinkt bijna als een soort robot, maar het tegendeel is waar. Bij acteurs van haar kaliber lijkt het alsof ze een extra gedeelte in hun hersenen bezitten, een soort zelfbewustzijn waardoor ze in staat zijn op elk moment exact de gewenste toon en emotie op te roepen.’

Ook Koolhoven valt op hoe goed ze uit haar tienerjaren is gekomen. ‘Ze is heel together. Er kwamen ook weleens  ­mensen naar de set, vrienden en familie, managers. Dat zag er ook allemaal heel normaal en gezond uit. Haar privéleven bakent ze zorgvuldig af. Pas tegen het eind van de draaiperiode ging ze wel eens mee om iets te drinken.’

Toen de regisseur haar op de set voor het draaien van een scène met een kind vroeg om advies, moest de actrice zich verontschuldigen. Sorry, zei ze, niet aan mij vragen. Bij mij was alles vroeger totaal anders. Kool­hoven: ‘Al die kinderdingen, een team begeleiders om je heen, ze deed alsof ze dat allemaal nooit heeft gehad. Alsof ze óók als kind altijd een volwassen ­actrice is geweest.’

Gijs Groenteman gaat in onze illustere archiefkast in gesprek met mensen die hem hebben verwonderd. Rapper Pepijn Lanen, schrijver Paulien Cornelisse en kunsthandelaar Jan Six passeerden al de revue.

Bronvermelding

In Venetië blijkt eens te meer dat Brad Pitt, aanwezig met Ad Astra, immer een grote ster is

De door de Nederlandse cameraman Hoyte van Hoytema gedraaide film is in competitie voor de Gouden Leeuw.

‘Dat waren zéven vragen’, merkt Brad Pitt (55) op tegen de Italiaanse journalist die zich zojuist onnavolgbaar ratelend aan de zaalmicrofoon vastklampte in de persruimte van het festivalpaleis. ‘Ik ga de eerste beantwoorden, misschien ook de tweede. Drie, vier, vijf, zes ben ik vergeten, de zevende negeer ik.’

Toch leren we iets bij, gedurende de drukbezochte persconferentie voor de door Pitt zelf geproduceerde sciencefictionfilm Ad Astra, waarin de steracteur bovendien een astronaut speelt. Bijvoorbeeld dat George Clooney, die zich voor Gravity al eens in zo’n astronautenpak hees, z’n vriend Pitt vooraf waarschuwde voor de ongemakken die daarbij komen kijken. ‘Je hangt aan kabels, het is óók alsof je Peter Pan speelt in een toneelproductie.’ En dat Pitt eigenlijk niet van de ruimte houdt. ‘Het lijkt me erg eenzaam. Je leven is afhankelijk van je zuurstoftoevoer, dat pak, de kolonie, het ruimteschip. Zelf voel ik me prettiger in de natuur, buiten.’

Ook speculeert de acteur liever niet over z’n Oscarkansen – Pitt won nog nooit. ‘Als je aan de beurt bent, is het leuk. Maar als een ander aan de beurt is, is dat meestal een vriend, dus dat is óók leuk. Bevalt het een beetje, dit ontwijkende antwoord?’

Volgens de Amerikaanse filmvakbladen ligt Pitt op koers voor een Oscarnominatie, maar dan vanwege zijn rol als stuntman in Tarantino’s Once Upon a Time in… Hollywood. De studio mikt daarbij op de bijrolcategorie, zodat een onderlinge strijd met medespeler in die film Leonardo DiCaprio wordt vermeden.

De 76ste editie van het Italiaanse festival bezuinigt niet op Hollywoodsterren; zo-even zaten Scarlett Johansson en Adam Driver nog in de perszaal, voor hun huwelijkscrisiskomedie Marriage Story. Maar er is geen grotere attractie dan Pitt. Die meldt zich in vrijetijdskleding – T-shirt, pet – en bezorgt het fotografenleger een dag werk: Brad op de luchthaven, Brad op de boot, Brad op het Lido. Langs de rode loper bivakkeert een half etmaal voor de galapremière van Ad Astra al een colonne Italiaanse fans, paraplu’s opgestoken tegen de brandende zon.

De door de Amerikaan James Gray geregisseerde film komt uit de koker van Pitts filmbedrijf Plan B, en moest eigenlijk driekwart jaar geleden al klaar zijn. Hermontage na hermontage volgde, maar van eventuele frictie tussen regisseur Gray en producent en hoofdrolspeler Pitt valt bij de perspresentatie niks te merken. Wat niks zegt in de filmwereld. ‘Ik werkte niet eerder aan zo’n uitdagende film’, zeg Pitt over Ad Astra, een film met een budget van 100 miljoen euro. ‘Elk stukje muziek, elk stukje voice-over kón de film naar de verkeerde kant doen kantelen. Een aantal keer zaten we vast, in de hoek.’

Hij speelt de astronaut Roy McBride, die zijn decennia eerder naar een uithoek van het zonnestelsel afgereisde vader moet opsporen, om vervolgens de aarde te kunnen redden van kolossale elektrische stormen. De zoon van de legendarische astronaut (Tommy Lee Jones) worstelt onderweg met zichzelf en zijn afwezige vader. Grays nadrukkelijk therapeutische sf-film bezit een eigen, lome tred. Die is vaker waarneembaar in het oeuvre van de filmmaker, die midden jaren negentig hier in Venetië meteen de Zilveren Leeuw won voor zijn debuut, het misdaaddrama Little Odessa.

De filmmaker, gezeten naast Pitt, nam zich voor de ‘meest realistische ruimtefilm ooit’ te maken. Ad Astra, met een voice-over waarin wel wat gesnoeid had mogen worden, speelt zich nadrukkelijk af in de nabije toekomst. Geen al te futuristisch ontworpen ruimteschepen, maar capsules en maanwagens die tamelijk authentiek aandoen. De cameraman is de Nederlander Hoyte van Hoytema, die de spaarzame actiemomenten in de film ten volle benut, zoals in de achtervolgingsscène met maankarretjes, waarin alles gedempt is door het gebrek aan licht en de verminderde zwaartekracht. Hoytema is niet in Venetië; de veelgevraagde cameraman is alweer druk met de opnamen voor een volgende kaskraker, Tenet van Christopher Nolan.

Gray: ‘Ik ben sterk beïnvloed door een documentaire uit 1989, For All Mankind, met gerestaureerde opnamen van het maanoppervlak. Vanaf de maan zie je geen sterren, enkel dat oneindige, angstaanjagende en toch zo opwindende zwart. Ik bleef maar zeggen tegen Hoyte: hoe kunnen we dit zwart nóg zwarter maken?’

Ad Astra draait vanaf 19/9 in Nederlandse bioscopen.

Bronvermelding

Uit mijn keuken stopt de favoriete smaken van Omroep Max in de mixer

De zomer kan niet lang genoeg duren, bij Omroep Max. Na zomerhits als Denkend aan Holland en We zijn er bijna!, kon er op de valreep nog één goedgemutst kuierprogramma bij: Uit mijn keuken, waarin vijf stellen komen eten in elkaars huiskamerrestaurant, met aan het eind van de week een winnend stel.

Nou is het al best een taak de kandidaten van Uit mijn keuken uit elkaar te houden, maar tot overmaat van ramp heten ook nog drie van hen Marianne en twee Ronald. Donderdagavond gingen alle Mariannes en Ronalds eten in het Gelderse Lochem bij Liesbeth en Theo, die een Noord-Afrikaans diner zouden bereiden. Marianne (van Ronald) verwacht een totaalplaatje: ‘Ik ga letten op het eten, en de sfeer.’ Ronald: ‘Het is belangrijk hoe de sfeer is, en uiteraard het eten ook wel.’

Uit mijn keuken stopt een aantal favoriete smaken van Max in de mixer: de bloedfanatieke amateurs die hun hobby naar een hoger plan tillen uit Heel Holland Bakt, gewone mensen die elkaars smaak en standaarden keuren uit Bed and Breakfast, plus de huishoudelijke alledaagsheid uit We zijn er bijna!.

Liesbeth en Theo in ‘Uit mijn keuken’.

Liesbeth gaat olijven kopen, Theo haalt een doekje over de wc. ‘O jee, Liesbeth’, zegt Theo voor de gasten arriveren, ‘ik zie hier een ontzettend spinnenweb zitten!’ Liesbeth schrikt. ‘Dan zullen de gasten wel denken…’ Wat de gasten zullen denken, dat is de vraag die de koks en kijkers van Uit mijn keuken bezighoudt.

En, wat dachten ze? De enige thuiskok die wat ferme kritiek uitdeelt, is de van origine Italiaanse Donatella. Zo zei ze woensdag, over het Italiaanse eten dat Marianne (die van Mark) haar had voorgezet: ‘Ze heeft erg haar best gedaan om Italiaans te koken.’

Zou de strijd in een kookshow op een andere zender worden opgevoerd (zoals in het eerder op Net 5 uitgezonden Smaken Verschillen, met dezelfde opzet), met de wellevende koks van Max blijft alles en iedereen leuk, heerlijk en mooi, alsof ze straks nog samen op groepsreis moeten in We zijn er bijna!. Het is een opluchting als culinair journalist Petra Possel af en toe wat klare taal spreekt.

Elk etentje wordt uitgesmeerd over een aflevering van drie kwartier. Toch scoort Uit mijn keuken aardig met rond de 500 duizend kijkers – of het programma een vervolg gaat krijgen na de zomer, als De Wereld Draait Door weer begint op hetzelfde tijdstip, is nog niet bekend.

Nu is het nog heel even de lange, lome zomer van Max. Theo vraagt zich op enig moment af waar de kommen zijn gebleven. Er klinkt een kolderiek plok-plok-plok-muziekje. Verdraaid, de kommen had Liesbeth al op tafel gezet. Ene Ronald: ‘We stonden in de startblokken om iets te krijgen in de kom, toen werden de kommen weggehaald. Dus ja… dat was een teleurstelling.’

Of Liesbeth en Theo desondanks tot beste koks worden uitgeroepen zal vanavond blijken, maar de kans is groot dat de winnaar toch een Marianne is.

Bronvermelding