Als het op beeldvorming aankomt, is Trudeau onverslaanbaar

Kussende wereldleiders – fotografen kunnen er geen genoeg van krijgen. Waar zo’n begroeting doorgaans niet langer dan een paar seconden duurt, kun je haar op een foto voor eeuwig stilzetten en dat levert, mits perfect getimed, leuke dingen op. Het was bijvoorbeeld zeer vermakelijk om te zien hoe de lippen van Donald Trump op een centimetertje afstand van het topje van de neus van Angela Merkel bleven hangen. Maar de prijs voor de beste zoenfoto van deze G7 gaat zonder twijfel naar die waarop Melania Trump de Canadese premier Justin Trudeau ontmoet.

Fotograaf Carlos Barria van Reuters zoomde in op het moment waarop Melania haar prachtig uitgelichte gezicht (alsof er een filmspot op staat) naar de Canadees wendt, de ogen neerslaat en haar mond vast zachtjes in de zoenstand zet. Naast haar staat Donald Trump beteuterd richting zijn voeten te staren. Van Trudeau zien we alleen het achterhoofd en de zijkant van zijn gezicht.

Natuurlijk: dat stilzetten van de tijd zorgt voor een extra symbolische lading. Het is goed mogelijk dat de Amerikaanse president net op dit moment alleen maar met zijn ogen knipperde, en dat Melania iedereen en z’n moeder op deze zwoele manier begroet. Maar zo líjkt het niet. Nee, op deze foto lijkt het alsof de vrouw van de Amerikaanse president zich vol overgave van haar eigen man afwendt ten faveure van de Canadese premier. Dat die laatste niet eens volop zichtbaar is, maakt het alleen maar sterker; zijn klaarblijkelijk overdonderende aanwezigheid is af te lezen aan het verwachtingsvolle gelaat van Melania.

Trudeaus sokken

Potverdrie. De top was nog niet eens begonnen en nu al stal die Trudeau de show. Binnen een mum van tijd werd de foto onderdeel van een hevige Twitterstrijd, die echter al snel was beslist. Waar de ene kant zich vrolijk maakte ten koste van Trump en de foto zag als het zoveelste bewijs van zijn alomvattende incompetentie, zag de andere kant zich genoodzaakt keihard terug te slaan met … een foto van Justin Trudeaus sokken.

Trudeaus sokken zijn duidelijk zichtbaar tijdens deze ontmoeting met Trump. Beeld AP

Jazeker. De premier droeg tijdens zijn ontmoeting met Trump later in de week namelijk sokken met een opvallend roze-paars-fuchsiakleurig dessin. Reden genoeg om hem van ijdeltuiterij te betichten. Een echte man draagt geen roze sokken, riepen Trudeaus criticasters, zo van: ha, nu hebben we hem.

Maar hoe ze ook probeerden, de sympathieke Justin wilde maar niet van zijn voetstuk kukelen. Dat was niet zo gek. Ten eerste was die sokkenkritiek een herhaling van zetten. Reeds in 2017 veroorzaakte Trudeau ophef met de Star Wars-sokken die hij droeg naar een bespreking met zijn Ierse collega (links R2-D2, rechts C-3PO), en later nog een keer, toen hij naast Mark Rutte op een podium zat met Chewbacca-kousen. Wanneer je twee jaar later weer/alsnog/nog steeds uit je pan gaat over ’s mans voetdracht, dan komt dat wat lui over. Ten tweede: de foto van de rozesokkenontmoeting háálde het niet bij die van het smeulende momentje tussen Justin en Melania in Biarritz, waarop Trump eruitzag als een sukkel die zijn vrouw niet onder controle heeft – althans: voor wie er een nogal benepen idee van mannelijkheid op nahoudt, wat bij veel mensen het geval blijkt te zijn.

Ten slotte: het is ook niet te doen natuurlijk. Als het op beeldvorming aankomt, is Trudeau vooralsnog onverslaanbaar, en hij weet het. In eigen land wordt de premier al tijden beschuldigd van fraude, maar er hoeft maar even beeldmateriaal op te duiken van een jonge Justin met lange krullen en een tatoeage of, ook tijdens die G7-top, een filmpje van een rennende premier in een kort broekje, en de kritiek raakt ondergesneeuwd.

Is dat eerlijk? Nee. Maar de liefde van de camera kun je niet kopen. En Justin Trudeau, Trudeau, die krijgt haar gewoon cadeau.

Bronvermelding

Professioneel tv-kijken met recensent Emma Curvers: ‘Lekker janken, ook een vorm van entertainment’

Door het raam van journalist Emma Curvers’ appartement in Amsterdam is te zien hoe mensen in korte broeken en zomerjurkjes door de hitte lopen. Curvers zelf zit binnen met opgetrokken benen op de bank. Ze kijkt geconcentreerd fronsend naar het beeld van een onheilspellende, mistige haven op de bescheiden tv in de hoek. Haar rechterarm op de leuning van de bank, pen boven een notitieblok. Het is maandag half twee ’s middags. Een doodgewone werkdag, want naast algemeen cultuurjournalist is Curvers ook tv-recensent. ‘Oeh, mistige boot’, zegt Curvers opgewekt. ‘In een haven gebeurt nooit veel goeds.’

Ik had zo’n beeld van een tv-recensent die ’s avonds op de bank van zes tot twaalf met afstandbediening zit te zappen, maar dat klopt dus niet.

‘Dat is het romantische beeld, ja. Maar ik kijk veel vooruit, dan kan ik kiezen, en het geeft me meer tijd om te schrijven en me in de programma’s te verdiepen. Daarnaast kijk ik niet veel lineaire tv. Ik zie ‘tv’ dus als breder dan wat er vanavond op de televisie komt. YouTube, Videoland en Netflix zijn net zo interessant. Soms is het ook mijn taak om mensen op iets te wijzen wat ze anders niet snel zouden kijken. Bijvoorbeeld de VPRO-webserie De Sekszusjes waar ik in april over schreef, of Vakkenvullers: series die zijn alleen online te zien. 

‘Tegelijk moet je natuurlijk altijd in de gaten houden wat er leeft, want je bent ook dienstbaar aan de lezer. Deze week zijn Lingo en Man Bijt Hond terug op tv. Je weet dat een grote groep mensen die programma’s belangrijk vindt, dus dan wil je daar wel over schrijven.’

Als onderdeel van het tv-recensieteam van V heeft Curvers eens in de vijf weken een week tv-dienst. Die week denkt ze van tevoren zoveel mogelijk uit. Ze maakt een mix van zenders en onderwerpen, want ‘je wil niet drie keer achter elkaar VPRO’. Ze bekijkt programma’s vooruit als het kan. Vandaag Grenslanders, een nieuwe thrillerserie van Avrotros over een rechercheur uit de stad die komt te werken op het grensgebied van Nederland en België.

Jasmine Sendar als politie-inspecteur Tara Dessel in de serie Grenslanders Beeld AVROTROS

Intussen is rechercheur Tara Dessel, hoofdpersonage in Grenslanders, op onderzoek uitgegaan in de haven. Ze klimt een boot in en vindt een lugubere scène in de kajuit – ‘Overal bloed!’, roept Curvers. Nog steeds fronsend schrijft ze wat op, en pakt een tomaatje uit het emmertje naast haar. Tussendoor zoekt ze soms wat op via haar telefoon. De Zeeuwse politieagenten komen er niet heel charmant vanaf – een beetje traag, snel boos, vrij racistisch en vrouwonvriendelijk. Heeft de regisseur soms Randstedelijke vooroordelen? ‘Hij komt uit Terneuzen. Goh.’

De moderne tv-recensent mag dan grotendeels kantooruren kunnen aanhouden, er zijn uitzonderingen. Als ze de deur open doet voor het interview is het half 1 en heeft Curvers pas net ontbeten. Ze moest namelijk gisteravond voor het eerst Zomergasten recenseren, en dat is toch weer ouderwets avondwerk. Of liever, nachtwerk. Het programma is alleen live te kijken, het begint pas om kwart over acht en duurt drie uur. Ze moest voor tien uur al een versie voor de papieren krant tikken, en daarna nog door voor de langere versie die online komt. Pas om vier uur ’s nachts was ze klaar met haar stuk over de aflevering met longarts Wanda de Kanter.

Ze vond het een mooie aflevering, maar ze is niet zo tevreden over haar stuk. ‘Het is informatief, maar ik vind het zelf toch fijner als ik iets meer tijd heb, nog een grapje kan maken. Mijn zus stuurde me een appje dat het stuk wel prima was, zoiets. Ze laat altijd even weten wat ze ervan vindt.’

Je krijgt elke ochtend een recensie van jouw recensie?

‘Ja, van mijn moeder en mijn zus. We hebben een appgroep. Mijn moeder geeft wel eens aan dat ze sommige dingen niet volgt. Mijn zus kan ook zeggen: dit en dit grapje kon leuker. Wacht, ik pak het er even bij.’ Ze komt terug met haar telefoon en leest voor. ‘Goedemorgen koekie. Het is geen flutstuk.’ Curvers schiet in de lach, en leest dan door. ‘Het is niet wat je normaal doet, dat het wat leuker is, maar het is ook niet beneden gemiddeld. Prima, X.’ Dat is mijn zus.’ Ze legt de telefoon weer weg. ‘Als mijn zus prima zegt, ben ik eigenlijk niet blij. Dat vind ik niet goed genoeg.’

Maar: het is achter de rug en ze is redelijk uitgeslapen. Nu de rest van de week nog. Eigenlijk stond Lingo voor vandaag op de planning, vertelt ze voordat ze de aflevering aanzet. Maar ze heeft het linkje van SBS6 nog steeds niet binnen. Vandaar dat het Grenslanders werd.

François Boulangé bij Lingo Beeld VARA

Wel jammer van Lingo.

‘Ik denk dat ik er morgen wel over schrijf. Maar laten we wel wezen: eigenlijk is het best een saaie spelhow. Het principe is nog steeds hetzelfde. De studio is wel een beetje flashier zag ik trouwens, die oude had in iemands garage kunnen zitten. En die presentator is jong en hot nu.’ Lachend: ‘Doe mij maar François Boulangé.’

Zie je jezelf vooral als een kijker of als expert?

Met gevoel voor humor: ‘Ik heb zo gigantisch veel tv gekeken in mijn leven, dat ik vind dat ik mezelf best een expert mag noemen. Ik zie de tv-recensie zelf trouwens meer als cultureel commentaar dan als strikt technische recensie: het is soms ook meer een column. Maar ik weet er best iets vanaf. Ik heb audiovisuele vormgeving gedaan op de Kunstacademie, daar reflecteer je ook voortdurend op beeld en hoe dat werkt.

‘Je schrijft wel vanuit je beleving als kijker. De andere recensenten en ik hebben elk onze eigen niche en voorkeuren. Ik weet bijvoorbeeld helemaal niets van voetbalcommentaar, zoals Frank Heinen en Julien Althuisius. Maar ik weet dan bijvoorbeeld weer erg veel van home makeovers en programma’s als Queer Eye en Say Yes to the Dress. Voorgekookt natuurlijk, en soms is het zo zoet dat het glazuur van je tanden springt. En toch ben ik dan even aan het janken. Dat is toch ook een vorm van entertainment, lekker janken.’

Say Yes to the Dress Beeld TLC

Wat ze kijkt ligt aan haar stemming. ‘Ik heb een uitgebalanceerd tv-dieet. Ik kijk ook graag een goede HBO-serie. Zoals de serie Chernobyl – heb je die gezien?’ Een (fictieve) miniserie over de kerncentraleramp uit 1986. ‘Dat is de beste serie van dit jaar. Maar als je na een lange dag moe thuiskomt, zet je dat niet aan. Dan liever iets wat je lekker met een half oog kan volgen.’

De aftiteling verschijnt. Slecht is het niet, maar het heeft haar niet weten te pakken. Het camerawerk en de acteurs zijn goed, vindt ze. ‘Maar het leunt wel erg op alle detectives die je al kent.’ Ze gaat zo nog een aflevering kijken, voor de zorgvuldigheid, maar in haar vrije tijd had ze dat niet gedaan. ‘We hebben ook zo’n enorm aanbod, het is tegenwoordig moeilijk om de kijker te overtuigen. Er komen honderden films en series uit.’

Wat is voor lezers de waarde van zo’n tv-recensie, denk jij?

‘Ten eerste denk ik dat het nuttig is om lezers een beetje te helpen met navigeren door het aanbod. Maar tegelijkertijd – en dat vind ik nog veel leuker – is iedereen de hele tijd bezig met verhalen: wat is mooi? Wat is nieuw? Wat is spannend? En we vragen ons af wat die verhalen over ons zeggen. We proberen met z’n allen grip te krijgen op de tijd.

‘Dat is toch een geweldig leuk gesprek om deel van uit te maken? Als ik daar iets nuttigs aan kan bijdragen, vind ik dat heel mooi.’

Bronvermelding

Over de liefde schrijven is moeilijk, maar Marijke Schermer kan het ★★★★☆

Marijke Schermer: Liefde, als dat het is. Beeld Van Oorschot

Liefde, als dat het is

Marijke Schermer

Fictie

★★★★☆

Van Oorschot; 203 pagina’s; €22,50.

‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.’ Het is waarschijnlijk de beroemdste openingszin uit de wereldliteratuur, die van Tolstojs Anna Karenina. Maar klopt-ie ook? Schrijver Marijke Schermer (1975) vraagt het zich af. Bestaat er een geheim ingrediënt voor gezinsgeluk? Lijken niet ook alle ongelukkige gezinnen op elkaar? Is die iconische zin niet gewoon een slordig aforisme?

Schermer zoekt het antwoord op die vragen in haar derde roman, Liefde, als dat het is, waarin ze een doodnormaal en schijnbaar gelukkig gezin bestudeert; dat van David en Terri, die vijfentwintig jaar getrouwd zijn en twee dochters hebben. Hun gezinsleven voltrekt zich harmonieus maar voorspelbaar, totdat Terri besluit te vertrekken. Ze mist zichzelf ‘als individu’; ze wil niet langer opgeslokt worden door haar huwelijk en het moederschap.

David – nogal dodelijk gekwalificeerd als ‘een aardige man’ – probeert het uit alle macht te begrijpen en gunt haar zelfs een affaire. Maar Terri walgt van zijn handreiking, ‘die speciale intense vorm van toewijding waar plicht een wezenlijk bestanddeel van is, dat verantwoordelijkheidsgevoel van hem dat haar alleen nog maar een grenzeloos gevoel van moedeloosheid geeft’.

De essentie van hun crisis legt Schermer vervolgens bloot door zowel Davids als Terri’s frustraties en verlangens terug te leiden naar de oorsprong. Wanneer is de liefde overgegaan in afkeer? De interesse in onverschilligheid? De passie in sleur? Was het ooit allemaal wél goed of ging het eigenlijk meteen al mis?

Terri en David zijn elkaars eerste bedpartner, maar weten dat niet van elkaar. Ze hebben er aan het begin van hun relatie beiden over gelogen uit angst belachelijk en onervaren te lijken. Dat die kleine, onschuldige leugen vijfentwintig jaar later nog niet uit de lucht is, lijkt erop te wijzen dat de twee elkaar nooit écht hebben vertrouwd, nooit écht intiem zijn geweest.

Het heeft iets Ian McEwan-achtigs, dat vastpinnen van één ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenis, één verkeerd beslissinkje, één onhandige uitdrukking en daar dan een hele streng van consequenties aan vastknopen. Schermer pakt het subtiel aan; ze noemt het leugentje zijdelings, het kán iets te betekenen hebben, het hoeft niet. Het is maar net hoe je ernaar kijkt, zoals wel vaker het geval is in de liefde. Niets is in steen gebeiteld, laat de schrijver zien, vroeg of laat komen we erachter dat onze relationele principes ooit ook maar ideetjes waren, toevallig ontstaan en aangegrepen omdat ze op dat moment goed van pas kwamen. Bedoeld voor de eeuwigheid waren ze nooit.

Zo is Sev, die met David scharrelt, ervan overtuigd dat ze geen ‘echte’ relatie wil. Tot ze er gaandeweg achter komt dat een gezinsleven niet iets was wat ze per se niet had gewild, maar ‘iets wat haar gewoon niet was gelukt’. En Lucas, de minnaar van Terri, is beslist zich niet te laten afleiden door grote emoties of romantische liefde – ‘hij heeft wel wat beters te doen in de wereld’ – maar het is de vraag hoe houdbaar die attitude op termijn zal zijn.

Estafette

Schermer zwiert moeiteloos heen en weer tussen alle personages. Het ene moment leest David een berichtje van Sev, het volgende trekt dochter Ally de voordeur achter zich dicht en hup, door naar zus Krista, die haar billen in de spiegel bekijkt en het stokje doorgeeft aan Terri, die haar benen scheert voor Lucas. Die estafette geeft de boel vaart maar overhaast niets, want uit de snel gemonteerde scènes vloeien interessante vragen voort waarbij we als vanzelf vertragen door erover na te denken. Is liefde iets dat je overvalt, of iets dat wordt geconstrueerd? Wat is liefde anders dan je bereidheid mobiliseren en een object vinden waarop je je verlangen kunt projecteren? Hoe bevrijd je jezelf zonder alles uit zijn verband te trekken? 

Ondanks Schermers vrijwel onpartijdige observaties zal de sympathie van de meeste lezers uiteindelijk bij de redelijke David liggen (ook al is zijn geslagen-hond-achtigheid soms onuitstaanbaar) en niet bij Terri (terwijl het toch bewonderenswaardig is dat ze zo voor zichzelf durft te kiezen). Wat vertelt de keuze voor kamp David ons over onszelf? Zijn we dan zo conformistisch? Zo braaf? Zo bang? Of voor degenen die toch Terri als lieveling hebben: zo egoïstisch? Schermer confronteert ons met onze eigen liefdesdogma’s zonder een moralistisch vingertje te heffen.

Over de liefde – toch het meest afgeknaagde thema uit de literatuur – is niet makkelijk te schrijven. Al gauw wordt het te zoetsappig, of juist te zwartgallig; twee clichématige stijlen die al te veel romans over de liefde hebben verpest. Schermer blijft ervan weg; ze is waar nodig mild ironisch: ‘David poetst zijn tanden onder de douche en denkt aan zijn werk en aan wat er allemaal nog meer mis kan gaan in zijn leven’, oprecht teder: ‘hij heeft iets in haar gevonden en ze zou zo graag willen weten wat het is’, of neutraal zakelijk: ‘Lucas had seks met haar op een volkomen zelfzuchtige manier die ze in theorie verafschuwt.’

Ze schrijft in feite niets wat nooit eerder is bedacht of opgemerkt – probeer maar eens iets écht nieuws toe te voegen aan de berg verhalen over verliefdheid, ongelukkige huwelijken, vreemdgaan en liefdesverdriet – maar lijkt met deze frisse stijl het stof van het hele thema af te blazen. Zelfs Tolstojs sleets geciteerde beginzin leest ineens weer als nieuw.

Marijke Schermer. Beeld Tessa Posthuma de Boer

Bronvermelding

Waarom hebben boektitels die zinspelen op verlaten natuurlandschappen vaak geometrische omslagen?

Omslag van Marifoonberichten van Toine Heijmans. Beeld Uitgeverij Pluim

Niet vaak schiet je bij een omslag meteen een gedicht te binnen, maar bij Marifoonberichten van Toine Heijmans, verhalen ‘over de zee en de mensen die daar willen zijn’, gebeurt het. Kijk maar:

‘Zet het blauw
van de zee
tegen het
blauw van de
hemel veeg
er het wit
van een zeil
in en de
wind steekt op’

Een kleine klassieker van Willem Hussem (1900-1974), de beeldend kunstenaar die ook dichter was en die zich in zijn karige, geconcentreerde teksten en penseeltekeningen liet inspireren door Chinese kalligrafie en poëzie. Dezelfde eenvoud streefde Hussem in de jaren zestig na in zijn grafische omslagen voor de pocketreeks Meesters der vertelkunst: afgewogen constellaties van strepen, bogen en punten.

Hussem heeft geen school gemaakt met zijn ontwerpen voor uitgeverij Meulenhoff. Toch kun je stellen dat Marry van Baar het gereduceerde zeezicht op Marifoonberichten in de geest van zijn poëzie heeft ontworpen. Toepasselijk is het ook; het beknopte beeld past bij Heijmans’ tekst, die net zo weinig nodig heeft om spanning op te roepen.

Omslag van Leaving the Sea. Beeld Knopf
Omslag van Noord van Sien Volders. Beeld Hollands Diep

Van Baars ontwerp is bovendien een geestige echo van Op zee, Heijmans’ verfilmde en met de Prix Médicis étranger bekroonde romandebuut uit 2011. Op het gestileerde omslag danst een eenzaam wit zeilbootje over blauwe golven, een pentekening van de toen nog niet afgestudeerde ontwerper Jenna Arts die meteen werd gebruikt voor de buitenlandse vertalingen van Op zee.

‘The ocean solitudes are blest/ for there is purity’, schreef de romanticus Nathaniel Hawthorne in 1825 in zijn gedicht The Ocean. Zou die veronderstelde puurheid verklaren waarom boektitels die zinspelen op verlaten natuurlandschappen vaak zuiver geometrische omslagen krijgen? Recente voorbeelden: de deinende driehoeken op Leaving the Sea van Ben Marcus (2014, ontwerp Peter Mendelsund), de puntige woudtoppen op Noord van Sien Volders (2017, Moker Ontwerp).

Toine Heijmans: Marifoonberichten

Ontwerp Marry van Baar. Pluim; € 19,99.

Bronvermelding

Waar is het goeie ouwe onderscheid tussen een schrijver en zijn werk gebleven?

Dus nu is Enid Blyton ook al fout, Enid Blyton! (‘Blieton’ zeiden we), schrijfster van honderden Britse meisjesboeken (De vijf, De dolle tweeling) waarvan vooral de avonturen van Pitty me aangrepen. Het eerste heette Pitty naar kostschool, daarna kwamen Pitty’s tweede kostschooljaar, Pitty in de derde, Pitty als vierdeklasser, Pitty’s vijfde kostschooljaar en Pitty’s laatste kostschooljaar – superoverzichtelijk allemaal. Dat de boekjes toen al oud waren en zich afspeelden in een wereld die me volledig vreemd was, maakte ze alleen maar leuker. Er was een ‘matrone’, er was een ‘mam’zelle’ die de hele tijd tiens zei, er waren slaapzalen waar toast met ansjovisboter werd gegeten; allemaal dingen waarvan ik nog nooit had gehoord. Door Enid Blyton (1897-1968) ben ik een boekenlezer geworden, zoals talloze twintigers en dertigers dat werden door J.K. Rowling. 

Brave boekjes schreef Blyton, maar kennelijk toch niet zó braaf. Deze week maakte de Daily Mail bekend dat de Britse Koninklijke Munt in 2016 terugkwam van het voornemen Enid Blytons 50ste sterfdag te herdenken met een muntje van 50 pence. Leden van de adviescommissie vonden Blyton ‘racistisch, seksistisch en homofoob’, kritiek die overigens een paar decennia geleden ook al klonk. In Groot-Brittannië ging de discussie vervolgens vooral over de vraag of Blyton dat inderdaad allemaal wás. In De vijf is de glansrol immers voor het meisje Georgina dat een jongen wil zijn en zich George laat noemen, en volgens een recente biografie had Blyton naast hetero-  ook homoseksuele relaties; dus wat nou homofoob? Het leek een herhaling van de commotie van vorig jaar, toen de Koninklijke Munt afzag van een speciale herdenkingsmunt voor Roald Dahl vanwege diens antisemitisme. Ook toen ging het vooral over hoe fout Dahl precies was geweest, niet als schrijver maar als mens. 

Glibberige discussies zijn dat, want de mens mag van nature misschien best goed zijn, hij is van nature ook best slecht; en welke kant de boventoon voert is vooral een kwestie van tijd en plaats. Interessanter is de vraag hoe relevant de morele deugdzaamheid van een schrijver is als het om muntjes of andere eerbetonen gaat. Waar is het goeie ouwe onderscheid tussen een schrijver en zijn werk gebleven? In Nederland slaan we geen beeltenissen van schrijvers op munten maar we vernoemen wel prijzen naar ze: naar Jan Wolkers (seksistisch), naar Adriaan Roland Holst (seksistisch en antisemitisch), naar E. du Perron (seksistisch, racistisch én homofoob); en niemand die erover zeurt. Houden zo. 

Dooie schrijvers die deugden zijn nu eenmaal zeldzaam

Auteurs die bij leven géén enigszins racistische, seksistische dan wel homofobe opvattingen koesterden? Je moet ze met een lantaarntje zoeken. Schrijvers zijn per slot net mensen, schrijft Elma Drayer in haar column.

Bronvermelding

De fenomenale verhalen van Platonov zijn schitterend vertaald ★★★★★

Beeld Typex

Andrej Platonov: Verhalen. 

Fictie

★★★★★ 

Uit het Russisch vertaald door Aai Prins. 

Van Oorschot; 800 pagina’s; € 50,-.

Hij begon als overtuigd voorvechter van de revolutie, Andrej Platonov. Hij noemde zichzelf op 19-jarige leeftijd een ‘proletarische schrijver’ en was zelfs enige tijd partijlid. Hij werkte zijn eerste jaren op het Russische platteland als zelfopgeleid landverbeteraar. In zijn geboortestreek rond de Zuid-Russische stad Voronezj waren de landbouwgronden verpieterd en moerassig geworden doordat de plaatselijke boeren in de Eerste Wereldoorlog en de burgeroorlog waren gesneuveld of verweesd. Platonov moest ervoor zorgen dat de verschrikkelijke hongersnoden die het gebied teisterden tot het verleden gingen behoren. 

Hij was niet hoogopgeleid, een soort elektromonteur. Zonder duidelijk plan, zonder ruggesteun van de plaatselijke bureaucratie, maar met ongehoorde toewijding en energie wist hij de reeks misoogsten te keren. Hij activeerde de gemeenschap, herstelde en verbeterde waterwerken en legde drainagesystemen aan. De bezorger van zijn verzameld werk merkt droogjes op dat Platonov 600 duizend boeren redde van de hongerdood. Lees dat nog eens over. Zoals de rampen toen van een ongelofelijke orde waren, waren de wonderen dat blijkbaar ook.

Terwijl hij die landbouwgronden probeerde te redden, begon hij verhalen te schrijven. Die waren vanaf het eerste begin onconventioneel, en werden niet altijd gepubliceerd. Uit een briefje aan een tijdschriftredacteur, die hem blijkbaar net had geweigerd, klinkt onmiddellijk zijn unieke stem (hij was toen 21):

‘Ik weet dat ik een van de meest onbeduidende personen ben. Dat is u vast niet ontgaan. Maar ik weet ook dat hoe onbeduidender een wezen is, hoe dierbaarder het leven hem is, omdat hij het minder dan wat ook verdient. U bent valide, waardige personen. Voor u is menszijn niets bijzonders, maar voor mij is het iets uitzonderlijks, een feest.’

Dit was lang voordat hij zijn paar grote meesterwerken zou schrijven. En lang voordat Stalin hem een hufter zou noemen, waardoor hij nauwelijks meer kon publiceren, en zijn 15-jarige zoon naar een kamp boven de poolcirkel werd gestuurd om hem te pesten. Hij bleef lang werkzaam als zelfopgeleid ingenieur, werd nog eens naar een ander rampgebied gestuurd om dat te redden en registreerde een belangrijk patent voor professionele weegschalen, gebaseerd op kwartstechnologie. Een unieke figuur. Hij eindigde zijn leven als conciërge van een appartementencomplex, waar hij elke morgen de binnenplaats veegde.

Dezelfde Platonov wordt door velen – Joseph Brodsky bijvoorbeeld – beschouwd als de grootste Russische literator van de 20ste eeuw. Zijn verhalen en korte romans zijn nu verzameld in een deel van de Russische Bibliotheek van uitgeverij Van Oorschot. Het merendeel is nooit eerder vertaald.

Strijd tegen de stupiditeit

Hoewel dus begonnen als overtuigd revolutionair, raakte Platonov al snel teleurgesteld in de resultaten van de revolutie. Die teleurstelling leidde er niet toe dat hij de revolutie afzwoer en het communisme probeerde te ontmaskeren, of liberaal werd. Het leidde tot een onmiddellijke, nietsontziende overdenking van de aannamen die ten grondslag lagen aan bijna alle moderne politieke ideologieën: het geloof in vooruitgang, ratio en wetenschappelijkheid. Het idee dat de mens de natuur, en daarmee de destructieve aard van de natuur en die van hemzelf, zou kunnen overwinnen door ratio en wetenschap.

Daarom strijden zijn personages bijna altijd even hard tegen de elementen als tegen de stupiditeit van de gemeenschap. Voor Platonov is de stupiditeit van de mens niets meer dan de zoveelste openbaring van de destructiviteit van de natuur.

Hij is de chroniqueur van vooruitgangscatastrofen. Technologische vooruitgang beloofde een einde te maken aan menselijke pijn, misoogsten en ziekten. Zware, uitputtende arbeid zou onnodig worden. Welvaart en comfort in het bereik van iedereen. Maar die technologische kennis bleek in handen van idioten en sadisten ook tot nooit geziene rampen te kunnen leiden: oorlogen, systematische onderdrukking of indirecte vernietiging door uitputting van grondstoffen – zoals was gebeurd in de oude beschaving die in het verhaal De etherbaan wordt opgegraven uit de Siberische toendra. Die beschaving had een hoog ontwikkelingsniveau gekend, maar men kwam tot de conclusie dat ze ‘leefden dankzij de verwoesting van de planeet’. Let op, dit verhaal komt uit 1927.

Maar zelfs als technologische kennis op een rationele en zinvolle manier gebruikt zou worden, moest dat wel leiden tot het einde van de mens. De mens was zelf immers een fundamenteel irrationeel wezen en zou door de op ratio gebaseerde technologie worden voorbijgestreefd. De wetenschappelijke vooruitgang had geen andere mogelijke uitkomst dan het nutteloos verklaren van de mens. De overwinning van de ratio wees de weg naar het paradijs, maar om dat paradijs te bereiken zou de mens zijn menselijkheid moeten verwerpen, of zichzelf moeten reduceren tot het tragische overblijfsel van een afgedane levensvorm.

Dit was de paradox die Platonov ontwaarde in de triomfantelijke vooruitgangsretoriek van de Sovjet-Unie. Zijn thematiek was altijd dezelfde: hoe de moderniteit de mens probeerde te redden door haar nutteloos te verklaren.

Tegendraadse stijl

Platonovs genadeloze filosofische blik wordt ondersteund door zijn wonderlijke, tegendraadse stijl. Zijn woordgebruik is eigenzinnig, vol onverwachte combinaties en kleine afwijkingen van de conventie. Iedere zin is bedoeld om te slaan, iedere alinea een spoedcursus eelt op je ziel. Het is verbijsterende, schitterende literatuur.

Als vertaler moet je bij ieder bijvoeglijk naamwoord en bij iedere afwijking van de gebruikelijke woordvolgorde op je hoede zijn. Toch lezen deze verhalen natuurlijk en vanzelfsprekend en komt Platonovs unieke stemgeluid als vanzelf naar voren. Je hoeft maar een pagina open te slaan of je komt een man tegen die ‘in hoger sferen is door de nobelheid van zijn onuitgesproken ontdekkingen’. Wat moet vertaler Aai Prins nog meer doen om de Martinus Nijhoffprijs te krijgen?

Ik ben blij dat ik niet elke dag Platonov hoef te lezen, maar ik zou armer, dommer en ongelukkiger zijn als ik het nooit zou doen. Wees bereid.

Platonov: Verhalen. Beeld Van Oorschot

Boekenchef Wilma de Rek: ‘Een roman is goed als je erin wilt blijven wonen’

Op allerlei manieren over boeken schrijven, daar is de boekenredactie van de Volkskrant de hele dag mee bezig. Maar hoe kiezen zij welke boeken uit het enorme aanbod worden behandeld, en hoe bepaal je wat goed en slecht is? Boekenchef Wilma de Rek: ‘Een roman is goed als je erin wilt blijven wonen.’

Bronvermelding

Ik bewonder die tiny house-bewoners, maar heb ook medelijden

Lang voordat Marie Kondo mensen hielp hun overbodige huisraad weg te flikkeren, in een tijd waarin het eerste nummer van het tijdschrift Flow nog moest verschijnen en er in geen velden of wegen – laat staan in buurthuizen – een cursus mindfulness kon worden gevolgd, bouwde Henry David Thoreau zijn eigen tiny house naast de Walden-vijver in de bossen van Massachusetts. De filosoof leefde er van 1845 tot 1846 met alleen de hoognodige bezittingen, zonder overbodige luxe. Het doel was, kort gezegd, zo puur en aandachtig mogelijk te leven. Mindful, zouden we het nu noemen. En daarover schreef hij Walden.

Het boek schijnt de bijbel te zijn van de hedendaagse tiny house-bewoners, een bevolkingsgroep die ik gadesla met een mengeling van bewondering, verbazing, medelijden en leedvermaak. Want consuminderen is natuurlijk lovenswaardig en nodig, en een overzichtelijk huis werkt vast kalmerend, maar dat de prullaria uit het verleden, volgepropte boekenkasten en alles wat altijd handig is voor je weet maar nooit moeten worden verruild voor één zilverkleurig ultraplat laptopje vind ik zo armetierig. Ik vind het heerlijk dat ik nu en dan in mijn schoolagenda van havo 3 kan bladeren. Wat de een overbodige ballast noemt, is voor de ander een herinneringenopwekker. Afijn. Thoreau was niet in het bezit van een laptop, en al helemaal niet van een schoolagenda uit havo 3, maar wel van een visie en het lef die in de praktijk te brengen.

Zijn ideeën zijn wonderlijk eigentijds. Thoreau ageert tegen mensen die werken om steeds maar meer onnodige troep te kopen, iets wat blijkbaar in 1852 ook al op grote schaal gebeurde. Verder heeft hij het over moderne onnodigheden – in zijn geval stoomtrein en telegraafpaal – die ons afleiden van persoonlijke ontwikkeling, verdieping en werkelijke aandacht. Hij veegt kordaat de vloer aan met de waan van de dag, en pleit voor matigheid en vooral autonomie. Ondertussen beschrijft hij hoe hij zijn huisje bouwt en zijn bonen zaait en onderhoudt, hoe hij vist en verzamelt in het woud dat hem omringt, hoe hij vrienden ontvangt in zijn huisje en hoe de seizoenen verstrijken. Als er eens een dier aan zijn bonen heeft geknabbeld, incasseert Thoreau dat en accepteert het, en zo is hij ontiegelijk tevreden met zijn eenvoudige leven.

Walden laat zien dat de idealisten van 1852 met dezelfde problemen bezig waren als die van nu en ze óók zagen als typische nare bijverschijnselen van hun moderne tijd. Zeker zijn vlammende slotpleidooi, voor het kiezen van een eigen richting is geestig, inspirerend en nog altijd fris en bruikbaar. Maar laat hem geen luchtbel in het water van de Walden-vijver ontdekken, want dan volgt een oeverloos en oervervelend betoog over allerlei soorten bellen die hij in verschillende hoedanigheden van water zag, in diverse seizoenen, en de associaties die die bellen opriepen. En dat pagina’s lang. Het is een lezenswaardig boek, maar wat die uitweidingen betreft was een redacteur geen overbodige luxe geweest. Thoreau vond dus van wel.

Bronvermelding

Het vertalen van boeken is scheppend mensenwerk, en álle vertalers verdienen beter

Beeld Typex

Zomaar een informatiekraampje op zomaar een boekenbeurs, een jaar of tien geleden. Achter de tentoongestelde boeken, allemaal vertalingen, staan een paar vriendelijke vrijwilligers de bezoekers te woord. En dan valt die ene, oprecht verbaasde vraag, die diezelfde dag nog een paar keer zou langskomen: ‘Dus boeken worden nog altijd door mensen vertaald?’

Inmiddels zijn we tien jaar verder en verschijnt, getuige de krant van vorige week, de nieuwe Jonathan Littell in de vertaling van Ilse Barendregt (binnenkort), de nieuwe Oliver Sacks in de vertaling van Luud Dorresteijn (ligt in de winkel), de nieuwe Tarjei Vesaas in de vertaling van Marin Mars (ook in de winkel). Natuurlijk maken menselijke vertalers stiekem allang gebruik van alle mogelijke digitale hulpmiddelen, maar het technologische optimisme (en daaruit voortvloeiende culturele pessimisme) van rond de eeuwwisseling lijkt toch wat voorbarig te zijn geweest. Tijdwinst valt er bij het vertalen van de meeste boeken nog niet echt te behalen met vertaalgeheugens, automatische vertaalprogramma’s en elektronische woordenboeken, want al die hulpmiddelen leveren weer nieuwe inzichten en vertaalmogelijkheden op, die de vertaler allemaal moet afwegen.

Het zal het lezerspubliek allemaal worst wezen. Als die nieuwe Littell, Sacks en Vesaas nou maar gewoon in de boekhandel liggen, liefst zo snel mogelijk en in elk geval niet duurder dan oorspronkelijk Nederlandse titels. Vertalers zijn onzichtbaar, horen dat volgens de heersende opvatting ook te zijn, en als ze het niet zijn is er kennelijk iets fout gegaan: de tekst leest ‘stroef’, is te ‘letterlijk’, kortom niet ‘soepel’ genoeg. En echt waar, worden romans nog altijd door mensen vertaald?

Boekvertalers hebben tegenwoordig met een dubbel beeldvormingsprobleem te kampen. Alsof het aloude gebrek aan culturele en financiële waardering dat haast vanzelf uit hun spreekwoordelijke onzichtbaarheid voortvloeit nog niet genoeg was, moeten ze nu ook nog eens op de bres om het publiek (en sommige opdrachtgevers) duidelijk te maken dat hun werk toch echt mensenwerk is en voorlopig ook blijft.

De vertaler als auteur

En niet zomaar mensenwerk, maar scheppend mensenwerk. Boekvertalers sturen hun opdrachtgevers geen keurige urendeclaratie voor verrichte administratieve arbeid, zoals andere soorten zelfstandigen doen, maar zijn volgens het auteursrecht ‘makers’ van oorspronkelijke werken, auteurs dus. Dat lijkt misschien vreemd, maar vergelijk maar eens verschillende vertalingen van eenzelfde tekst: geen twee ervan zijn gelijk. Niet omdat ze per definitie onvolmaakt zijn, maar omdat elke vertaler zijn eigen belevingswereld en achtergrond met zich meedraagt. Net als elke lezer trouwens: geen tweemaal leest men hetzelfde boek.

Het hele auteursrecht is gebaseerd op dat idee van oorspronkelijkheid. Het treedt automatisch in werking zodra iemand iets schrijft (of tekent, componeert et cetera) dat nog niet eerder was geschreven, je hoeft er geen aanvraag voor in te dienen zoals bij een octrooi of een handelsmerk. En het allermooiste is dat je helemaal zelf mag bepalen wie iets met jouw maaksel (tekst, tekening, liedje) mag doen en tegen welke voorwaarden. Vandaar dat schrijvers en vertalers contracten met uitgevers sluiten: ze maken de rechten die ze als auteurs automatisch hebben te gelde, idealiter natuurlijk op zo’n manier dat ze er op zijn minst van kunnen leven.

En daar wordt het lastig. De uitgever wil namelijk ook kunnen leven van de exploitatie van die rechten, hij wil er zijn personeel en zijn bedrijfspand mee kunnen bekostigen en er liefst nog wat aan overhouden, zoals het een goed ondernemer betaamt. In het geval van vertalingen is er bovendien nog een lachende derde: de oorspronkelijke auteur, die de vertaalrechten op zijn werk uiteraard meestal niet voor niets weggeeft. Het leidt tot een lichtelijk absurde driehoek, waarin elke partij gebonden is aan de beide andere. De vertaler kan niets beginnen als de uitgever geen overeenkomst heeft met de oorspronkelijke auteur, die op zijn beurt geen rechten kan doen gelden op de nieuwe, zelf ook weer oorspronkelijke tekst die de vertaling is.

Beeld Typex

De taart moet dus worden verdeeld. Volgens een ongeschreven regel in het boekenbedrijf (opgetekend in de Auteursrechtgids voor de Nederlandse praktijk van Michel Frequin, voormalig jurist van de uitgeversbond GAU) krijgen de uitgever en de gezamenlijke rechthebbenden elk de helft van de netto-opbrengst – waarbij natuurlijk meteen de vraag is hoeveel de oorspronkelijke auteur alvast opsnoept met het niet-terugvorderbare voorschot dat hij heeft onderhandeld. Vertalers van bellettrie krijgen in ons land een keurig ‘modelcontract’ met naast een eenmalig opdrachthonorarium ook een royaltyregeling waarin hun creatieve auteurschap tot uiting komt, maar ervan leven kunnen ze niet: de royaltydrempel wordt bijna nooit gehaald, en voor een roman van 100 duizend woorden (zes maanden werk inclusief drukproeven et cetera) staat een gangbaar honorarium van zo’n 6.500 euro. Dat is bruto, alle kosten van de vertaler (belasting, verzekeringen, bedrijfskosten) gaan er nog af.

Gelukkig hebben we in Nederland het Letterenfonds, dat het haperende marktmechanisme ‘repareert’ door werkbeurzen te verstrekken aan vertalers van belangrijke literaire boeken. Maar ook dan is het nog altijd geen vetpot, en het is daarom terecht dat het Expertisecentrum Literair Vertalen onlangs de noodklok heeft geluid in een ‘vertaalpleidooi’, verTALEN voor de toekomst – met enig succes, want na Kamervragen van GroenLinks heeft minister Ingrid van Engelshoven de toezegging gedaan dat het vertaalbudget van het Letterenfonds zal worden verruimd (zij het met gesloten beurs, dus ten koste van andere activiteiten).

Waterscheiding

Eind goed, al goed? Toch niet helemaal. Het mooie Nederlandse systeem met zijn keurige modelcontract en zijn werkbeurzen is om historische redenen altijd beperkt geweest tot vertalingen van literatuur in engere zin, en alle aandacht van overheid en media is dan ook gericht op wat we gemakshalve ‘literair vertalers’ zijn gaan noemen – zonder te beseffen dat ‘literair vertalen’ in alle ons omringende landen en ook in de Europese boekvertalersraad CEATL wordt gedefinieerd als het omzetten van een oorspronkelijk werk in een andere taal en daardoor in een nieuw oorspronkelijk werk: alles wat onder het auteursrecht valt.

Als je met die bril kijkt, wordt het probleem van de Nederlandse waterscheiding tussen literair en niet-literair vertalen ineens pijnlijk duidelijk. Niet alleen krijgen vertalers van ‘niet-literaire’ teksten (waaronder zowel thrillers als moeilijke non-fictieboeken vallen) vaak geen fatsoenlijke contracten, meestal lagere tarieven en bijna nooit royalty’s, ze krijgen ook geen aanvullende werkbeurzen (waarvoor een ‘literair’ modelcontract met bijbehorend tarief een voorwaarde is).

Michel Frequin waagt in de eerste druk van zijn Auteursrechtgids (2005) nog een poging om het onderscheid te rechtvaardigen: ‘Een vertaler die in opdracht vrijwel letterlijk kan en moet vertalen, en dus een betrekkelijk gering eigen karakter aan de vertaling kan geven, zal vaak contractueel niet op dezelfde [sic] als de auteur of de literair vertaler worden behandeld.’ Maar in de tweede druk (2015) ontbreekt deze passage; zou Frequin zelf ook hebben beseft dat zijn argument onhoudbaar is, omdat vertalers van ‘lagere’ (en slechter betaalde) genres juist veel vrijer vertalen om hun lezers tegemoet te komen?

Er staat ons nog veel te doen. Overheid: richt uw aandacht (en financiële middelen) op álle cultureel waardevolle vertalingen, niet alleen op bellettrie. Uitgevers: respecteer de uitgangspunten van het auteursrecht, óók voor niet-literaire vertalingen. Vertalers: durf uit te komen voor jullie auteurschap.

Martin de Haan, de vaste vertaler van Michel Houellebecq en Milan Kundera. Beeld A.O

Bronvermelding

Aan Pinokkio’s avonturen valt van alles te beleven voor zowel jong als oud ★★★★☆

Pinokkio en de Fee. Beeld Sjaak Rood

De avonturen van Pinokkio

Carlo Collodi

Fictie

★★★★☆

Carlo Collodi

Uit het Italiaans vertaald door Pietha de Voogd, met illustraties van Sjaak Rood.

Novecento; 175 pagina’s; €25,50.

Kinderen kunnen veel hebben. Dat is althans te hopen, want bij het avonturenverhaal over Pinokkio, de houten marionet die eerst zijn luiheid en hang naar foute vriendjes dient te overwinnen voordat hij mens mag worden, zal menig jeugdig lezer regelmatig moeten huiveren. En zelfs de volwassene die zich de nieuwe, integrale vertaling door Pietha de Voogd van Carlo Collodi’s onderhoudende boek uit 1883 (bovendien levendig geïllustreerd door Sjaak Rood) niet wil laten ontgaan, zal verrast vaststellen hoe druk er in dit verhaal gestorven wordt.

Pinokkio gooit met een hamer naar een sprekende krekel: dood. Achtervolgd door moordenaars komt hij bij een sneeuwwit huisje, waar een lieflijk meisje met blauw haar aan het raam verschijnt, dat hem meedeelt, zonder haar lippen te bewegen, dat iedereen in dit huis dood is – ook zijzelf. Pinokkio wordt opgehangen aan een tak en denkt (met ons) dat het gedaan is. Zijn vader, de houtsnijder Geppetto, zit een in zelf gefabriceerd bootje, dat niet is opgewassen tegen een vloedgolf: die wordt verzwolgen. En daarna kijkt Pinokkio nog minstens twee keer de dood in de ogen.

Pinokkio in een hondenhok. Beeld Sjaak Rood

Over de schrijver Collodi (1826-1890), een Florentijnse vrijgezel die leefde voor zijn werk, weet de vertaler te melden dat hij vaak ruziemaakte. In zijn boek wordt ook heel wat af geknokt, en niet alleen verbaal. Vermoedelijk heeft hij wel gelachen, of in ieder geval gegromd, toen hij de scène schreef waarin de Fee aan een aantal dierenartsen vraagt of de roerloze marionet nou dood of levend is. De Raaf: ‘Het komt mij voor dat de marionet zo dood is als een pier, maar mocht hij onverhoopt niet dood zijn, dan is dat ontegenzeggelijk een teken dat hij nog leeft.’ Even later horen ze Pinokkio huilen. De Raaf weet: ‘Als de overledene huilt, is dat een teken dat hij aan de beterende hand is.’

Om tegemoet te komen aan de spreektaal en het dialect dat Collodi veelvuldig gebruikte, deinst Pietha de Voogd niet terug voor hupse termen (jottem, opzouten, puike deal, rotbeest) die de vaart erin houden en niet gemaakt modern aandoen. Er is dus genoeg te beleven aan dit verhaal over een marionet die wel wéét dat hij zijn spijbelzucht, speeldrift en lieglust moet beteugelen als hij ooit een gerespecteerd lid van de samenleving wil worden, maar dat moment telkens uitstelt als zich weer een nieuwe verlokking aandient. Smullen voor kinderen. De oudere lezers zullen bij het hoofdstuk over ‘Lolland’ (waar de herfstvakantie duurt van 1 januari tot en met 31 december) denken aan hun onbereikbaar geworden jeugd, die zich ooit eindeloos leek uit te strekken en waarin veel zich net zo spannend, grappig en gruwelijk voordeed als in dit verhaal.

Pinokkio en de spechten. Beeld Sjaak Rood

 Aan het slot is Pinokkio geen marionet meer, maar eindelijk een oppassende jongen. Geïncarneerd kan hij aan het nieuwe leven beginnen; zonder vier pikzwarte konijnen die met een doodskist op hun schouders zomaar komen binnenstappen, om hem te halen. Nu wordt hij langzaam gewurgd door braafheid, als hij niet uitkijkt. En geen Fee die nog iets voor hem kan doen.

Carlo Collodi: De avonturen van Pinokkio. Beeld Novecento

Bronvermelding

Hoe apathische artsen de tabakslobby vrij spel geven ★★★★☆

Op een dag stonden bij Monique de Beer collectanten aan de deur voor KWF Kankerbestrijding. ‘Ze vroegen of ik donateur wilde worden.’ Dan ben je bij De Beer aan het verkeerde adres. Jarenlang was ze projectleider bij Stivoro, de Stichting Volksgezondheid en Roken. Totdat deze in 2012 de nek werd omgedraaid – mede door KWF Kankerbestrijding. Sindsdien heeft ze geen goed woord meer over voor het KWF: ‘Bij die clubs draait het alleen maar om geld.’

Stivoro werd in 1974 opgericht door het Longfonds, de Hartstichting en KWF Kankerbestrijding, samen met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Stivoro moest het roken gaan ontmoedigen, maar lag vanaf het begin aan de beademing. Het kreeg ‘net genoeg om te kunnen voortbestaan, te weinig om een daadkrachtige organisatie op te zetten’, aldus onderzoeksjournalist Joop Bouma in De sjoemelsigaret. En dat was volgens Bouma ook de bedoeling. De maatschappelijke onrust omtrent roken nam in die jaren steeds verder toe. Het was volkomen duidelijk dat roken zeer schadelijk was voor de gezondheid – dat wisten ze bij het Longfonds, de Hartstichting en KWF Kankerbestrijding heel goed. Er móést dus iets gebeuren. 

Maar niemand had zin om zich écht in te spannen. Op het ministerie stonden de deuren wijd open voor de tabakslobby, die strenge maatregelen jarenlang wist te voorkomen door in te zetten op de eigen verantwoordelijkheid van de burger (‘roken moet mogen’). De enige die aanstuurde op harde maatregelen was Els Borst. Maar ook zij kreeg niets gedaan, door tegenwerking van Economische Zaken (in de persoon van Annemarie Jorritsma) én door de apathische houding van de medische stand. En wat die drie clubs betreft: die waren doodsbang dat als ze hun naam al te direct verbonden aan harde anti-rookmaatregelen, ze een groot deel van hun donateurs zouden verliezen. Stivoro was een schaamlap. Toen het Stivoro-bestuur te activistisch dreigde te worden, werd de geldkraan dichtgedraaid. De Beer had gelijk: alles draaide om geld.

De sjoemelsigaret gaat uitgebreid in op de recente rechtszaken tegen de tabaksindustrie, aangespannen door longartsen Pauline Dekker en Wanda de Kanter, VPRO’s Zomergast van vorige week zondag. Met hun boek Nederland stopt! Met roken, de site Tabaknee! en hun juridische acties hebben zij de discussie een nieuwe impuls gegeven. Daarnaast beschrijft Joop Bouma de rechtszaken die zijn aangespannen door advocaat Bénédicte Ficq. Bouma komt ook uitgebreid terug op hoe de tabaksreuzen de consument dertig jaar geleden misleidden met de ‘light’-sigaret, een product dat de pseudowetenschappelijke EU-keuring met vlag en wimpel doorstond, maar in de praktijk net zo schadelijk was als de echte sigaret. 

De prangende vraag in het boek: waarom waren en zijn Nederlandse artsen en hun organisaties nauwelijks te porren voor harde acties? Diverse antwoorden passeren de revue. Veel artsen zijn zélf verstokte rokers. Of: artsen zijn traditioneel niet geïnteresseerd in preventie. KWF Kankerbestrijding, verreweg de grootste van de drie, had een leidende rol kunnen spelen, maar vreesde dus voor zijn inkomsten. Het fonds heeft elk jaar rond de 150 miljoen euro te verdelen. Dat geld gaat vooral naar fundamenteel onderzoek en de betreffende onderzoekers zijn van grote invloed binnen het fonds. Het was een old boys network dat de poet verdeelde, zo ontdekte Johan van der Waal van Alpe D’Huzes tot zijn verbazing toen hij zo’n tien jaar geleden bij het KWF aanklopte. En de boys waren niet van plan om in te leveren. Oud-Stivoro-directeur Trudy Prins omschrijft hen als ‘laffe jongens, zonder visie’. Álle clubs hebben boter op het hoofd. Ze hadden hun eigen belang en ‘dat had niks met de beperking van tabaksgebruik te maken’.

De sjoemelsigaret schetst een ontluisterend beeld. Niet zozeer van de tabaksindustrie; dat beeld kenden we al. Nee, vooral van de Nederlandse artsen en wetenschappers. Dankzij een nieuwe KWF-directeur en het huidige kabinet lijken andere tijden aan te breken, maar De Kanter en Dekker ondervinden dagelijks dat collega-longartsen nauwelijks te porren zijn voor hun activistische aanpak. En als artsen niets doen, wat kun je dan verwachten van de samenleving? De Kanter: ‘Kijk naar Albert Heijn, die de mond vol heeft over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Ze gaan rustig door met de verkoop van tabak.’

Joop Bouma: De sjoemelsigaret. Atlas Contact; 270 pagina’s;  € 21,99.

Bronvermelding