Het Friese landschap wordt deel van de opera. Na een liefdesduet klinkt een goed getimed ‘bèèè’

Pagliacci & Il Tabarro Beeld Majanka Fotografie

‘Wij zijn mensen van vlees en bloed’, zingt bariton Marcel van Dieren in de Proloog – een soort ouverture – van de opera Pagliacci. ‘net als jullie.’  Prompt krijg je medelijden met de cast en de musici. Ga maar na: de locatie is een tent in een weiland. De temperatuur: zo’n 35 graden, zowel binnen als buiten. Terwijl het publiek zichzelf koelte toe wappert met programmaboekjes, moeten de zangers hun werk doen in vol ornaat.

De première van de twee korte opera’s Pagliacci en Il Tabarro bij Opera Spanga is niet alleen gedenkwaardig omdat ze plaatsvindt op de warmste dag ooit. Het is een jubileum. Regisseur en allesregelaar Corina van Eijk presenteert dit jaar voor de dertigste keer een opera in het Friese dorpje Spanga. De orkestbak is uitgegraven in natuurgebied de Rottige Meente, de tent is achter het podium opengelaten zodat de natuur deel wordt van de productie, inclusief een landweggetje met bomen en een stelletje weinig scriptvaste schapen. Na een ontroerend liefdesduet klinkt een nadrukkelijk bèèè.

Van Eijk is met haar altijd eigenzinnige producties een fenomeen in operaland. Ze kiest vaak voor ‘grote’ opera’s, dit jaar twee korte, Pagliacci van componist Rugerro Leoncavallo en Il tabarro van Giacomo Puccini. Opmerkelijk: Pagliacci wordt meestal gecombineerd met Mascagni’s Cavalleria rusticana – in september bijvoorbeeld opent De Nationale Opera haar nieuwe seizoen met ‘Pag en Cav’.

Leoncavallo en Puccini waren niet alleen tijdgenoten, de twee opera’s hebben hetzelfde thema: vrouwelijke ontrouw. In Pagliacci probeert de sensuele Nedda met haar minnaar te ontsnappen aan het opgeblazen ego van haar echtgenoot, een theaterdirecteur. Het liefdespaar wordt verraden door de intrigant Tonio, aan wiens agressieve seksuele avances Nedda eerder resoluut een einde had gemaakt met haar knie in zijn kruis. De Turks-Nederlandse sopraan Aylin Sezer speelt Nedda als zelfbewuste, temperamentvolle vrouw die op zoek is naar vrijheid. Het komt tot een dodelijke confrontatie tijdens een ‘theatervoorstelling’, maar dan heeft regisseur Van Eijk het echte leven en het theater al met elkaar laten versmelten.

Pagliacci & Il Tabarro Beeld Majanka Fotografie

Het decor is minimaal, een staketsel waarachter het landschap zichtbaar blijft. Het weggetje wordt mede door een uitgekiende belichting een soort second stage, een plek waar liefdespaartjes vrijen onder een boom, of een kade waarop de stuwadoors een zware vracht van hun schouders laten glijden. In Il tabarro zien we een gebroken schippersechtpaar dat uit elkaar is gegroeid door het verdriet om de dood van hun kind. De schipper Michele doet wanhopige pogingen zijn vrouw Giorgetta weer voor zich te winnen. Maar zij ontvlucht haar verdriet in de armen van een van de stuwadoors die op zijn beurt een uitweg zoekt uit een ellendig leven van armoede en loodzwaar werk.

Hier staan geen egocentrische individuen die hun lusten botvieren ten koste van een ander. Alle drie zijn ze slachtoffer van hun heden en verleden. Met haar aanpak van het tweeluik geeft Corina van Eijk een interessante nuancering aan het begrip vrouwelijke ontrouw: overspel als welbewuste keuze of als emotionele vlucht. Roerend is de scène waarin Michele voor een koele Giorgetta herinneringen ophaalt aan de tijd dat hun kind nog leefde. Bariton Marcel van Dieren geeft de pijn van de schipper een intense emotionele lading. Net als van Aylin Sezer en de sopraan Francis van Broekhuizen (Giorgetta) is hij al enkele jaren een van Spanga’s smaakmakers.

Dirigent Tjalling Wijnstra – kletsnat van het zweet – weet de dertigkoppige Filharmonie Noord goed op koers te houden, hoewel de muziek soms wat aan scherpte verliest. Geen wonder gezien de omstandigheden. Zweterige vingers gaan glibberen over de snaren, instrumenten kunnen ontstemd raken, musici uitgedroogd. Het had ook maar een graadje Celsius gescheeld, bekent een violist na afloop, of ‘we waren er niet aan begonnen’.

Pagliacci en Il Tabarro, Opera Spanga, t/m 10/8. 

Bronvermelding

Dragqueens doen het goed in de media, maar niet op straat: ‘Je wordt door kleine schoffies nageroepen en uitgescholden’

De Dragqueen, vroeger bekend als de travestiet, is alomtegenwoordig. In de popcultuur zijn ze mainstream geworden, maar in de echte wereld is de ruimte van de glitterdiva’s veel beperkter geworden.

DDe 27-jarige Chary gaat niet meer stappen. Ze is in korte tijd nogal wat aangekomen en niets past. En als ze dan gaat winkelen wordt het steevast janken in het pashokje. Dus blijft ze alle weekenden thuis. Dat moest anders, vonden ze bij BNNVara. Verpieterde vrouwen als Chary moeten uit hun sociale isolement worden gehaald en brutale dragqueens kunnen daarbij helpen. Dus als Chary in het nieuwe tv-programma De diva in mij tijdens een karaokesessie halverwege Lady Gaga’s Pokerface zichtbaar opfleurt, concludeert Lady Galore, als trotse coach aan de zijlijn: ‘Kijk, er komt al een beetje diva uit.’

In De diva in mij gaan vrouwen met te weinig zelfvertrouwen op zoek naar de godin in zichzelf. En wie kunnen ze daar beter bij gidsen dan de selfmade godinnen van de huidige popcultuur: dragqueens.

In hun zoektocht worden de dames door Lady Galore, Hoax LeBeau en Envy Peru bijgestaan. Daarvoor worden allerhande tips, therapeutisch shoppen, workshops en brede mannenschouders met vrouwelijk inlevingsvermogen uit de kast gehaald.

Je mag het van programmamaker Desiree van Grinsven best een mentale make-over noemen. ‘We wilden de vrouwen, die door familie en vrienden zijn opgegeven, empoweren. Daar is drag bij uitstek voor geschikt. Ik hoor van alle queens die ik ken dat ze door zich in drag te kleden een transformatie doormaken. Drag geeft ze een mentale boost. Ze worden ad rem en krijgen een schijt-aan-de-wereldmentaliteit.’

En zo verovert drag met De diva in mij weer een stukje mainstreampopcultuur. Mannen die in hun kleding, uitstraling en gedrag over de top vrouwelijkheid nastreven zijn hot. Met de Amerikaanse draggrootheid RuPaul als frontvrouw en diens tv-show RuPaul’s Drag Race als vlaggeschip heeft drag de afgelopen tien jaar een zegetocht gemaakt. De show heeft sinds zijn geboorte in 2009 negen Emmy’s ontvangen en werd in 2018 door Netflix gekocht, waardoor de talentenjacht een wereldwijd publiek kreeg. De Queen der Queens komt later dit jaar nog met zijn eigen talkshow bij Fox uit.

Lady Galore is 10 jaar oud. Vrienden van Galore zeiden dat hij een raar gezicht had, maar dat het misschien nog wat kon worden als hij er make-up op zou smeren. Het was niet zijn enige radicale transformatie. Vorig jaar viel hij 60 kilo af om van zijn suikerziekte en slaapapneu af te komen. Beeld Els Zweerink

RuPauls tv-show fungeert als een dragschool, met garantie op een glamcarrière. Elk mondiaal bedrijf lijkt op zoek naar zijn eigen huisqueen, en de school van Ru levert die. Bianca del Rio, de winnares van het zesde seizoen, toert de wereld rond met haar stand-upshow en heeft nu een rolletje in een Starbuckscommercial. McDonald’s doet het met Shangela Laquifa Wadley. Modehuis Prada zette vorig jaar dragqueens in voor zijn reclamecampagne.

New York en Los Angeles organiseren sinds 2015 de zogenoemde Dragcons, festijnen waar meer dan 40 duizend liefhebbers van drag gezamenlijk hun passie vieren. En lang niet iedereen komt in een pruik, jurk en bijgeleverde attitude. Een groot deel van de bezoekers is niet gay en meer dan 60 procent bestaat uit vrouwen. De flamboyante types, die twintig jaar geleden hun felgekleurde subversieve niche hadden in de gayscene, lijken nu de menselijke middenmoot geen angst meer in te boezemen.

Ook in Nederland liften mannen op naaldhakken mee op het succes. Er zijn hier draghouses ontstaan, waarvan de leden op de jaarlijkse Superball in het Amsterdamse Paradiso, het grootste dragfestijn in Europa, de podiumstrijd met elkaar aangaan. Hoe komt het dat drag, nadat het in de jaren negentig voor het laatst op de radar van mainstreamcultuur verscheen, nu weer in alle hevigheid is losgebarsten?

‘In het verleden werden dragqueens als moeilijke types van een subcultuur gezien. Met De diva in mij zie je nu dat de mainstreammedia een bepaalde deskundigheid bij ons heeft ontdekt die ze kunnen gebruiken.’ Dat is winst, volgens Lady Galore – Sander den Baas voor de burgerlijke stand – en dat is voor een groot deel aan moeder-overste te danken. RuPaul’s Drag Race heeft nu eenmaal, of je het nu als homo of hetero bekijkt, een aantal kenmerken die het zo succesvol maken. Het programma is ontzettend grappig, het is visueel heel sterk, het draagt positiviteit uit en de persoonlijke verhalen spreken kijkers erg aan.’

Volgens de Grieks-Australische dragqueen Jennifer Hopelezz (Richard Keldoulis), die twintig jaar geleden vanuit Sidney naar Nederland verhuisde, was RuPaul medeverantwoordelijk voor een lokale dragexplosie. ‘Tegenwoordig staat Instagram vol met queens, terwijl je tien jaar geleden mensen hier moest uitleggen wat drag betekende.’ Volgens de Amsterdamse Mayday – haar naam zoals vermeld in haar paspoort – en net als Hopelezz, een veteraan, is drag voor sommigen een hippe carrièrekeuze geworden. ‘Net zoals kids tegenwoordig dj willen worden. Nu heb je in Amsterdam zo’n honderd dragqueens, en anderhalve kroeg waar ze kunnen optreden. De concurrentie is moordend.’

Niet alle eer voor de huidige wildgroei aan glitter komt aan RuPaul toe. Conchita Wurst deed veel voor de erkenning van het fenomeen toen ze in 2014 met een powerballad, een gouden glitterjurk en een baard het Eurovisie Songfestival won. Het songfestival was, met zijn unieke mix van miljoenen kijkers en zijn ontvankelijkheid voor de gayscene, het perfecte podium om drag aan een groot publiek over te brengen. Wurst bleek in de talkshows die ze na haar overwinning deed een aimabele ambassadrice wier vijfuurschaduw je in een onbewaakt moment over het hoofd zag. Hopelezz: ‘Daarvoor was het toch heel erg onbekend maakt onbemind.’

Envy Peru’s geestelijke vader is in Peru geboren. De dragartiest is ook professioneel make-upartiest en postte online weleens foto’s van zichzelf met dragmake-up, waar goed op werd gereageerd. Een collegaqueen moedigde hem aan om voor de volle drag te gaan. Dat gebeurde in 2016. Beeld Els Zweerink

Maar wat het goed doet in populaire media, doet het niet altijd goed op straat. Je kunt nog zo veel zelfvertrouwen en vermakelijke schijt-aan-de-wereldattitudes etaleren, volgens Hoax LeBeau (Joost Gimbel), collega-dragcoach van Galore in De diva in mij ‘roept een man in een jurk bij veel mensen nog ongemakkelijke gevoelens op’. ‘Dragqueens doen het dan wel goed op tv, ik denk niet dat dit ooit mainstreamcultuur zal worden.’

Lady Galore: ‘Als man mag je als monster of hond of weet ik wat verkleed gaan…’

Hoax LeBeau: ‘… maar als vrouw zien mensen je vaak als verschrikking. Het impliceert dat het vrouwelijke iets negatiefs is en dat de vrouw nog steeds wordt gezien als de mindere sekse.’

Ze hebben beiden niet veel ervaringen met bedreigingen of agressie, maar dat komt ook omdat ze alert zijn in het openbaar. LeBeau bezoekt de evenementen die ze opluistert altijd met de fiets. Omdat ze niet op hakken grote afstanden wil afleggen én omdat het haar een stuk sneller maakt dan mogelijke belagers. Galore eist dat ze voor haar optredens met de auto wordt opgehaald en thuisgebracht. ‘Ik verkoop het als divagedrag, maar het is eigenlijk een verkapte veiligheidsmaatregel.’

Misschien geen overbodige luxe. Vorig jaar nog werd dragqueen Monique de la Fressange in Amsterdam door drie mannen op straat mishandeld. Als statement stond ze later dat jaar in de Canal Parade naast burgemeester Halsema.

Het is een frappante tegenstrijdigheid: mannen in vrouwenkleren die op tv aan de borst worden gedrukt, voelen een reserve om zich in vol ornaat in het openbaar te begeven. Mayday kan erover meepraten. Ze begon haar carrière midden jaren negentig, toen drag hier nog travestie heette. Er was op tv al De travestieshow, gepresenteerd door Robert ten Brink en weelderig behangen met BN’ers en valse wimpers. Dragqueens als Nickie Nicole en Dolly Bellefleur werden door hun tv-optredens nationale beroemdheden. Het was in de dagen van house en hedonisme, drugs, love en freedom, die je allemaal kon beleven in clubs als It en RoXY.

Mayday: ‘In het centrum van Amsterdam kon je in volledige drag over straat. Er was in het uitgaansleven veel meer een inclusieve sfeer, waarbij queens gemoedelijk omgingen met bikers. Nu word je op het Leidseplein door kleine schoffies nageroepen en uitgescholden.’

Waarom de acceptatie in openbare ruimte juist is afgenomen? Ze denkt dat dat in de pas loopt met een afgenomen zichtbaarheid van gaysubculturen. ‘Megaclubs als It, RoxY en Mazzo zijn allang gesloten. Ook heel wat homokroegen uit die tijd bestaan niet meer. Daardoor is die hele gayscene verkleind en haast onzichtbaar geworden. Je ziet ook geen mannen meer hand in hand lopen.’

Hoax LeBeau werd 8 jaar geleden op een themafeestje geboren. Het leek iemand van de organisatie leuk de boel op te peppen met een dragqueen. LeBeau nam de uitdaging aan. Daarna werd hij gevraagd als doorbitch. Drag was een uit de hand gelopen grap die hij nu uiterst serieus neemt. Beeld Els Zweerink

Tegelijk is er de laatste jaren in de media veel aandacht voor alle combinaties van gender, identiteit en seksuele oriëntatie. Dat resulteerde in een almaar uitdijende code voor seksuele minderheden, waarbij de vier letters LGBT inmiddels hopeloos tekortschieten, een grotere zichtbaarheid van transacteurs in films en tv-series en een bedrijfsleven dat handig op het nieuwe bewustzijn inspeelt. Dat kan in de praktijk tot bizarre situaties leiden.

Mayday: ‘Albert Heijn had in de week van WorldPride een van hun To Go-filialen omgedoopt tot Albert Heijn To Gay. Ik zag een groepje Marokkaanse jongens buiten dralen die niet naar binnen durfden. Alsof je van hun broodjes homo wordt.’

Soms is zo’n situatie schrijnender. Hopelezz, die haar drag combineert met activisme, werd deze maand nog door een Uberchauffeur geweigerd. En dat terwijl ze twee weken daarvoor nog een intentieverklaring met het bedrijf had getekend om discriminatie tegen te gaan.

Het lijkt erop dat, nu drag in het middelpunt van de (media)belangstelling staat, tegelijk een gevecht moet worden gevoerd voor acceptatie in het dagelijkse leven. Misschien wel zoals er in de jaren tachtig ruimte was voor homocoryfeeën op tv, maar de gay next door er wel twee keer over dacht zijn/haar geaardheid publiekelijk bekend te maken.

Jennifer Hopelezz: ‘Ik denk echt dat we nu in het tijdperk zitten van de genderrechtenbeweging. Niet alleen voor mensen zoals wij, die met het begrip gender spelen, ook voor transgenders.’

Soms is er winst, soms verlies. Alle vier de queens zijn pragmatisch over de huidige ontwikkelingen. Hopelezz zegt dat Uber misschien de afspraken met hun chauffeurs niet goed heeft gecommuniceerd. Ze gaat weer met het bedrijf in gesprek. Mayday, die kanttekeningen bij de drag van nu plaats, vindt dat lang niet alle drag zijn rauwe potentie als performance art benut; dat drag te vaak in het clowneske blijft hangen. ‘Maar er is een plek voor iedereen. Als we maar zichtbaar zijn.’

Hoax LeBeau: ‘Daar gaat het ons om. Zichtbaarheid is de eerste stap naar het bespreekbaar maken van drag en het vervolgens op een breder vlak geaccepteerd te krijgen.’

De eerste aflevering van De diva in mij wordt maandagavond om 20.20 uitgezonden op NPO 3.

Afgelopen weekend is Amsterdam Pride van start gegaan en daarin heeft ook drag zijn plekje. Donderdag is er in het Lloyd Hotel een Drag Brunch met Lady Galore. Vrijdag is de dag van de Pride Drag Queen Olympics bij het Homomonument, met onder andere handtas werpen en de 100 meter stilettosprint. En zaterdag is er de Canal Parade waarin ongetwijfeld menig dragqueen te water gaat.

Bronvermelding

De hitte is af en toe terug te horen tijdens het Delft Chamber Music Festival ★★★★☆

Notturno, Orpheus ná de onderwereld Beeld Melle Meivogel

Delft Chamber Music Festival.

24 en 26/7, Van der Mandelezaal en Lijm & Cultuur, Delft. T/m 4/8.

Op de dag waarop het hitterecord sneuvelt opent in de warmste zaal die het land rijk is de 23ste editie van het Delft Chamber Music Festival. Toen de binnenplaats van het Prinsenhof werd overkapt en tot concertzaal omgebouwd is terdege rekening gehouden met de akoestiek, maar niet met mogelijke broeikaseffecten. Hoewel de airconditioning tot een minuut voor aanvang heeft staan loeien, parelt het zweet de musici weldra op het voorhoofd.

Notturno, Orpheus ná de onderwereld Beeld Melle Meivogel

Aan de hand van drie Schubertliederen voert de gastprogrammeur, bariton Thomas Oliemans, zijn gehoor mee naar het tijdperk van de mythische zanger Orpheus, die hij tot kapstok van het festival heeft verheven. De komende week komt dit thema in concerten, theaterproducties en filmvoorstellingen aan bod, op diverse locaties in en om Delft.

Notturno, Orpheus ná de onderwereld Beeld Melle Meivogel

Na een wervelende vertolking van Prokofjevs fluitsonate door Herman van Kogelenberg en pianist Severin von Eckardstein is de temperatuur zo ver opgelopen dat besloten wordt de airco dan maar tijdens de muziek aan te zetten. Daarmee wordt aan de wereldpremière van Ex tenebris mundi, speciaal voor het festival gecomponeerd door de vermaarde zanger Robert Holl, een ongewenste bourdontoon toegevoegd. Niettemin leveren Oliemans en het gelegenheidsstrijkkwartet een doorleefde uitvoering van het driedelige werk. De zoekerige muziek past wel bij de nogal raadselachtige poëzie van Adriaan Roland Holst, en het strijkkwartet schampt in een voortdurende, laatromantische polyfonie telkens langs vertrouwde klanken, maar bereikt een verlossend majeur pas aan het slot van elk deel. Het derde lied, De donkernde zee, waar steeds dezelfde lijn als fundament fungeert, boeit nog het meest, maar als geheel laat het werk een wat eenzijdige indruk na.

Openingsconcert Delft Chamber Music Festival: Thomas Oliemans zingt Ex tenebris mundi van Robert Holl Beeld Ronald Knapp

Koeler en verrassender is het zaterdagmiddagconcert in dezelfde ruimte. Als invaller voor Isabelle van Keulen, de grondlegger van het festival, gooit de Israëlische altviolist Nimrod Guez hoge ogen met zijn interpretatie van Sjostakovitsj’ allerlaatste werk, de Altvioolsonate, waarin hij uit de wat starre melodiek een buitengewoon geraffineerde expressie peurt. En het Pianokwintet van de Rus Nikolaj Medtner, ook een soort muzikaal testament, blijkt een bijzonder klankrijk en gevarieerd stuk, al doet de componist er aan het slot iets te veel schepjes bovenop.

Openingsconcert Delft Chamber Music Festival. Fluitist Herman van Kogelenberg speelt Prokofjev Beeld Ronald Knapp

De Zwitser Othmar Schoeck (1886-1957) is net als zijn tijdgenoot Medtner half verdwenen in de nevelen van de geschiedenis, maar Oliemans heeft hem daar, samen met regisseur Klaus Bertisch, weer uit gehaald in de voorstelling Notturno, Orpheus ná de onderwereld. Net als bij Holl treedt de zanger hier aan met een strijkkwartet, maar de muziek is veelzijdiger en balanceert duidelijk op de grens tussen het romantische en een moderner idioom. De vertolking is exemplarisch, de belichting en de geprojecteerde foto’s zijn fraai, maar de toegevoegde luidsprekerstem stoort, het zitten, staan en liggen van de zanger voegt niets toe en doordat de tekst niet te volgen is, blijft de inhoud in het luchtledige hangen. Een traditionele kamermuzikale presentatie had het werk meer recht gedaan.

Notturno, Orpheus ná de onderwereld Beeld Melle Meivogel
Openingsconcert Delft Chamber Music Festival: : Thomas Oliemans zingt Ex tenebris mundi van Robert Holl Beeld Ronald Knapp

Bronvermelding

Gekooide zanger verkiest de vrijheid

Leeuwerik Beeld VBN

Suffolk, 29 juli 1833

Iets verdrietigs is ons vandaag overkomen. Omdat het bijzonder warm was, waren we onder de treurwilg gaan zitten, met de leeuwerik bij ons in zijn kooitje. We lieten hem vrij, zodat hij de kruimels van onze knieën kon pikken. Omdat hij altijd vanzelf weer naar binnen gaat, zagen we geen gevaar.

Ditmaal besloot hij echter de treurwilg te gaan verkennen en daarna hipte hij naar het grindpad. Dat zag er verontrustend uit en daarom ging ik binnen een stuk brood zoeken om hem te lokken.

Ik hield het stuk brood voor hem op, in de verwachting dat hij zou toehappen. In plaats daarvan sloeg hij zijn vleugels uit en verdween in een verbazingwekkende boog hoog boven de bomen.

Iedereen was meteen in alle staten, maar we verwachtten nog wel dat hij zou terugkomen. Een uur lang hebben we in de brandende zon met de lege kooi door de tuin gesjouwd, in de hoop hem te vinden. Een paar keer zagen we hem, zingend of in volle vlucht, geheel in zijn element – in de eerste vlucht sinds de dag van zijn geboorte.

Ik hoop maar dat hij geen gevaar loopt, ergens ver weg. Iedereen mist hem erg, maar ik ben bang dat we hem niet meer terugzien. Ik heb zijn kooi aan mijn raam gehangen en ben tot tien uur opgebleven om naar hem uit te kijken, maar helaas! Mijn enige troost is dat hij in vrijheid gelukkiger zal zijn dan in zijn kooitje.

Emily Shore (1819-1839), jong overleden Engelse schrijver. Ingekort fragment uit haar Journal, gepubliceerd in 1891.

Bronvermelding

Fun Home is erg Amerikaans: alles wordt benoemd, toegelicht, uitgelegd en onderstreept ★★★☆☆

Kinderen spelen op doodskisten in Fun Home. Beeld Neeltje Knaap

Door Opus One i.s.m ITA Pride. Gebaseerd op de graphic novel van Alison Bechdel. Tekst Lisa Kron, muziek Jeanine Tesori, regie en vertaling Koen van Dijk, choreografie Carolien Canters, vormgeving Eric Goossens, arrangementen en muzikale leiding Marco Braam.
Drie sterren
27/7 in Internationaal Theater Amsterdam. Aldaar t/m 4/8.

Tekstblok! Tekstblok! Dat is de mantra van Alison, hoofdpersoon in de musical Fun Home. Zij werkt aan een graphic novel over haar leven en vooral haar jeugd in een klein stadje in de Amerikaanse staat Pennsylvania. Met name de relatie met haar vader is daarin belangrijk, want hij worstelde met hetzelfde probleem als zij: allebei zijn ze gay. Of in het geval van de vader: hij wás gay, want hij is intussen dood. Omdat hij zijn geaardheid uiteindelijk niet kon accepteren, is hij voor een vrachtwagen gestapt.

Daarmee verklappen we het eind overigens niet, want al meteen in de eerste scène wordt dit gegeven in kort bestek uit doeken gedaan. ‘Via nu terug naar toen’, zegt Alison en dat is wat ze doet. Met haar tekeningen en tekstblokken reconstrueert ze haar leven, van dat rare gezin tot aan de keuze voor vrijheid en haar succesvolle carrière.

Alison Bechdel is die schrijver en op haar gelijknamige boek is Fun Home gebaseerd. De Amerikaanse musical, afkomstig uit het alternatieve circuit en doorgedrongen tot Broadway, won in 2015 vijf Tony Awards en is nu korte tijd in Nederland te zien, als productie van Opus One. Samen met de theaterproductie Small Town Boy is de musical deze week onderdeel van Pride Amsterdam.

Renée van Wegberg in Fun Home. Beeld Neeltje Knaap

Fun Home, dat zich grotendeels afspeelt in de jaren zeventig, komt in de regie van Koen van Dijk maar moeizaam op gang. De raamvertelling vanuit de volwassen Alison, met daarnaast het kind en de tiener (drie actrices spelen de rol), is weliswaar helder, maar ook nogal bedacht. Het is ook erg Amerikaans allemaal: alles wordt benoemd, toegelicht, uitgelegd en onderstreept. In het begin krijg je bovendien het idee te zijn terechtgekomen in een mix van The Addams Family en Kinderen voor kinderen. Het gezin woont namelijk in een ‘funeral home’ waar vader begrafenisondernemer is en lijken aflegt. Ook verzamelt hij dwangmatig allemaal spullen die hij in zijn huis opstapelt. In dat huis dartelen de kleine Alison en haar twee broertjes rond, in goed gemaakte vrolijke zang- en dansnummers. Schattig. Maar ook vermoeiend.

Vader Bruce en dochter Alison hebben van begin af aan een goede band, die later behoorlijk op de proef wordt gesteld. Moeder Helen weet al haar hele huwelijk dat haar man op mannen valt, of specifieker nog: op (te) jonge jongens. Naarmate de zorgeloze jaren voorbij gaan, en Alison in haar graphic novel toekomt aan de meer dramatische gebeurtenissen in dit merkwaardige gezin, wordt Fun Home interessanter en tenslotte echt beklemmend.

Vader Bruce wordt ergens in het stuk omschreven als ‘een intellectuele, belezen, liberale bohemien’. Dan verwacht je iets van een duistere charme; Ad Knippels heeft dat niet. Hij speelt hem technisch goed, als een bijna bipolair personage: de ene keer poeslief, dan weer als een kwaadaardige etter. Hij foetert op zijn kinderen, koeioneert zijn vrouw en in de scènes waarin hij jongens verleidt, wordt hij zelfs een vies mannetje, en niet de charmeur die hij zou moeten zijn. Heel erg goed is Marjolein Keuning als de moeder die in het nummer Dag na dag haar leven in de schaduw van die nare man dramatisch subliem en met ingehouden emoties bijna uitbraakt. Ook de drie Alisons – Renée van Wegberg als de volwassen versie, Dominique de Bont als de tiener en Lotta Pillitu  als het kind – doen dat ieder op eigen wijze erg knap. Van Wegberg – vorig jaar bekroond met de Musical Award voor haar titelrol in de musical Liesbeth List – bereikt na dat aarzelende begin grote hoogten. In het nummer Telefoonpalen is ze niet alleen muzikaal ijzersterk, maar toont ze zich opnieuw een begenadigd actrice.

Muzikaal is Fun Home sowieso eigenzinniger dan tekstueel. De composities van Jeanine Tesori liggen enigszins in het luisterrijke idioom van Stephen Sondheim, maar dan de lightversie. Vaak wordt de muziek gebruikt als underscore, bedoeld om het verhaal te sturen en te stuwen, met een paar sterke zangnummers en een aantal liedjes waarin de stemmen van meerdere personages door elkaar heen worden gevlochten. De vier muzikanten die onderdeel maken van het fraaie decor, spelen met veel allure.

Aan het slot zingen de drie Alisons driestemmig een geweldig finalelied. De twijfels zijn overwonnen, de demonen bestreden, de vrijheid veroverd.

Opus One door de jaren heen

Fun Home is deze week nog te zien in de grote zaal van ITA en dat betekent dat er sinds lange tijd weer een echte musical in de grote zaal van de prestigieuze Stadsschouwburg aan het Leidseplein staat. Voor producent Maarten Voogel van Opus One moet dat een memorabel moment zijn. Opus One bestaat al ruim dertig jaar en begon ooit met dansmusicals voor het hele gezin, zoals Alleen op de wereld, Peter Pan en Junglebook. Gaandeweg werd het repertoire specifieker gericht op volwassen musicals, de laatste jaren ook serieuzer van aard. Recente producties zijn onder meer Kiss of the Spider Woman, The Bridges of Madison County en The Color Purple.

Bronvermelding

Hittegolf valt millennials zwaar

Millennials hebben massaal acute keuzestress vanwege de hittegolf. De Millennialwatcher signaleert dat vele twintigers en dertigers met hun principes in de knoop komen door het warme weer. De acute stress heeft in een aantal extreme gevallen al geleid tot een hitteburn-out.

‘Het is eigenlijk een dag van nationale rouw’, zegt student Boris Bervoets (24), die heeft besloten vandaag zwart te dragen en binnen te blijven in haar containerwoning. ‘Ik walg van de juichstemming over het hitterecord. Maar ik walg ook van mezelf dat ik het niet kan laten mijn airconditioning aan te zetten. Morgen koop ik zo’n ventilatortje dat werkt op zonne-energie.’

‘Het grote dilemma van onze tijd is natuurlijk: wel of geen terrasje pakken’, zegt duurzaamheidsstrateeg Royston Zeeland (32). ‘Als ik door de stad fiets, zie ik allemaal knappe jonge mensen genieten van het weer. Het is kiezen tussen twee kwaden: zware fomo of een zwaar geweten.’

Ik probeer niet te veel te lachen op zo’n warme dag’, zegt Charlie Maté (28), die de sociale media van een groot bedrijf runt, ‘want dat is niet eerlijk voor de mensen die écht last hebben van klimaatverandering, zoals nomaden in Nigeria. Toch moest ik vandaag grinniken om een Area 51-meme op Instagram. En daar voelde ik me dan weer schuldig over. Zo blijf je piekeren.’

Bronvermelding

Een retourtje naar de maan was spannend genoeg

Gerard van Straaten, 1954.

Terwijl volwassen sciencefictionromans al vroeg de verre uithoeken van het heelal verkenden (zie Murray Leinsters First Contact uit 1945, over aliens bij de Krabnevel), bleef het toekomstverhaal voor junioren dichter bij huis. Een retourtje naar de maan was al spannend genoeg – zeker als er goud op de satelliet wordt ontdekt. En niet zo’n beetje ook, maar in hoeveelheden die een nieuwe goudkoorts veroorzaken, met alle rivaliteiten en overhaaste maanmissies van dien.

Zo’n in de ruimte geprojecteerde parabel over aardse hebzucht is Le continent du ciel van de Fransman Paul Berna, dat in 1959 bij Van Holkema & Warendorf verscheen als Om het goud van de maan. In een complot op de maanbasis Copernicus deinst de gemene kolonel Evers er niet voor terug ruimteschepen van zijn concurrenten op te blazen – gelukkig is er een 15-jarige verstekeling, de slimme Michel, die de samenzweerders net weet te overtroeven.

Rein van Looy, 1959.

Om het goud van de maan is geïllustreerd door Rein van Looy (1910-1994), de leermeester van de jonge Dick Bruna. Op de boekband, onder het papieren omslag, tekende Van Looy het silhouet van onze jonge held. Met zijn geliefde maankater Pollux in de armen kijkt hij toe hoe het ruimteschip van de verraders opstijgt van het maanoppervlak, badend in het helle zonlicht.

Fons Schouten, 1957.

Van Looy illustreerde ook A.D. Hildebrands Monus, de man van de maan, dat in 1951 begon als hoorspel voor de Vara-radio en een jaar later door Meulenhoff werd uitgegeven. Net als Paul Berna stopt Hildebrand een morele les in zijn ruimteavontuur: de gewetenloze exploitatie van de goudvoorraden op de maan stuit op het altruïsme van de maanbewoner Monus, die in een vredesmissie afreist naar de aarde en de wereldleiders zowaar tot inkeer brengt.

Gerard van Straaten, 1955.

Niet om maangoud, maar om het wondermineraal lucium draait Strijd om Astropol van het schrijversduo Koert de Haan en Pieter Nierop: ‘Wie dat het eerst beheerst, beheerst de wereld.’ Het verhaal over Astropol, een wielvormige om de aarde wentelende satellietstad, is samen met Avontuur in 2050 en Raket op drift in 1954 en 1955 bij uitgeverij Kluitman verschenen.

Gerard van Straaten, 1955.

Ook in dit drieluik ‘voor oudere jongens’ blijkt de maan bewoond te zijn: in dit geval niet door mensachtigen, maar door kleine drieogige kolonisten die afkomstig zijn van Rora Terra, oftewel Mars, en die ook hun zinnen op het lucium hebben gezet. Hun leider is de 250-jarige professor Niropodkhan, net als Monus een verlichte geest die de mensheid een paar dure lessen leert.

De illustraties voor de trilogie werden gemaakt door Gerard van Straaten (1924-2011), de oudere broer van tekenaar Peter van Straaten en de oom van schrijver en kinderboekenillustrator Harmen van Straaten. Gerard van Straaten werd vooral bekend als illustrator van de Kameleon-reeks van Hotze de Roos, over de dolle avonturen van Hielke en Sietse, een blonde tweeling op klompen in het Friese weideland.

Met de verbeelding van interplanetair snelverkeer had Van Straaten evenmin moeite, al verraden zijn omslagen onvermijdelijk meer van de dromen van 1955 dan van de toen nog verre 21ste eeuw.

Hans G. Kresse, 1945.

Bronvermelding

De tragedie die Brexit heet, leidt ook tot uitstel van Boris Johnsons boek over Shakespeare

Boris Johnson voor 10 Downing Street in Londen woensdag, kort na zijn benoeming tot premier. Beeld AFP

Het aantreden van Boris Johnson als premier van Groot-Brittannië is met gemengde gevoelens ontvangen bij Hodder & Stoughton. De Britse uitgeverij zag zich gedwongen om Johnsons boek over William Shakespeare voor onbepaalde tijd uit te stellen. Shakespeare: the Riddle of Genius, waar Johnson een voorschot van zeker een ton voor heeft gekregen, had in oktober 2016 al in de winkels moeten liggen. De shakespeareaanse tragedie die de  Brexit heet, vol ambitie en verraad, heeft alles in de war gegooid.

Onlangs maakte Hodder & Stoughton, dat veel geld heeft verdiend aan Johnsons bestseller The Churchill Factor, bekend dat het boek komend voorjaar zou uitkomen, maar ook dat blijkt nu onmogelijk te zijn. Tijdens de leiderschapscampagne had Johnson bekendgemaakt dat het boek nog in een beginstadium verkeert. Hij wil onderzoeken waarom mensen nog steeds zo dol op The Bard zijn en hoe zich dat uit. ‘Hij zoekt niet alleen naar de origine van Shakespeare’s genie’, zo omschrijft de uitgever het, ‘maar ook naar de aard van zijn genialiteit.’

Johnson heeft al eerder een essay over Shakespeare geschreven, opgenomen in Johnson’s Life of London. Daarin beschrijft hij hoe de toneelschrijver aan de wieg stond van het Londense theaterleven. Hij schetst ook het Londen van die tijd, met fraaie details, zoals de waterpomp die de Hollandse ingenieur Peter Morris op de London Bridge had geïnstalleerd. De dorst naar wetenschap, schrijft Johnson, werd gedreven door dezelfde motieven als de drang naar theater: verlangen naar lof, erkenning en winst door een groep competitieve Londenaren.

Deze vaststelling doet vermoeden dat zijn Shakespeare-boek net als de Churchill-biografie ook een beetje over Johnson zelf zal gaan. Zijn uitverkiezing tot premier heeft een voordeel: het zal ongetwijfeld leiden tot dramatische wendingen die niet zouden misstaan in de toneelstukken van Shakespeare. Waarschijnlijk zullen de gedachten van Johnson in 10 Downing Street, puzzelend met de Brexit, geregeld afdwalen naar Shakespeare’s toneelstuk over zijn held Pericles, die ten dood wordt gebracht als hij een bepaald raadsel niet oplost.

Bronvermelding

Bomen zijn voelende wezens, zeggen vele bomenboeken – dus laten we ze ook zo behandelen

Beeld Floor Rieder

Ik woon aan de rand van een bos. Van achter mijn bureau kijk ik uit op een hoge beuk met donkere, paars-bruine bladeren. Daar heb ik verder nooit veel over nagedacht: gewoon een mooie boom. Maar sinds kort weet ik dat die paarse boombladeren het resultaat zijn van een door mensen geselecteerde genetische mutatie en dat deze boom het daardoor moeilijker heeft dan zijn soortgenoten met groen blad (die nemen meer licht op). Nu heb ik een beetje medelijden met ‘mijn’ beuk.

Die gevoelens beperken zich niet tot deze boom. Als ik tegenwoordig door de stad fiets, voel ik spijt als ik grote bomen zie die in een korset van stoeptegels staan, waardoor er nauwelijks ruimte overblijft voor regenwater om door te dringen tot de wortels. Tegelijkertijd krijg ik ontzag voor bomen die onder deze omstandigheden weten te overleven.

Dat zou je een persoonlijk bewustwordingsproces kunnen noemen. Maar ik heb het idee dat ik deel uitmaak van een grotere beweging. In mei kwamen bewoners van de Achterhoek in opstand tegen de provincie, die 343 gezonde bomen langs de weg wil kappen omdat ze gevaar opleveren voor het verkeer. Eerder dit jaar brak een storm van protest los toen Staatsbosbeheer naar de smaak van wandelaars en omwonenden al te rigoureus kapte in de bossen. Op tal van plekken kwamen burgers in het geweer voor bomen – hún bomen.

Dat kappen gebeurt al jaren, maar ineens pikken we het niet meer. Kennelijk is er de laatste tijd bijna onmerkbaar iets veranderd in onze omgang met bomen. Het klimaat heeft er natuurlijk iets mee te maken – bomen slorpen CO2 op en helpen daardoor tegen de klimaatopwarming.

Maar er lijkt meer aan de hand: mensen hebben emoties bij bomen. Begin mei stond ik met een anti-kapactivist in de bossen bij Groesbeek, waar een perceel bomen was gekapt. Op het omgeploegde terrein stonden alleen nog wat stronken. Hij kreeg er tranen van in zijn ogen.

Liefde voor bomen

De liefde die mensen voelen voor bomen is het leidend thema van Tot in de hemel  (The Overstory), waarmee de Amerikaanse auteur Richard Powers in 2018 een nominatie voor de Man Booker Prize in de wacht sleepte en dit jaar de prestigieuze Pulitzerprijs won. Powers’ groots opgezette roman draait om acht hoofdpersonen wier levens op een of andere manier zijn verbonden met bomen: de een groeit ermee op, de ander valt eruit als kind (en is voor zijn leven verlamd), de volgende wordt opgevangen door een boom als hij uit een vliegtuig valt.

Vijf van hen sluiten zich aan bij een groep radicale activisten die bomen beschermen tegen kappers door zich eraan vast te ketenen. (Wie denkt dat zoiets alleen in romans gebeurt: vorig jaar was ik in het Hambacher Forst, een bos tussen Keulen en Aken, waar gemaskerde actievoerders zich in boomhutten verschansten om de laatste resten van een oeroud bos te beschermen tegen een oprukkende bruinkoolmijn. Een strijd die nog steeds gaande is.)

Het loopt niet goed af. Een van de vijf overlijdt bij een uit de hand gelopen aanslag op een boskapproject, een ander verdwijnt levenslang in de gevangenis. Er speelt nog een tragische liefdesgeschiedenis doorheen – Powers’ pogingen om alle verhaallijnen met elkaar te verknopen zijn af en toe knap ingewikkeld. Maar dat is bijzaak. In hoofdzaak is Tot in de hemel een aanklacht tegen allesvernietigende menselijke hebzucht en een ode aan de ‘schitterendste schepselen op aarde’, zoals een van de hoofdpersonen bomen noemt.

Zo heb ik bomen eerlijk gezegd nooit bekeken. Ik ben opgegroeid in een bosrijke omgeving. Als kind waren bomen speeltoestellen voor mij. Ik klom erin, maakte hutten in de takken. Ik ben er ook weleens uit gevallen – zonder verlamd te raken.

Toen ik groter werd, raakte ik dat kinderlijke contact met bomen kwijt. Als volwassene zag ik bomen vooral als ornamenten in het landschap, fijn om onderdoor te wandelen. Dat bomen onbewust meer voor me betekenden, merkte ik toen ik een tijdje in een kale nieuwbouwwijk in de polder woonde. Ik miste bomen. Kennelijk kun je ook houden van iets waarvan je bijna niets af weet.

Richard Powers: Tot in de hemel.

Net mensen

Dat was nog voordat ik Het verborgen leven van bomen las, van Peter Wohlleben. Hierin getuigt de auteur, een vriendelijke Duitse boswachter, van zijn onvoorwaardelijke liefde voor bomen. Opvallend is dat Wohlleben bomen als mensen behandelt. Hij noemt jonge bomen consequent ‘bomenkinderen’ die naar de ‘bomenschool’ gaan en liefdevol worden opgevoed door hun ouders. Stadsbomen betitelt hij treffend als ‘straatkinderen’. Volgens Wohlleben kunnen bomen pijn lijden, sluiten ze onderlinge vriendschappen, helpen ze elkaar bij aanvallen van insecten of andere dieren en zijn ze verbonden door een ondergronds netwerk van schimmels die samen een ‘wood wide web’ vormen. Zoiets als ons internet, maar dan langzamer.

Bossen, schrijft Wohlleben in kraakheldere jip-en-janneketaal, zijn meer dan een stelletje palen met bladeren. Het zijn sociale gemeenschappen van voelende wezens. Niet iedereen is even ontvankelijk voor die boodschap, heeft hij gemerkt. ‘Ik denk weleens dat we bang zijn dat we bomen en ander groen met meer respect zouden moeten behandelen als onomstotelijk zou worden vastgesteld hoezeer ze in veel opzichten op dieren lijken.’ Het boek van Wohlleben werd een internationale bestseller; in Nederland zijn er tienduizenden exemplaren van verkocht. Ook al zo’n symptoom van een veranderende tijdgeest: toen prinses Irene jaren geleden verkondigde dat ze met bomen praatte, werd ze uitgemaakt voor zweefkees.

Zonder te willen meegaan in Wohllebens vermenselijking van bomen: door zijn boek ga je anders naar bomen kijken. Ik ben ze de laatste tijd meer gaan beschouwen als wezens die op zichzelf de moeite waard zijn om aandacht aan te schenken.

Sinds kort maak ik een spelletje van het herkennen van bomen aan hun stam. Ik kan tegenwoordig de gladde bast van de beuk onderscheiden van de gegroefde schors van de eik. Die weer net even anders is dan de spiraalvormige patronen in de houten omslag van de kastanje. Vergeleken daarmee zijn de krokodilachtige schubben van de den en de gebarsten witte huid van de berk een makkie. Dat komt, weet ik van Wohlleben, doordat de berk een pionier is die sneller groeit dan zijn bast aankan; daardoor barst hij letterlijk uit zijn voegen.

Peter Wohlleben: Het verborgen leven van bomen.

Wereldwijd bomennetwerk

Wohlleben heeft veel gemeen met Patricia Westerford, de tragische heldin in Richard Powers’ bomenepos. ‘Planten Patty’ ontdekt als jonge wetenschapper bij toeval dat bomen onderling met elkaar zijn verbonden, wordt daarvoor – net als onze Irene – aanvankelijk weggehoond, maar later gerehabiliteerd als blijkt dat de wetenschap haar in het gelijk stelt.

Wat inmiddels ook in het echt is gebeurd. In een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift Nature brachten onderzoekers van de universiteiten van Zürich en het Amerikaanse Stanford onlangs het ondergrondse schimmelnetwerk in kaart van bossen overal ter wereld. Het is alsof ze een MRI-scan van de bodem hebben gemaakt, aldus Thomas Crowther, een van de onderzoekers.

Van Westerford komen ook de mooiste citaten over bomen. Zoals dit: ‘Niemand ziet bomen. We zien vruchten, we zien noten, we zien hout, we zien schaduw. We zien ornamenten of fraaie herfstbladeren. (…) We zien een vermarktbaar gewas. Maar bomen – bomen zijn onzichtbaar.’

Bomen zijn ouder dan mensen. Toen wij op aarde verschenen, waren zij er allang. Het grote verhaal van mensen en bomen is er een van verdringing. Toen de moderne mens zijn opwachting maakte, telde de aarde zes biljoen bomen. Daarvan is nu nog maar de helft over. De andere helft is verdwenen om plaats te maken voor steden, wegen en vooral landbouw: 40 procent van alle land op aarde is in gebruik als landbouwgrond.

Die afbraak van bossen gaat nog altijd door, schrijft David Haskell in Het geheime leven van bomen (2018). Vorig jaar werd wereldwijd 16 miljoen hectare bos gekapt – een oppervlakte van vier keer Nederland. De houding van mensen tegenover bomen wordt gekenmerkt door tweeslachtigheid. Haskell beschrijft de ‘woede die ontvlamt’ onder bewoners van New York als bomen moeten wijken voor stadsuitbreiding: Nederlandse toestanden. Volgens Haskell komt dat doordat de mens ten diepste verbonden is met bomen. Wat dat betreft verschillen grootstedelijke New Yorkers niet van de Waorani uit het Amazonewoud die denken dat bomen bezield zijn, schrijft Haskell. ‘Hun relatie met bomen is diep en persoonlijk.’

David Haskell: Het geheime leven van bomen.

Wezens van het bos

Die band is gesmeed in onze lange gemeenschappelijke geschiedenis, meent de Britse wetenschapsjournalist Colin Tudge in Het verborgen leven van bomen uit 2005, een vuistdik compendium over bomen op aarde (wat titels betreft is er opmerkelijk weinig variatie in bomenboeken). De eerste mensen klommen uit bomen om op de savanne te gaan leven. ‘We hebben onze eerste voorouders ver achter ons gelaten, maar we zijn nog altijd wezens van het bos.’ Dat we zulke handige armen en handen hebben, is een rechtstreeks overblijfsel uit de tijd dat we die nodig hadden om te klimmen.

Dat mensen zich verbonden voelen met bomen, is overduidelijk. Oude vertellingen en mythen zijn doorspekt met verhalen over ‘heilige’ bomen en mensen die in bomen veranderen. Philemon en Baucis ontvingen de Griekse oppergod gastvrij in hun armoedige hutje. Als dank werden ze na hun dood veranderd in een eik en een linde, zodat ze eeuwig samen konden blijven.

Tegelijkertijd laten we toe dat jaarlijks miljoenen hectare regenwoud wordt gekapt om palmolie te telen voor margarine en om soja te planten voor varkenskarbonades. Een verklaring hiervoor geven Tudge en Haskell niet, maar het moet met nabijheid te maken hebben. Het is nu eenmaal gemakkelijker een relatie te hebben met een boom in je achtertuin, dan met een kapokboom in de Amazone, die volgens Tudge zo hoog kan worden als een gebouw van tien verdiepingen en die een microkosmos op zich is.

Colin Tudge: The Secret Life of Trees.

Op dit dualisme wijst ook boswachter Wohlleben als hij de parallel trekt tussen schnitzels en hout. Als we vinden dat varkens recht hebben op een fatsoenlijk leven, dan zouden we volgens Wohlleben ook bomen ‘onnodig leed’ kunnen besparen door alleen te oogsten wat we echt nodig hebben en bossen met respect te behandelen. Dat wil zeggen: selectief kappen, zonder inzet van zware machines, zodat de structuur van het natuurlijk bos intact blijft.

Dat het voor mensen moeilijk is zich echt te verplaatsen in het leven van bomen ligt wellicht aan ons volstrekt andere besef van tijd, schrijft Wohlleben. De gemiddelde mens wordt zo’n 80 jaar oud; een boom is dan pas net in de puberteit. Bomen zijn ‘onze langzaamste tijdgenoten’, aldus Wohlleben.

Daardoor zien wij bijvoorbeeld niet dat bossen bewegen. Bij het oprukken van de gletsjers in de ijstijd trokken bossen weg naar het zuiden. Toen de gletsjers terugweken, wandelden ze weer langzaam richting noorden, een beweging die nog steeds aan de gang is, mede door de klimaatopwarming. De gemiddelde snelheid van een beukenbos, schrijft Wohlleben, is 400 meter – per jaar. 

Dat bomen nut hebben, kan niemand ontkennen. Bomen slaan koolstof op, zuiveren de lucht, leveren brandstof, bouwmateriaal en voedsel. ‘Als we de groene wereld konden begrijpen, zouden we al het voedsel dat we nodig hebben in drie lagen leren verbouwen, op eenderde van de grond die we nu nodig hebben’, zegt Patty Westerford in Tot in de hemel.  Een regelrecht pleidooi voor voedselbossen.

Heilzaam voor de geest

Maar bossen hebben nog een ander praktisch nut: ze zijn heilzaam voor de geest. Sinds ik weer bij het bos woon, maak ik een paar keer per dag een wandeling. Ik ervaar de aanwezigheid van bomen als rustgevend: ze zijn er gewoon en hoeven niets van mij. Bomen zijn voor mij het decor waartegen ik mijn gedachten de vrije loop kan laten. Als ze al met elkaar communiceren, dan stoort mij dat niet.

Volkomen onbewust blijk ik hiermee deel uit te maken van een trend die uit Japan is komen overwaaien: die van de shinrin-yoku, oftewel bosbaden. De Japanse arts en hoogleraar Qing Li heeft er een boek over geschreven met als ondertitel: ‘Hoe bomen je kunnen helpen gezond en gelukkig te worden.’ In de godsdiensten van Japan – het shintoïsme en het boeddhisme – is het bos het terrein van het goddelijke, aldus Qing Li. ‘Het is in Japan niet ongebruikelijk om mensen in het bos te zien bidden.’

Qing Li schrijft medicinale waarde toe aan bosbaden, waarvoor in Japan speciale therapiecentra bestaan. Ze verlagen de bloeddruk, verminderen stress, verhelpen depressies en geven energie. Proeven met kantoorwerkers uit Tokio hebben volgens hem aangetoond dat mensen beter en 15 procent langer slapen na een flinke boswandeling – iets wat iedereen die weleens in het bos wandelt kan beamen.

Volgens de Japanse dokter komt dat onder meer doordat bomen fytonciden afscheiden, stoffen die deel uitmaken van het afweersysteem van bomen en een heilzaam effect zouden hebben op het menselijk immuunsysteem. Ten bewijze haalt hij Amerikaans onderzoek aan waaruit zou blijken dat in staten met een hoge boomsterfte ook het sterftecijfer onder mensen hoger ligt. ‘Geen ander medicijn heeft zo’n directe invloed op je gezondheid als een wandeling in een schitterend bos’, schrijft Qing Li. ‘Is het dan gek dat Boeddha verlichting vond toen hij onder een boom zat?’

Qing Li: Shinrin-yoku – De kunst en wetenschap van het bosbaden.

Verlichting is niet waaraan ik denk als ik mijn boswandelingen maak. Waar ik weleens over pieker, is hoe bomen naar ons kijken. Zouden bomen ons zien zoals wij naar mieren kijken: druk in de weer, ogenschijnlijk zonder doel en richting? Met het verschil dat mieren voor mensen geen bedreiging zijn, maar mensen voor bomen wel? Het moet een angstaanjagend gevoel zijn om je niet te kunnen verweren tegen een man met een kettingzaag.

Daarbij schiet me een scène te binnen uit Tot in de hemel, waarin Adam, een van de hoofdpersonen, ’s nachts dronken door het park zwalkt en een dennenappel op zijn hoofd krijgt. ‘Hij kijkt omhoog, recht in de takken van een elegante eucalyptus waaruit het mysterie is neergedaald. (…) ‘Wat?’, vraagt hij aan de boom. ‘Wat?’ De boom voelt zich niet geroepen antwoord te geven.’

Misschien, suggereert Wohlleben, zeggen bomen wel iets, maar verstaan wij ze niet. Ik denk dat ik maar eens een bosbad ga nemen. En beter ga luisteren.

David Haskell: Het geheime leven van bomen (2018). Uit het Engels vertaald door Bonella van Beusekom. Meulenhoff; 320 pagina’s; € 24,99.

Qing Li: Shinrin-yoku – De kunst en wetenschap van het bosbaden (2018). Uit het Engels vertaald door Sander Brink en Marike Groot. Bruna; 303 pagina’s; 20,99 euro.

Richard Powers: Tot in de hemel (2018). Uit het Engels vertaald door Jelle Noorman. Atlas Contact; 603 pagina’s; € 29,99.

Colin Tudge: The Secret Life of Trees (2005). Penguin; 520 pagina’s; € 45,- (Nederlandse vertaling is alleen nog tweedehands te krijgen).

Peter Wohlleben: Het verborgen leven van bomen (2016). Uit het Duits vertaald door Bonella van Beusekom. Lev.; 222 pagina’s; € 20,99.

Bronvermelding

De dagboekrubriek van Erik van den Berg is ‘een raampje op een andere tijd’

Volkskrant-redacteur Erik van den Berg Beeld Io Cooman

In dubbele rijen op de planken, maar ook in stapels er bovenop en ernaast. Drie Billy-kasten heeft Erik van den Berg thuis staan, afgeladen vol met dagboeken. ‘Waarschijnlijk zijn het er meer dan duizend’, zegt hij. Als hij ’s avonds na zijn werk als eindredacteur voor media- en cultuurkatern V thuiskomt, is hij altijd nog een uur of meer aan het lezen. Op zoek naar mooie fragmenten van levens uit lang vervlogen tijden.

Zijn dagelijkse rubriek Dagboek telt niet meer dan driehonderd woorden. ‘Een raampje op een andere tijd’, noemt Van den Berg het. Het fragment speelt zich altijd af op dezelfde datum als de dag waarop de krant verschijnt, maar dan in het verleden. Ze komen uit dagboeken van onder andere politici, muzikanten, verslaggevers, archeologen, presidenten, vorsten, diplomaten, studenten, kunstenaars en prozaschrijvers.

Rubriek Dagboek in de papieren krant op 25 juli 2019 Beeld de Volkskrant

Zo verscheen er op 3 april van dit jaar een fragment in de krant uit het dagboek van de jonge hertog Louis-Philippe, later koning van Frankrijk, op rondreis in de Verenigde Staten. Op 3 april 1797 komt hij aan in Washington en ziet hij het Capitool in aanbouw; hij meent dat ‘het resultaat even fraai zal zijn als de paviljoens bij de nieuwe stadspoorten van Parijs’. Van den Berg: ‘Je zit met je neus bovenop de geschiedenis.’

Hoe begon jouw liefde voor dagboeken?

‘In 1975 zat ik op de middelbare school in de klas bij Wiebe Buddingh’, nu bekend als de vertaler van de Harry Potter-boeken. Zijn vader was dichter en schrijver C. Buddingh’. Ik kwam op een dag bij Wiebe thuis, net toen de uitgever een hele partij van zijn vaders nieuwe dagboek had afgeleverd. Er stonden stapels van die boeken op de trap. En in een mum is het avond, heette het. Buddingh’ pakte er een en zei: hier, neem maar mee.’

Van den Berg was meteen gegrepen door het dagboek, dat veel andere literaire dagboeken aanhaalde. Ook die las hij. ‘Toen begon ik al aantekeningen te maken van op welke pagina en in welk boek mooie fragmenten stonden. Deed ik er een papiertje tussen.’

Als hij in de buurt is van een goed antiquariaat duikt hij graag even naar binnen. Om de hoek bij zijn huis zit Streppel, een soort vaste leverancier. ‘Die weet van mijn rubriek af.’ De universiteitsbibliotheek van Amsterdam is ook een goede locatie voor nieuwe (oude) vondsten, maar ook online verzamelplaatsen zoals het Gutenberg-project. In plaats van al die papiertjes in boeken, houdt hij inmiddels een Worddocument bij met verwijzingen naar dagboekfragmenten, op datum natuurlijk, van 1 januari tot 31 december. ‘Dat is wel tachtig vel inmiddels.’

Hij werkt een paar weken vooruit, maar soms heeft hij een gat. Voor volgende week donderdag heeft hij nog geen geschikt fragment. ‘Dat is ook het leuke aan deze rubriek maken, dat detectivewerk, van: verdomme, ik moet iets hebben.’ De redacteur beeldt uit hoe hij naarstig door de boeken bladert. ‘Je leest dan als een kannibaal natuurlijk. Vijf augustus, waar is vijf augustus – ja! Ah nee, die is niet mooi, daar heb ik niets aan.’ Hij gebaart alsof hij het boek opzij gooit. ‘Volgende. En dan dat moment’, hij tikt met zijn vuist op tafel. ‘Opeens heb ik iets goeds.’

Wanneer is het een goed fragment?

‘Het stuk moet een kop en een staart hebben, een pointe. Dat moet elke keer goed zijn.’ Van den Berg let er ook op dat het fragment niet alleen een stukje overpeinzing van de schrijver is. ‘Dat werkt niet. Ik vind wat Sylvia Plath schrijft hartstikke mooi, maar haar heb ik nog maar één keer gebruikt. Omdat ze bijna altijd haar binnenwereld beschrijft. Dat hebben veel dagboekschrijvers, die worstelen vooral met zichzelf en dat blijft in het hoofd. Ik wil dat je iets meekrijgt van wat er in de wereld gebeurt.’

En soms ontstaat er opeens een bijzonder parallel tussen toen en nu. Zoals die keer dat hij een paar weken van tevoren een fragment had uitgezocht over een vulkaanuitbarsting in Indonesië in de 19de eeuw. Kwam die week in september 2017 het nieuws dat een vulkaan op het eiland Bali op uitbarsten stond – puur toeval. En drie weken geleden plande hij voor vrijdag 26 juli, in de week dat het bijna 75 jaar oude warmterecord in Nederland gebroken werd, een fragment van het dagboek van Duitse theatercriticus Alfred Kerr. Honderd jaar geleden vergeleek de man de hitte in Berlijn op dat moment met Dante’s Inferno. ‘Veel warmer zal het [in de hel] niet zijn geweest’, schreef de Duitser, ‘al was de lucht er vermoedelijk beter.’

Welke waarde heeft deze rubriek volgens jou voor de krant? Het is geen nieuws natuurlijk, maar geschiedenis.

‘De krant gaat helemaal over vandaag, vandaag, vandaag, en dan komt er dat kleine stukje waarin je leest over een andere tijd. Plotseling is het verre verleden – bam! – heel dichtbij. Ik wil er niet pretentieus over doen, maar het is een relativerend accent. We zijn er nu, maar we zijn er maar eventjes. Er zijn ook andere tijden geweest, met andere mensen.’

Van welke persoon zou je zelf het liefst het dagboek (ongeacht of het bestaat of niet) lezen? 

‘Grote genade. Daar heb ik nog nooit over nagedacht.’ Van den Berg denkt een moment na. ‘Doe me dan maar het particuliere dagboek van Beatrix.’ Naar zijn weten bestaat dat niet, al weet je dat nooit zeker. Koningin Victoria schreef ook dagboeken die later zijn uitgegeven. Die hield zich niet erg bezig met het reilen en zeilen in een natie of enige politieke spanning, zegt hij. ‘Bij haar staatsbezoek aan Napoleon III in Frankrijk schreef ze dat de kwaliteit van het porselein bij hun thuis toch beter was.’

De reden dat hij benieuwd is naar de dagboeken van Beatrix is wat persoonlijker. ‘Zij was intelligent, en altijd op de hoogte, dat weet ik zeker. Ik moet bekennen dat ik altijd sympathie voor haar heb gehad.’ Dat is terug te leiden naar het moment dat hij haar op tv zag bij de troonswisseling in 1980, vertelt hij met een glimlach. ‘Ik vond haar bloedmooi. Dat kan ik me nog goed herinneren. Al ben ik dan niet per se geïnteresseerd in die troonswisseling. Een normale, willekeurige dag in haar leven, dat zou ik wel willen lezen.’

Bronvermelding