Hoe Tank Man diep doordrong in ons collectieve geheugen

De Chinees die de ‘Tank Man’ zou gaan heten voor de tanks op het Plein van de Hemelse Vrede. Beeld Jeff Widener / AP

Aanstaande woensdag is het dertig jaar geleden dat de Amerikaanse fotograaf Jeff Widener zich verschanste op een balkon op de vijfde verdieping van een hotel aan het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing. Eigenlijk had hij niet willen gaan, vertelde hij in 2016 in een korte documentaire van TIME. Maar zijn opdrachtgever, Associated Press (AP), wilde graag foto’s van de dag na het bloedige neerslaan van de vreedzame studentenopstand door de Chinese autoriteiten op het plein. En toen Widener en zijn collega’s die ochtend strootjes hadden getrokken, was de kortste voor hem.

Dus daar zat de fotograaf, weggedoken op het balkon. Hij fotografeerde fietsers, uitgebrande bussen, chaos. Nog één rolletje film had hij over, toen een rij tanks het plein op kwam rijden. En ineens was daar ook een man in een wit overhemd en een zwarte broek, met boodschappentassen in zijn hand, die midden op de weg ging staan, pal voor de colonne.

‘Verdorie’, zei Widener nog, ‘die gast verpest mijn compositie.’ Wist hij veel dat hij minuten later een van de beroemdste foto’s uit de geschiedenis zou nemen. Verbijsterd keek hij naar de figuur die in zijn eentje probeerde de tanks tegen te houden en zelfs bovenop de voorste klom, voordat hij wegliep en verdween in de menigte.

Van Wideners foto’s was de meerderheid onscherp en eentje ‘acceptabel.’ Er waren vier tanks op te zien, die achter elkaar op het plein stonden, met linksonder het dappere mannetje. De fotograaf stuurde het beeld toch maar door naar AP en sloeg de volgende morgen achterover van de hoeveelheid felicitaties die hij van over de hele wereld binnen kreeg. Hoewel hij niet de enige fotograaf bleek die het moment had vastgelegd (er is ook een filmpje van), werd zijn foto internationaal opgepikt en in groten getale verspreid.

Pas jaren later besefte Widener hoe iconisch het beeld eigenlijk was. Het toonde niet alleen een uniek moment in de Chinese geschiedenis, maar was tegelijk een symbolische weergave van burgermoed, klein verzet en hoop. Bovendien bleef zijn foto altijd tot de verbeelding spreken, omdat de moedige Chinese man met de boodschappentassen, die al snel de bijnaam ‘Tank Man’ kreeg, nooit werd geïdentificeerd. Het was alsof de hele wereld had gekeken naar de actie van een geestverschijning.

Een foto is pas echt iconisch wanneer de navolging ervan eigenlijk geen nadere uitleg behoeft. Wanneer het beeld zo diep het collectieve geheugen binnendrong dat iedereen die een vergelijkbare afbeelding of situatie tegenkomt, onmiddellijk, bewust of onbewust, denkt aan die ene oerfoto. Dat is hier het geval. Dus toen de Chinese dissidente kunstenaar Badiucao vorig jaar middenin Adelaide op een sokkel ging staan, gekleed in een wit overhemd en een zwarte broek, een tas in elke hand, hoefde men niet te vragen wie of wat hij daar uitbeeldde. Daar stond Tank Man, en hij vroeg aandacht voor de voortdurende Chinese censuur.

Opblaasbare tank en Tank Man van kunstenaar Badiucao Beeld Tyrone Siu / Reuters

Dit jaar plaatste Badiucao een opblaasbare tank en dito Tank Man in de Taiwanese hoofdstad Taipei. Geen wereldschokkend kunstwerk, wel onmiddellijk herleidbaar. Het leukste eraan is de gele streep (op sommige foto’s beter te zien dan op andere). Om te voorkomen dat Tank Man weg zou vliegen (wat trouwens wel verdraaid symbolisch zou zijn), verbond Badiucao de opblaasbare onderdelen met een latje. En dat latje verfde hij geel.

Het is een verwijzing naar de bewegwijzering op het Plein van de Hemelse Vrede. Nou ja zeg, zult u denken, is die nou zo belangrijk? Zeg ik: jazeker. Proef op de som is een foto van de Poolse kunstenaar Pavel Maria Smejkal uit 2009.

Fatescapes van Pavel Maria Smejkal. Beeld Pavel Maria Smejkal

Voor de fascinerende serie Fatescapes verwijderde Smejkal de mensen uit beroemde historische foto’s, waaronder die van het Vietnamese napalm-meisje van Nick Ut uit 1972 en ook de foto van Jeff Widener uit 1989. Zit je in dat laatste geval dus te kijken naar een leeg Plein voor de Hemelse Vrede, waarop alleen de schaduwen van de bomen aan de kant te zien zijn, en de witte en gele pijlen en strepen op het asfalt. Desondanks herken je de plek meteen; blijkbaar sijpelde al die jaren ook de directe omgeving van de historische gebeurtenis je hoofd binnen.

Dankzij Widener horen die strepen voorgoed bij Tank Man. Wie weet wezen ze hem zelfs wel de weg naar veiligheid. Iconischer wordt het niet, hoor.

Bronvermelding

Dit vonden bezoekers van Fantasio van Opera Zuid

Christiane Verfuuren (37), advocaat

Ik vond het een frivole opera. Het verhaal gaat over de nar van de koning die verliefd wordt op de prinses. Er was, naast zang, gesproken tekst waardoor het goed te volgen was. Ook hebben ze het verhaal naar deze tijd weten te brengen. Ze zongen bijvoorbeeld of je even je patta’s kon aangeven in plaats van je schoenen.

Stefan Koster

Stefan Koster (32), ingenieur

Fantasio is een ander soort opera dan de standaard klassieke, tragikomische opera. Deze is meer van nu. Het was leuk dat er af en toe in een andere taal werd gezongen dan in het Frans. Er zat bijvoorbeeld een Vlaming tussen en een keer hoorden we ook ineens Russisch. Dan wordt je even op een ander been gezet, daar heb ik wel om moeten lachen.

Marian Schmitz (rechts) en Joosje Smits

Marian Schmitz (59) (rechts) en Joosje Smits (63), ‘beroepsgeheim’ en yogadocent

Marian: Ik vond de opera geweldig. Het was dynamisch doordat alle tijdvakken door elkaar liepen. De kostuums en het decor waren erg mooi.

Joosje: Het is voor mij de eerste keer dat ik naar een opera ga en ik had me niet voorgesteld dat het zo vermakelijk kon zijn. Er zitten onroerende scènes in, maar over het algemeen was de voorstelling komisch en herkenbaar.

Fantasio, Opera Zuid, t/m 30 juni in de theaters.

Bronvermelding

Ik lijd aan dyspoëzie; heb geen benul van gedichten

Bij het onvermijdelijke uitdunnen van de boekenkast stuitte ik op een dichtbundeltje van Adriaan Jaeggi met de intrigerende titel Sorry dat ik het paard en de hond heb doodgeschoten.

Ik sloeg het aarzelend open. Zoals je mensen hebt met dyslexie of dyscalculie, zo lijd ik aan dyspoëzie; de meeste gedichten die ik lees gaan het ene oog in, het andere uit, zonder dat ik ze begrijp. Het is een ziekte waar je heel oud mee kunt worden. Jaeggi is niet oud geworden. Hij kreeg kanker en is alweer meer dan 10 jaar dood.

Ik heb hem goed gekend. Hij was een leuke, geestige man met vele passies.

Het woord passie is inmiddels uitgehold en inhoudsloos geworden, vooral sinds de middenstand het zich heeft toe­geëigend; je vindt nauwelijks meer een brood dat zonder passie is gebakken, of een biet die zonder passie is gerooid, ja, loodgieters gieten hun lood tegenwoordig met passie, maar Jaeggi was een gepassioneerd man in de oude betekenis van het woord.

Schrijven, koken, zwemmen en trombone spelen deed hij allemaal met evenveel vreugd en toewijding. Als zijn toen nog kleine dochtertjes om een boterhammetje vroegen dan haastte hij zich naar het fornuis en rustte niet voor de schaapjes achter een copieuze maaltijd zaten, en alle toevallige gasten (die waren er zowat altijd) met hen.

Hij had het dichtbundeltje gesigneerd en er een zinnetje bij geschreven: ‘Zet dat gebraad eens aan!’ Ja, onze vriendschap was vooral gestoeld op een wederzijdse liefde voor eten. Van dat zwemmen had niemand last, maar met zijn trombone-liefde pestte ik hem gedurig, want dat blijft toch een instrument dat voor terloopse diner-begeleiding minder geschikt is, maar ik gunde hem zijn ‘toeter’ graag.

Ontroerd bladerde ik door het bundeltje. De meeste dichtbundels worden uitsluitend verkocht – in dertigvoud – aan de moeder van de auteur, maar deze was wel een bescheiden succesje, indertijd. Ik las het gedicht ‘Wolfgang en ik’:

Ik hoor dat Mozart
is teruggekeerd op aarde
en ik mag hem rondleiden
Hij schrikt van de auto’s

Op straat loopt hij
met zijn handen op zijn oren
We gaan een café in
ik zeg daar is het stiller’

We hebben geen geluk
de jukebox gilt en de mensen
Mozart kijkt om zich heen
Waar zit dat orkest

In die kast, wijs ik
en leg hem in tien woorden
het principe van de cd
en de laserstraal uit

Er komt een meisje naar ons toe
Wie is je vriend, vraagt ze
Wolfgang, dit is
hoe heet je eigenlijk

Een paar uur later bij haar thuis
sta ik dorstig op van het bed

in de keuken staat Mozart
het licht aan en uit te knippen

Ik heb dus, nogmaals, geen benul van poëzie, maar dit vind ik een erg fijn gedicht. Ach ja, bedacht ik, Jaeggi was ook nog stadsdichter, indertijd. In die functie schreef hij onder andere gedichten bij de begrafenis van mensen die eenzaam ­gestorven waren, zonder nabestaanden.

Jaeggi heeft wél nabestaanden. Zijn dochters, bijvoorbeeld, over wie hij ooit, na een mooie zomer, de prachtige zin schreef: ‘Ik zwom elke dag met mijn dochters, die in de tussentijd lange benen hadden gekregen’.

Die benen van zijn dochters zijn ­inmiddels nog véél langer geworden.

Hij zou ze eens moeten zien. Wat zou ik daar graag bij zijn.

Bronvermelding

Sommige journalisten lijken te denken dat er neutrale vragen bestaan

Op internet zag ik een presentatie van Once Upon a Time in Hollywood, de nieuwe film van Quentin Tarantino. Voor een haag pers, op een rijtje achter een tafel, zaten de acteurs Brad Pitt, Leonardo DiCaprio, Margot Robbie en de filmmaker. Een journaliste stelde dat Robbie een geweldig actrice is, en ze vroeg: Hoe komt het dat u haar niettemin maar een kleine rol hebt gegeven, met maar heel weinig tekst?

Het was niet zomaar een vraag. Sommige journalisten lijken weleens te denken dat er neutrale vragen bestaan, vrij van alles, context, toekomst en verleden, die niets meer betekenen dan wat letterlijk is uitgesproken. Dit hebben ze gemeen met kinderen. Ik stel alleen maar een vraag! Ik mag toch wel gewoon een vráág stellen?!

Zoals een kop in De Telegraaf: ‘Minister ligt onder vuur’, meestal gewoon betekent: ‘Hierbij leggen wij de minister onder vuur’, zo betekende de vraag aan Tarantino: ‘Vindt u het goed dat wij uw nieuwe film, waaraan u jaren op de toppen van uw kunnen hebt gewerkt, voorgoed in verband brengen met het #MeToo-debat?

Als je door een ideologische bril naar kunstwerken kijkt en ze vervolgens probeert te interpreteren, gebeuren er altijd ongelukken. Dan zie je een oproep tot nationalisme, vrouwen- en vreemdelingenhaat in Serotonine, de nieuwe roman van Michel Houellebecq, zoals Thierry Baudet onlangs overkwam. Terwijl de schrijver misschien wel wil laten zien wat er met je gebeurt als je de schuld van je verdriet aan anderen geeft. Of zie je, zoals de journaliste, in de toekenning van een van de meest felbegeerde minor parts van Hollywood een teken van vrouwenonderdrukking.

Tarantino boog zich naar de microfoon en zei: ‘I reject your hypothesis.’ Daarna ging hij weer rechtop zitten. Op internet zag ik later dat vrouwelijke journalisten dit antwoord enigszins triomfantelijk hebben begroet. Moest je toch eens kijken, schreven ze, hoe geborneerd die Tarantino erbij zat. Nu wist-ie opeens niks meer te zeggen, hè?

Ik ben een man, dat is een voorbehoud dat we zullen moeten maken, maar ik vond zijn reactie goed. Uitstekend. Ik verwerp je hypothese. Ik laat je er mooi alleen mee staan. Deze bal vang ik niet op, want die komt bij menselijke aanraking meteen tot ontploffing.

Hij hield zich ternauwernood in, meende ik althans te zien, schuivend op zijn stoel, kauwend op zijn kiezen. Alle zin en tijd en alle argumenten om de vloer met de journaliste aan te vegen, alle frustratie er in één keer uit te gooien. Maar hij deed het niet, want hij wist: één woord is rook, één boos woord is vuur en de perslawines bedelven de nieuwe film tot er niets meer van te zien is. Hij zweeg om zijn film te redden, en wie weet zelfs het #MeToo-debat, dat echt is, met echte slachtoffers.

 Ik ben Tarantino niet, gelukkig maar, ik had Uma Thurman op de journaliste afgestuurd.

Bronvermelding

Sonja Bakker met een nieuw dieetboek en een concurrent dat wél hout snijdt in de bestsellerlijsten

Het blijft een fascinerend fenomeen: Sonja Bakker. De gewichtsconsulent uit Avenhorn die sinds 2005 aan de lopende band dieetboeken uitbrengt, met twijfelachtige adviezen en recepten die die naam niet waardig zijn. Aan wie maatschappelijke ontwikkelingen (een beetje minder vlees eten, bijvoorbeeld) en wetenschappelijke inzichten volledig voorbijgaan. Die haar boeken op kleur sorteert (getuige de foto’s op haar website). Maar wier Summerproof met Sonja dan toch gewoon weer op 1 staat in de CPNB Bestseller 60, en op 3 in de Volkskrant Boeken-toptien – want na al die winterse stampotten, aldus Sonja, is de hamvraag natuurlijk: ‘Past mijn bikini nog?’

Voor mensen die zich niet afvragen of, maar waarom hun bikini, zwembroek, badpak of boerkini al dan niet past – en kennis is macht, mensen – is er een boek dat wél hout snijdt: VET belangrijk (op 10 in de VK-toptien, op 49 in de Bestseller 60), waarin Mariëtte Boon (een op bruin vet gepromoveerde ­internist) en Liesbeth van Rossum (professor en ­internationaal expert op het gebied van obesitas en stresshormonen) de feiten, fabels en vooroordelen over vet bespreken, en de factoren behandelen die van invloed zijn op (over)gewicht.

En voor de kinderen van de ouders die zich af­vragen waarom (etcetera) is er Professor S. en de verslaafde koning (op 4 in de Bestseller 60, op 7 in de VK-top-10). In de eerste plaats een spannend verhaal over een land dat Breinstein heet en geregeerd wordt (of eigenlijk juist niet meer) door een gameverslaafde koning, maar daarnaast een boek over de werking van de hersenen – en hoe, onder andere, obesitas daarmee samenhangt. 

De Volkskrant Boekenraad Toptien

1Rob van Essen: De goede zoon; Atlas Contact

2Ilja Leonard Pfeijffer: Grand Hotel EuropaDe Arbeiderspers

3Sonja Bakker: Summerproof met SonjaDe Zonnestraal

4Ad ten Bosch: De IJssel stroomt feller dan de Amstel; Van Oorschot

5Lis Bartholomeusdochter: En nu vooruit; Leessst

6Peter Buwalda: Otmars zonen; De Bezige Bij

7Erik Scherder, Fred Diks en Mariëlla van de Beek: Professor S. en de verslaafde koning; Volt

8Thomas Olde Heuvelt: Echo; Luitingh-Sijthoff

9Lodewijk Asscher: Opstaan in het Lloyd Hotel; Podium

10Mariëtte Boon en Liesbeth van Rossum: Vet belangrijk; Ambo Anthos

De boekentip van Ronnie Terpstra (boekhandel Van der Velde): Albert Cossery, Grote dieven kleine dieven

Ronnie Terpstra van boekhandel Van der Velde, Leeuwarden Beeld Renate Beense

Zoals de mensenmenigte uit de eerste zin van dit boek zich door de straten van Caïro beweegt, als een onbegrensd organisme, zo komt de tekst van dit verhaal bij de lezer naar binnen: overweldigend, dwingend, wild. Alsof een beest je hoofd binnendringt en daar 113 bladzijden lang blijft rondfladderen. Woorden kunnen bedwelmen, een roes veroorzaken, en dat is precies waar Cossery op uit is. Zijn proza slaat een gat in de tijd en verkwikt. Zonder recept verkrijgbaar.

Met dank aan: Gianotten Mutsaers Tilburg, Van Someren & Ten Bosch Zutphen, Van der Velde Leeuwarden, De Tribune Maastricht, De Bilthovense Boekhandel, Bol.com, Donner Rotterdam, Boekhandel Plukker Schagen, Over het Water Amsterdam

Bronvermelding

Naomi Wolf maakte geen lullig vergissinkje, maar een enorme fout

Naomi Wolf Beeld Getty Images

Je bent een beroemde Amerikaanse schrijfster, bedenkt een onderwerp voor een nieuw boek, staat elke ochtend om half zeven op om onderzoek te doen en de boel uit te tikken en na een paar jaar is het eindelijk klaar en breken de blije weken van de boekpromotie aan. Interviewtje hier, optredentje daar, gezellig naar een radioprogramma van de BBC waar je ondervraagd zal worden door een zekere Matthew Sweet – schattige naam, denk je nog. Je begint enthousiast te vertellen maar na een paar minuten onderbreekt Sweet je, op verontschuldigende toon en in keurig Brits-Engels: I don’t think you’re right about this’. En hij wijst je op een fout. Geen lullig vergissinkje dat in de volgende druk kan worden rechtgezet, maar een enorme fout; eentje die het fundament onder je boek vandaan trekt.

Het overkwam Naomi Wolf (niet te verwarren met Naomi Klein van No Logo; Naomi Wolf werd begin jaren negentig beroemd met het nog immer actuele The Beauty Myth, over moderne vrouwen die belachelijke schoonheidsidealen nastreven en daarmee in net zo’n knellend keurslijf zijn beland als hun onderdrukte zusters in de afgelopen eeuwen). Deze week verscheen Outrages: Sex, Censorship, and the Criminalization of Love. Onderwerp is het effect van de ‘Obscene Publications Act’ van 1857 op het werk van homoseksuele Victoriaanse dichters als John Addington Symonds. Wolf had in oude rechtbankverslagen bewijzen gevonden van tientallen executies van homoseksuelen en beschrijft in haar boek onder meer het schokkende geval van Thomas Silver, geëxecuteerd in 1859, nog maar 14 jaar oud.

Alleen wás Thomas Silver helemaal niet geëxecuteerd, zei Matthew Sweet in het live interview. En die tientallen andere mannen evenmin. Wolf had helaas het juridische begrip ‘death recorded’ verkeerd begrepen. ‘Death recorded doesn’t mean that he was executed’, legde Sweet vriendelijk uit; het betekent dat de rechter zich onthield van het uitspreken van een doodvonnis. ‘In werkelijkheid bestaat er geen bewijs dat ook maar één man in het Victoriaanse Engeland wegens sodomie is geëxecuteerd.’

Daar ga je dan, met je verse boek. Wat te doen? Je zou kunnen roepen dat een boek ook ondanks aantoonbare fouten best een succes kan worden; zie de Bijbel of het werk van Rian van Rijbroek. Je kunt onder je bed gaan liggen met een papieren zak over je hoofd. Maar Wolf bedankte Sweet hartelijk voor zijn correcties, eerst live en daarna op Twitter. Wolfs uitgever Houghton Mifflin Harcourt verklaarde intussen snel dat, hoeveel professionele redacteuren en correctoren en meelezers ze ook in dienst hebben, uiteindelijk elke schrijver zelf verantwoordelijk is voor wat hij of zij beweert. Zo’n uitgever, bedacht ik, zou je op zijn Victoriaans executeren.  

Bronvermelding

Met Frank Lammers op zoek naar de lieve kant van de boef

Frank Lammers in Cafe Frankendael Amsterdam. Beeld Ivo van der Bent

Eerst is er de imponerende kop, die iets wegheeft van zo’n rechtbankkarikatuur van een verdachte. En we mogen gerust van ‘kop’ spreken, vindt ook de bezitter ervan: Frank ­Albertus Petrus Maria Lammers, geboren te Mierlo. Als de 47-jarige acteur zelf naar de serie Undercover kijkt, waarin hij een van de hoofdrollen speelt als de Brabantse drugsbaron Ferry Bouman, valt het hem ook op: zijn hoofd en lijf lijken forser dan normaal. ‘Wel maf, ja.’

Al vanaf het eerste moment waarop Bouman zich meldt in de Nederlands-Vlaamse misdaadserie Undercover (nu te zien op Netflix), bozig blaffend in plat Eind­hovens (‘stotter ik of wa?’), is er geen Lammers meer. Vanaf aflevering 1 toont de Brabander zich, op zijn manier, een redelijk mens, ook al wrikt hij zonder pardon een schroevendraaier in iemands bovenlichaam. ‘Veel mensen die boeven spelen, die spelen een boef’, luidt de analyse van Lammers. ‘En dat vind ik niet zo interessant. Ik probeer juist te zoeken naar de lieve kant van zo iemand, of naar z’n rechtvaardigheidsgevoel. Ferry heeft z’n goede kanten. Je moet alleen wel doen wat hij zegt.’

We kunnen hier Janus van W. noemen. Dat is de echte drugsbaron, wiens politiezaak als ­inspiratiebron diende voor de serie. De schatrijke Janus, die in het Limburgse grensgebied jarenlang een xtc-imperium ­bestierde vanuit zijn chalet op ­vakantiepark Parelstrand (6,4 op Zoover), werd gepakt door twee undercoveragenten die zich voordeden als koppel. Precies zoals in Undercover. Maar Lammers modelleerde zijn Ferry Bouman bewust níét naar Janus.

De kiem voor zijn vertolking werd eerder gelegd, toen de acteur zich voorbereidde op zijn rol als kickboxer en lijfwacht Adri in De dominee (2004), de op het leven van hasjhandelaar Klaas Bruinsma gebaseerde speelfilm. Toen ging Lammers in de gevangenis op bezoek bij een echte harde jongen uit het ­milieu, om wat kennis op te doen. Die man, jarenlang gestraft, had het over ‘eerlijkheid’. Dat is toch grappig, dacht Lammers: ik zit hier tegenover een veroordeeld crimineel die voortdurend benadrukt dat je ‘eerlijk’ moet zijn tegen elkaar. Toen hij vroeg hoe dat precies zat, griste de man Lammers’ blikje van tafel. ‘Ik pak jouw cola af, wat doe je dan?’ ‘Ga ik een nieuwe halen’, zei de acteur. ‘Nee’, zei de man, ‘dit ­colaatje is anderhalf miljoen, wat doe je dan?’ ‘Als jij sterker bent of zo, dan heb ik pech gehad’, antwoordde Lammers. Nou, dat kon er niet in, bij die crimineel. Dat Lammers het daarbij zou laten, dat bestond niet in zijn wereld.

En zo manoeuvreert de acteur zich bij voorkeur in een rol: door middel van dat ene ­detail, of die ene karaktertrek. Bij het zee-epos Michiel de ­Ruyter (2015) bijvoorbeeld (Lammers: ‘Volgens sommige mensen ook een grote boef’) was er dat schilderij in het Rijksmuseum. ‘Ik meende daarop te zien dat De Ruyter het poseren echt volslagen ruk vond, dát was het vertrekpunt voor die rol.’

Frank Lammers in Cafe Frankendael Amsterdam. Beeld Ivo van der Bent

Jumbo, de supermarktketen waarvoor hij sinds jaar en dag in commercials optreedt als ­familieman, waarschuwde hij voorafgaand: het normale acteren gaat altijd voor. ‘Als ik een seriemoordenaar moet spelen, doe ik gewoon een seriemoordenaar.’ Hij is publiek bezit geworden. Oud-premier Dries van Agt complimenteerde hem zelfs, toen ze elkaar tegenkwamen. Lammers, met Van Agts dictie: ‘Datgene wat jij betekent voor het begrip familie in ­Nederland is onbetaalbaar.’

Tja: in series en films speelt hij vaak donkere, louche (maar niet eenduidig slechte) mensen. De reeks begon eind jaren negentig met een aflevering van Baantjer (‘De Cock en de vermoorde onschuld’), waarin hij zijn entree maakt als Joegoslavisch lijk. In 2002 speelde hij een van zijn beste vroege rollen als de voor het internationale hof berechte (fictieve) Bosnisch-Servische sergeant Darko Bokan in De ­enclave. Die voor een Emmy genomineerde miniserie van regisseur Willem van de Sande Bakhuyzen is nog altijd de beste Nederlandse dramatisering van de val van Srebrenica en de rol van Dutchbat, maar werd door veel te weinig mensen bekeken. Het zit Lammers nog steeds dwars: ‘Vijftienduizend kijkers, op primetime! Wat zegt dat over de Nederlander?’

Zo komen we bij Rundskop, de voor een Oscar genomineerde Belgische hormonenmaffia-dreun van Michaël R. Roskam uit 2011, met Lammers als foute veearts. Steven Spielberg sprak lovend over de film, die hij in Los Angeles zag met Martin Scorsese. In Nederland meldden zich slechts achtduizend belangstellenden in de bioscoop. ‘Blijkbaar hebben we er moeite mee, dat duistere, het zwart. Ik merkte dat ook bij het Nederlands Filmfonds, bij mijn eigen film.’ Lammers debuteerde als regisseur met Of ik gek ben, een drama over een man in een tbs-kliniek. ‘Goh, het is wel héél gewelddadig, zeiden ze bij het fonds. M’n broek zakte ervan af. De smaak van het Filmfonds, dat is een probleem, hoor. Het is precies waarom er in België spannende films worden gemaakt en bij ons niet.’

Undercover is geschreven en geregisseerd door Belgen, maar kent wel een royale Nederlandse cast, met naast die van Lammers ook hoofdrollen voor Elise Schaap en Anna Drijver. Lammers steekt makkelijk de loftrompet over de Belg: ‘Ik heb altijd het gevoel dat de Belgen cultuur meer waarderen. Wij hebben Frans Bauer, zij hebben Deus. Met Undercover hadden we ook beduidend meer draaidagen dan gebruikelijk in Nederland, ook al vóór Netflix erbij kwam.’

Betaalzender Netflix haakte aan toen de opnamen al waren begonnen: plots was er meer geld, konden enkele minder gelukte scènes nog eens worden overgedaan. ‘Mijn scènes waren natuurlijk allemaal al meteen goed, die hoefden niet over. Een grapje, hè. Dat moet je er tegenwoordig bij zeggen, anders staat het zo in de krant.’ Met de stem van xtc-baron Ferry: ‘’k Wit waor ge woont, jonge.’

Undercover is vanwege de variatie aan accenten nog best moeilijk te volgen zonder ondertiteling. Sommige kijkers klaagden erover op sociale media. ‘Snap ik niet. Die lui kijken vast ook geen Koreaanse films, gok ik. Zo práten de mensen gewoon echt in het zuiden. Ik versta dat ja, maar Anna en Elise verstonden er vaak geen moer van. Nou, dan zet je de ondertitels aan, ik zie het probleem niet.’

Frank Lammers in Cafe Frankendael Amsterdam. Beeld Ivo van der Bent

Bronvermelding

Waarom de kleur paars de strijdkleur voor het feminisme is

Wie denkt dat kleren irrelevant zijn heeft een beetje gelijk natuurlijk, want een mens kan zich prima door het leven slaan met grote onverschilligheid ten opzichte van z’n garderobe. Maar dat het tegenovergestelde ook geldt maakt onder meer de kleur paars duidelijk. Vorm, materiaal en kleur vertellen allemaal wel iets over je en zo zijn we toch een beetje wat we dragen. Neem dus paars. De roman The Color Purple – advies: elk decennium nog een keertje lezen – uit 1982 van Alice Walker laat in twee scènes zien hoeveel gewicht de kleur heeft. De eerste, wanneer de verwaarloosde en misbruikte hoofdpersoon Celie voor het eerst in haar leven zelf een jurk mag kiezen en de tweede als een manier om God pissig te krijgen. Celie kiest uiteraard een paarse jurk, ook handig voor titelverklarende scholieren bij een mondeling examen, en zegt erbij dat de vrouw die ze bewondert, Shug, die zou hebben gekozen. ‘Zij is een koningin, zij zou paars hebben gekozen.’ Paars als de kleur van onafhankelijkheid en vrijheid, als koninklijke kleur. Later zegt deze Shug tegen Celie dat God net zo goed behaagd wil worden door ons als dat Hij wil dat wij Hem behagen: ‘I think it pisses God off if you walk by the color purple in a field somewhere and don’t notice it.’ Paars als de kleur van een waardevol juweel, dat het verdient gezien te worden door wie opmerkzaam genoeg is.

Detail uit ‘Portret van Frederika Wilhelmina Broese van Groenou’, 1896.

Alice Walker koos het niet voor niets. Die onafhankelijke, feministische lading van de kleur paars was toen al bijna een eeuw oud. Kijk maar naar deze vrouw, Mien. In haar houding en blik een verraderlijke combinatie van teer en onverschillig, als een perfecte Insta-foto, en volgens de laatste mode gekleed. Met grote pofmouwen, een superstrakke taille, hoge hals, in een paarsbruine satijnen jurk met paarse taille en kraag. Paars was de kleur in de Victoriaanse tijd, eind 19de eeuw, en verspreidde zich vanuit Engeland, sinds de verfstof makkelijker te maken was door de uitvinding van mauveïne in 1856. In dezelfde tijd ontstond de vrouwenbeweging, en die eigende zich paars toe als strijdkleur, samen met wit en groen. Het stond ook toen voor vrijheid en waardigheid van de vrouw, ‘de perfecte combinatie van de kalme stabiliteit van blauw en de felle energie van rood’.

Misschien heeft u een beeld van die eerste feministen, of juist helemaal niet, ik had dat wel. In het Groninger Museum kon ik dat beeld bijstellen. In één zaal in de tentoonstelling Strijd! 100 jaar vrouwenkiesrecht kun je de meeste van hen nu aankijken. Mooie, stevige vrouwen die alles wat nu voor velen van ons vanzelfsprekend is, hebben mogelijk gemaakt. Studeren, meebeslissen, een vak uitoefenen, stemmen, regeren. En wat opvalt: ze zijn allemaal modieus. Mode was een wapen in de strijd van de ‘suffragisten’.

Mien van Wulfften Palthe – Broese van Groenou (Mien Palthe-Broese) is hier nog jong en in alle eerlijkheid; hoewel het paars toen al een strijdkleur was, was ze op dit moment nog niet actief betrokken bij de politieke zaak. Ze zou het heel ver schoppen als activiste voor kiesrecht en vrede. In het online lexicon van Nederlandse vrouwen lees ik dat ze werd aangemoedigd door een vader die haar en haar zus stimuleerde te studeren, toen er nog nauwelijks vrouwen studeerden. Wat ze als geen ander laat zien is dat deze vrouwen hun strijdvaardigheid toonden door juist vrouwelijk gekleed te gaan. Een discussie die nu na anderhalve eeuw nog steeds leeft; moet de onafhankelijke vrouw zich voegen naar een op de mannelijke blik gemodelleerd vrouwbeeld, of er juist mee breken? De suffragisten, en de radicalere ‘suffragettes’, kozen een modus die veel hedendaagse feministen ook kiezen: hun vrouwelijkheid ontdoen van onderdanigheid en uitdragen als hún eigendom. Kleren maken de vrouw.

Volg Wieteke van Zeil op ­Instagram: @artpophistory

Floris Arntzenius, ‘Portret van Frederika Wilhelmina Broese van Groenou’, 1896

Olieverf op doek116 x 80 cm

Privécollectie

Te zien in de tentoonstelling Strijd! 100 jaar vrouwenkiesrecht in het Groninger Museum t/m 15 september.

Bronvermelding

Alle Rembrandts in het Rijksmuseum

2019 is het jaar van Rembrandt van Rijn en Alle Rembrandts biedt nog heel even de kans om de virtuoos beter te leren kennen in een tentoonstelling over zijn mijlpalen als beginnend kunstenaar, zijn sociale omgeving en zijn aanleg om de kern van een verhaal te raken.

Hans den Hertog Jager spreekt in NRC over ‘de menselijkheid van Rembrandt als leidraad van de tentoonstelling. Oprecht. Gevoelig. Een mensch.’

Volkskrant-recensent Stefan Kuiper prijst ‘het klievend oog van Rembrandt. Hij zag de wereld-achter-de-wereld.’

Alle Rembrandts, nog t/m 10 juni, Rijksmuseum in Amsterdam.

Bronvermelding

Niet alle dichters werpen een nieuw licht op de dingen, ziet Arjan Peters

Beeld Getty, bewerking Studio V

Geen bezwaar tegen een actueel gedicht, met verwijzingen naar nieuwsberichten. Alles kan immers onderwerp zijn. In de ‘Ode aan de ING vorm’ van Peter Theunynck, dat hij bundelde in Tijdrijder (Wereldbibliotheek; € 20,99), moeten een zekere bank en een bepaalde president het ontgelden:

‘Vermarketing, verdonalding,
verslaving en versluiering,
verblinding en verbastering,

Verdierlijking, verdoezeling,
verharding en verhuftering’ 

– maar wacht eens, gaat dit zo door? Even over paar ingen springen, naar het slot:

‘Verruwing en vernedering,
verkilling en verkleutering,
o de verduistering van de verlichting.’

Hier gaan we niet voor applaudisseren. De laatste regel had een uitsmijter moeten zijn, om het eendimensionale geklaag nog enigszins draaglijk te maken. Maar het werd een sisser. Een woordgrap. Moet ik nog meer zeggen?

Misschien dit: zojuist verscheen de bundel Lapis lazuli (Avalon Pers; € 35,-) met enkele glasheldere nagelaten gedichten van Lela Zeckovic (1936-2018), de Kroatische vrouw van de dichter Hans Faverey. Vanaf 1960 woonde ze met hem in Amsterdam, tot zijn dood in 1990.

Zij dicht dit:

‘Het allermooiste in alles wat gebeurt
is de mensenhand die het licht
aan- en uit doet,
een zin op papier zet,
de Italiaanse glacéhandschoenen
aanraakt en verfrommelt,
en blijft ondanks alles

door de poriën ademen,
zelfs wanneer achteloos gelegd
op het vlak van de tafel.’

Het werkwoord ‘blijft’ is naar voren gehaald en krijgt daardoor nadruk. Deze versregels zijn kalm en laten je een moment anders kijken, naar het licht en naar je hand.

Daar was ze goed in, aparte zinnetjes. In haar enige andere dichtbundel, Belvédère (1981), las ik ooit:

‘Zij huilt prachtig, als regen,
als een ouderwetse ansichtkaart’

En dat is inderdaad prachtig. Lela Zeckovic leefde na de dood van Faverey in Zagreb en Triëst, waar ze stierf in 2018. Haar gedicht ‘Tijd baart rozen’ stond twintig jaar geleden in tijdschrift De Revisor. Postuum is het eindelijk gebundeld. Rijkelijk laat wellicht, maar ook een troostrijk gegeven; zelfs in het definitieve donker kan iemand het licht weer aandoen.

Bronvermelding