Stertrompettist Ado Broodboom overleden – lees dit interview met hem uit 2017 terug

Stertrompettist uit de jaren vijftig, Ado Broodboom, is donderdag 18 juli 2019 op 96-jarige leeftijd overleden. Dat hebben zijn zoon Roy Broodboom en zijn biograaf Bert Vuijsje bekendgemaakt. In 2017 sprak verslaggever John Schoorl nog met hem. Lees het interview hier terug: ‘Dat is toch algemeen bekend: een trompet is een zij’

Hij is 94 en vond het tijd voor een boek dat niet om de hete brij heen draait. Dus schreven de stertrompettist uit de jaren vijftig en jazz-biograaf Bert Vuijsje over Ado Broodbooms liefde voor de trompet. Of, nou ja: ‘Ik haatte dat ding.’

Val maar gewoon binnen met z’n achternaam, Broodboom. Dan komt zijn voornaam, Ado, later aan de beurt. Die achternaam, daar kon je niet omheen, in zijn goeie tijd. Dan wisten mensen niks van jazz, of dat hij ooit ’s lands beste trompettist was, maar Ado Broodboom als zodanig werd nooit vergeten.

Nu zit de 94-jarige Amsterdammer in zijn gemakkelijke stoel in zijn flatje te vertellen dat hij altijd een ijdele kerel is geweest en dat die naam hem daarbij heeft geholpen. ‘Ik sta graag in de belangstelling’, zegt hij. ‘Mijn moeder vond dat ik beroemd moest worden, als muzikant. Dat is niet gebeurd, maar overbekend ben ik zeker, ook door die opvallende naam.’

Zeg Ado – dat had hij gezegd, zeg maar Ado – je was toch ook een goeie blazer? Stersolist van The Ramblers, mede-oprichter van Boy’s Big Band. Niet voor niks werd je drie jaar op rij door het Nederlandse jazzblad Rhythm uitgeroepen tot de beste trompettist. Amerikaanse jazzcats als Lucky Thompson en Herbie Mann wilden vooral jou hebben!

Welnee, antwoordt hij met lichte stemverheffing, alsof hij het toch zelf echt beter kan beoordelen. ‘Ik was eenoog in het land der blinden, zoveel goeie Nederlandse trompettisten had je helemaal niet in de jaren vijftig. Ik vond mezelf geen goeie trompettist. Ik haatte dat ding, vooral als het niet ging. Dan was het een martelwerktuig. Het gaat om de embouchure, dus hoe je met je lippen op het mondhoek perst. Dat is de hoofdzaak. Daar moet je op gebouwd zijn. Ik was daar niet op gebouwd, maar ik heb het wel lang volgehouden.’

Een echte blazer moet er volgens Ado uitzien als een Italiaanse heldentenor mét vooruitstekende kaak. Eentje die zich schrap zet en de boel ruwweg omver toetert, met power, weet je wel. Zo’n bikkel was hij niet, op het koper. Hij moest het hebben van soepele, emotionele stijl. ‘Op het moment zelf moest je alles geven wat je in huis had. Veel ging op gehoor. Hoe die akkoorden heetten, wist ik niet, maar ik voelde het. Een emotioneel mens ben ik altijd geweest. Ja, dat heb ik mooi gezegd, ik zeg wel meer mooi, zo eigenwijs ben ik.’

Tekst gaat verder onder het filmpje.

Wessel de hipster

Eind jaren veertig speelde Ado Broodboom met Wessel Ilcken (1923-1957) in nachtclubs in Tanger, Oran en Algiers. Deze legendarische drummer (en de eerste echtgenoot van zangeres Rita Reys) ontdekte daar de marihuana en nam ‘het ruwe spul’ mee in een grote trom naar Amsterdam. Ado noemde Wessel ‘een soort hipster’ met zijn tweekleurige jasjes en z’n kleine sik. ‘Wes heeft mij de grote lift gegeven.’

Adonis Broodboom

Dat tegendraadse, dat moet-ie wel van zijn moeder Alida hebben. Stel je toch eens voor dat je honderd jaar geleden tegen een zwarte man aanliep en met hem ging trouwen. Zebedëus ‘Joop’ Broodboom, voormalig opzichter van een leprozenkamp in Suriname, was de gelukkige. Een weduwnaar, die op z’n 50ste naar Nederland was gekomen, en viel voor de jonge weduwe Alida.

De zoon die ervan kwam, diende vernoemd te worden naar Adonis Broodboom, een voorvaderlijke Surinaamse slaaf – maar Alida stribbelde tegen. Toen ze op een dag de ‘Adonius’ de Amsterdamse haven binnen zag varen, kon ze er haar eigen draai aan geven: Adonius ‘Ado’ Broodboom ging ’t manneke heten.

Beeld Frank Ruiter

Hoe dat dan ging, in die jaren hè, want keer op keer kwam hij huilend thuis van school, de kleine Ado. Was-ie weer uitgescholden voor neger – hij blijft het een rottig woord vinden. Z’n halfbroer zei: joh, je moet terugvechten. Dat heeft hij dus maar gedaan en toen was het klaar, nooit meer een probleem gehad.

Daar komt nog bij: hij voelde in het geheel geen verwantschap met het donkergetinte in zichzelf. Zijn vader ging dood toen hij 2 was, dus je kunt wel zeggen dat hij volkomen Nederlands is opgevoed ‘met Liga-koeken en klompen’. Toen hij in de jaren veertig en vijftig met Surinaamse muzikanten ging spelen als de legendarische jazzo’s Kid Dynamite en Teddy Cotton, zag hij zich als een buitenstaander. Van hun takitaki-taal verstond hij geen woord en jazz spelen konden ze ook al niet – ja, hij zegt het maar zoals het is.

Zo zag hij het ook met het boek dat nu verschenen is, Ado Broodboom trompet van jazzauteur Bert Vuijsje. Het moest een eerlijk boek worden en niet om de hete brij heen draaien, over wat hij allemaal heeft uitgehaald als beroepsmuzikant, veertig jaar lang. Op z’n 90ste stond dat voor hem vast, nadat hij een zware operatie had overleefd: nu gaat-ie niks meer verhullen, weg met de geheimen.

Zweedse meisjes

Dus zegt hij resoluut: ‘Ik heb geen spijt gehad van die Zweedse meisjes.’ Daarmee doelt de 94-jarige op zijn toernee door Zweden in 1953 met het Kid Dynamite Negerorkester. ‘Ik had de Zweedse meisjes voor het uitzoeken, ze liepen achter ons aan. De één was nog mooier dan de ander. We hoefden alleen maar een keuze te maken. Voordat we speelden, had ik er al eentje te pakken. Die meisjes dachten dat we heel bekend waren.

‘Het waren de geboortejaren van de groupies, moet je weten, en die Zweedse meisjes waren nogal losjes in de omgang. Ik had alleen geen smoezen moeten verzinnen tegen mijn vrouw. Want ja, opeens lagen de bewijzen op de grond. Ik vroeg namelijk elk meisje om een fotootje en die bewaarde ik in mijn trompetkoffer. Wist ik veel dat op een dag onze zoon Roy die koffer opengooide en al die foto’s te zien zouden zijn.’

Beeld Frank Ruiter

Maar geen vezel in z’n lijf die eraan dacht zijn Melly en Roy in de steek te laten voor zo’n Zweedse. ‘Nooit! Ik heb altijd een goeie smaak gehad en mijn Melly was een echte beauty. Kijk maar, naar die foto’s die hier overal hangen. Zelfs op hoge leeftijd mocht ze er zijn, met dat mooie golvende rooie haar. Toen ik ‘r voor het eerst zag, in 1943, was ze een danseres die zangeres wilde worden. Alle muzikanten zaten achter haar aan. Uiteindelijk ging ik er met haar vandoor. ‘Je bent een mooie verschijning, dus help ik je ook muzikaal’, zei ik. Ze werd aangenomen bij ons orkest – en ze koos voor mij.

‘We hebben het altijd goed gehad, 69 jaar lang. Ze was een makkelijke vrouw, ook als ik wat minder gigs had. En toen ze alzheimer kreeg, ben ik voor ‘r gaan zorgen, tot aan haar dood. Zo bijzonder was dit niet hoor, dat ik dat deed. Ik bedoel, ik heb diverse overtredingen begaan – de scheve schaats ja, met die Zweedse meisjes, onder anderen – dus ik was het haar verplicht.’

Bij het boek is een cd gevoegd met Ado’s oeuvre, en dat komt goed uit, want Ado zet graag zijn eigen muziek op, te beginnen met Coupe Negresco uit 1960, samen met The Ramblers. Erdoorheen praten vindt hij zonde dus hij zet het volume al bij voorbaat harder. Daar klinkt de gedempte trompet van Ado Broodboom in een prachtig slepende ballad, waarbij de geest met gemak verspringt naar de soundtrack van Ascenseur pour l’échafaud, een film noir uit de jaren vijftig.

Tekst gaat verder onder het filmpje.

Milder dan vroeger

De beste trompettist uit de jaren vijftig zit muisstil in zijn stoel, zijn ogen naar beneden gericht. In zijn gestreepte trui en zwarte trainingsbroek, en amper gekreukelde gezicht, lijkt hij op te gaan in de muziek. ‘Hier kan ik wel naar luisteren’, zegt hij wanneer het nummer is afgelopen. ‘Ik ben milder geworden in de beoordeling van mezelf. Normaal erger ik me dood aan mezelf, aan fouten en mindere prestaties. Ik hoor nu het verhaal van de trompettist. Dit bedoel ik met praten met het instrument. Je hoort ‘m zeggen: dit is het leven.’

Dat converseren middels zijn toeter, zegt hij te hebben geleerd van Miles Davis. ‘Het zijn de blue notes, de tonen tussen noten, die het hem doen, en daarin was Miles geweldig.’ Hij heeft Davis wel eens ontmoet in het Concertgebouw in Amsterdam, in de jaren vijftig. ‘Als muzikant kon ik hem hogelijk waarderen, maar ik kon Miles niet het predikaat mens geven’, oordeelt Ado. ‘Hij was een vervelende praatjesmaker.’

Beeld Frank Ruiter

Nee, dan had Ado liever Dizzy Gillespie, met wie hij in 1952 in het Concertgebouw speelde. Dat was een van de aardigste muzikanten met wie hij ooit op een podium heeft gestaan. Lange tijd heeft hij het verhaal verspreid dat hij na dit optreden met Dizzy nog stevig aan de boemel was geweest, maar – eerlijk is eerlijk – dat had hij verzonnen.

Hij staat op uit zijn stoel en komt terug met een koffer, zijn trompetkoffer. ‘Dit was mijn allerlaatste trompet’, zegt hij nadat hij de koffer voorzichtig heeft opengemaakt. Bij de firma Hakkert in Rotterdam had hij deze zilverkleurige trompet gekocht, en bij de firma Pfeiffer in Den Haag kreeg het instrument een goudbad. ‘Daar kreeg-ie een warmer geluid van.’ Aan de zachtblauwe voering van zijn koffer kleeft een verhaal, aldus Ado. Jaap Drupsteen, grafisch ontwerper en jazzbassist, liet zich door deze kleurstelling inspireren voor zijn ontwerp van het tienguldenbiljet.

‘Uiteindelijk heeft de trompet van mij gewonnen en moest ik stoppen vanwege die blessure’, zegt hij, met nog steeds gevoelde desillusie. ‘Het was een bittere strijd en ik heb van alles geprobeerd, maar mijn lipjes hielden het niet. Ik heb de trompet nooit meer aangeraakt, sinds 1980. Ik heb in 1993 nog één keer voor mijn ouwe zieke leraar een aubade gespeeld – rustig aan dan. Je moet eens weten hoe teleurgesteld ik was.

Verslapte spiertjes

‘Kom maar eens dichterbij, dan kun je het zien.’ Hij legt zijn vingers op zijn bovenlip, om de plek aan te wijzen waar zijn chronische blessure zich ophield, de verslapte spiertjes. Zijn embouchure, de wijze waarop hij zijn lippen tegen het mondstuk aanzette, was naar de gallemiezen, en hij kon niet meer blazen. Een echte trompettistenziekte, die ook Louis Armstrong te grazen had genomen.

‘Ik deed het al een tijdje rustig aan en speelde in de blazerssectie geen solos’s meer. En als ik op vakantie was geweest, speelde ik dagenlang lange noten om mijn lipspiertjes op te peppen. Niks hielp. Ik ging zelfs bij Salo Muller langs, de masseur van Ajax. Die behandelde me met stroomstootjes. Ik zie nog de gezichten voor me van die voetballers in de wachtkamer toen ik zei: ‘Ik ben hier voor mijn lip.”

Beeld Frank Ruiter

Hij was uitgespeeld op zijn 58ste, daar kwam het op neer, een afgekeurde muzikant, ongeschikt om een ander beroep uit te oefenen. De gouden tijd van de radio-orkesten had-ie meegemaakt, van vier schnabbels op een dag, studio in en studio uit. Of dat zo goed was voor zijn embouchure, hij betwijfelt het. Daar komt nog bij, zo moeten we weten, dat hij van overdrijven hield. ‘Als je regelmatig als act met twee trompetten in je mond Tiger Rag speelt, dan weet je het wel.’

Ado doet de koffer weer dicht. ‘Zij ligt lekker in d’r bedje, zonder pijn. Ja, dat is toch algemeen bekend: een trompet is een zij. En als je haar wil bespelen, dan moet je een echte man zijn. Zo zei mijn moeder het al. Dat klopte wel, denk ik. Vandaar dat ik ook 94 ben geworden.’

Ado Broodboom & Bert Vuijsje – Ado Broodboom trompet. Uitgeverij In de Knipscheer. 160 pagina’s plus cd, euro 29,95.

Bronvermelding